Regieaanwijzingen voor de liefde

Gerard van Honthorst, portret van stadhouder Willem II en Maria Stuart (1647)

De Gouden Eeuw mag dan als term in ongenade gevallen zijn, in de boekhandel lijkt dit tijdvak populairder ooit. Over deze periode verschijnt de ene naar de andere historische roman. Al eerder noemde  ik in een blog  de  ‘De Advocaat’ van Nicolaas Matsier, over het proces tegen Johan van Oldenbarnevelt, dat  Vondel bracht tot het schrijven van Palamedes, zijn creatieve doorbraak. Jean-Marc vanTol publiceerde Musch (2018), dat speelt in 1650, het jaar dat stadhouder Willem II zijn aanslag op Amsterdam pleegde, aan de hand van correspondentie van Johan de Witt en anderen.

Van Simone van der Vlugt las ik  ‘wij zijn de Bickers’ (2019), over een Amsterdamse regentenfamilie. Ook dit jaar verscheen van Lydia Rood het eveneens op archiefonderzoek gebaseerde boek ‘Turkenliefje’ over de Schiedamse vrouw Jacomijn Stout, die als jong meisje met haar ouders en broertje naar Suriname emigreert, maar het schip wordt gekaapt door piraten en ze worden op de slavenmarkt van Algiers verkocht. Ze raakt verliefd op de onderkapitein Mohamed, maar dan wordt het gezin vrijgekocht door de remonstrantse diakonie en keert het gezin terug naar Schiedam. Jaren later ontvangt Jacomien een brief van haar geliefde met een hernieuwd huwelijksaanzoek.

De verteller maakt van Jacomien een onafhankelijke en verlichte geest, zodat hun relatie veel weg krijgt van een mediterrane vakantieliefde. Deze romance wordt afgezet tegen het kille klimaat in Schiedam, waar de kerk streng is en de poëzie belerend. Thuis hangen er wandtegeltjes met suffe dichtregels van Jacob Cats, waarin de vrouw haar plaats moest kennenn. De verteller had er echter ook voor kunnen kiezen om het interieur te sieren met gedichten van tijdgenoot Vondel, die weliswaar rolbevestigend, maar toch ook speels, ‘met verrukking en tederheid’  (zo het huwelijksformulier in het dienstboek) over de eros  schreef. Zie bijvoorbeeld zijn beschrijving van de aardse liefde in het paradijs.https://eenwonderlijkbestaan.blog/2019/05/18/een-wonderlijk-bestaen/

Vondel stelt zich levendig voor hoe de raadspensionaris Johan de Wit door zijn vrouw  gesteund zal worden in zijn politieke werk.

Wanneer myn wachter zit beschanst in zijn papieren

Of worstelt in den Raet, en nacht en dag van stieren (besturen, FdR)

Vermoeit wort, kan een vrouw door vriendelyk onthael

Verquicken ’s mans gemoet…

Deze regels komen uit een gelegenheidsgedicht. Simone van der Vlugt verwijst er naar in haar boek, aangezien Johan de Witt trouwde met een dochter uit het geslacht Bicker, Wendela. Nogal eens werd Vondel door regentenfamilies gevraagd een vers te maken  om een bruiloft op te luisteren. Dat werd dan, neem ik aan, voorgedragen tijdens het feest ter vermaak van de aanwezigen. Vondel blijft toch vooral een toneeldichter, dus geeft hij in zijn gedicht voor Johan de Witt en Wendela Bicker ook wat regieaanwijzingen, waarbij hij kennelijk op de performatieve kracht van zijn taal vertrouwde om de bruid te laten blozen.

Zij zal hem afgeslaeft des middernachts verpoozen,

Daar ghy de ledekant bestroit met geur van roozen,

Die op haar kaeken reede ontluicken van de schaemt,

En ’t schaemroot, eene verf die zulck een Bruidt beteamt.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s