Een stem in de woestijn

landschap met de barmhartige Samaritaan, Maarten van Heemskerck, Rijksmuseum

Ik ben de stem in de woestijn die zegt: “maak recht de weg van de Heer” (Johannes 1:23)

Ik zal het maar ronduit bekennen, ik behoor bij de  enkele gelukkigen die nog vlak voor de lockdown de nieuwe Spidermanfilm hebben gezien. Nu ja gelukkig…, die superheldenfilms zijn totaal niet aan mij besteed, maar mijn zoon wilde hem heel graag zien en dat maakte het voor mij ook weer leuk. En wat het voor mij ook tot een bijzondere ervaring maakte is dat ik merkte hoe emotioneel betrokken het bioscooppubliek was bij hun held, ik mag natuurlijk niks weggeven, maar bij een bepaalde verrassende onthulling in de film steeg er een gejuich op in de bioscoopzaal van Roosendaal. Er werd hartstochtelijk en enthousiast meegeleefd. De toeschouwers zaten er helemaal in. Met volle overgave.

Als een geheime identiteit bekend wordt gemaakt dan zit je op het puntje van je stoel, dan is je aandacht geboeid, denk aan ‘Wie is de mol?’ En daarom trekt Johannes de Doper de aandacht: Wie ben jij? dat is de vraag waarmee er priesters en levieten tot hem komen. Ze zijn oprecht nieuwgierig: ben je de messias, Elia of de profeet? Priesters en levieten komen uit Jeruzalem, dat doet me ergens aan denken, daar kom ik nog even op terug.

Johannes roept nieuwsgierigheid op, hij wekt verwachtingen, dit zou hem wel eens kunnen zijn, de persoon die de belofte van een nieuwe tijd inlost. Daar leeft een groot verlangen naar.

Dat merkte ik ook bij die Spidermanfilm, hoewel alle fans snappen dat het om een bedacht, gespeeld personage gaat, belichaamt deze superheld en gewone jongen ineen de behoefte naar een redder, iemand die het kwade bevecht en de wereld bevrijdt. Dat is ergens een christelijk thema. En dankzij Spiderman heb ik ontdekt dat dit een verhaal is waar velen voor openstaan, en emotioneel door geraakt en enthousiast van willen worden. Kijk, zo was het voor de dominee toch een interessante film.

Wie ben je, Johannes geeft er open en eerlijk antwoord op, ik ben de messias niet en ook niet Elia en ook niet de profeet. Drie keer nee en toch staat er dat hij niet ontkennend antwoord, hij zegt immers ook wie hij wel is en hij gaat positief in op hun verlangen naar de messias. Ze hoeven niet met lege handen terug naar hun opdrachtgevers. Hiermee kunnen ze tot het hart van Jeruzalem spreken.

Wie is hij dan wel?  ‘ik ben de stem in de woestijn waar Jesaja over spreekt’. Dat is nog eens een sterk en zelfbewust antwoord. Johannes zegt daarmee, ‘ik ben gewoon mezelf, ik ben geen superheld, ik ben de messias niet, maar ik vertolk de boodschap van Jesaja, daar geef ik stem aan.’

En die stem zegt volgens Jesaja: ‘effen de weg van de Heer, trek recht wat krom is.’

Ik ben het niet zegt Johannes, ik ben ook maar een mens, een stem in de woestijn, een tere bloem op het veld. Dat is het realisme van Johannes, nog net iets realistischer dan Spiderman, als je het mij vraagt.

Een open en eerlijk antwoord van Johannes ook op de vragen van onze dagen, we vragen ons immers steeds af wanneer het leven weer gewoon wordt en corona voorbij is, maar dan vergeten we dat het gewone leven ook kwetsbaar is en voorbij gaat en dat er altijd teleurstellingen en beperkingen zijn. Dat is leven en de kunst is dat je daarmee leert leven. Of zijn we te verwend geraakt…?

Johannes getuigt: Ik ben het niet, de messias of superheld, maar in uw midden is Hij. In dit aardse, soms moeizame leven stem klinkt dus een stem, een spreken. In dat Word is leven en licht voor de wereld. Johannes ziet gebeuren dat de Heilige Geest op Jezus neerdaalt, zo wordt ons broze bestaan bezield, een zondige wereld omgedoopt tot nieuwe schepping.

Ik zou nog terugkomen op die priesters en levieten die uit Jeruzalem richting de Jordaan komen, waar deed me dat aan denken? Aan een verhaal dat Lucas vertelt, dat van de barmhartige Samaritaan. Dan zijn er een priester en een leviet die dezelfde beweging maken van Jeruzalem naar Jericho dat in het Jordaandal ligt.

Misschien wilt u mij tenslotte deze vrije uitleg gunnen. Stel je voor dat de evangelist Johannes die gelijkenis van Lucas kende, de barmhartige Samaritaan en dat hij die priesters en levieten laat afdalen vanaf Jeruzalem om ze als het ware een herkansing te geven.  De vraag bij de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan is ‘wie is mijn naaste’ en zo komen de priesters en levieten hier langs dezelfde weg met de vraag tot Johannes ‘wie ben je?’.

In de gelijkenis maken de priester en de leviet de weg krom door de vraag naar de naaste in nood, die eenzaam dood ligt te gaan, te ontwijken, ze gaan er met een boog omheen. Hier krijgen ze opnieuw de stem van Jesaja te horen: “Maak recht de weg van de Heer.”

Zoals Jesaja dat brengt, heb je misschien het idee dat je een superheld moet zijn, bergen verzetten, valleien ophogen,  een snelle uitweg uit de crisis, als dat zou kunnen, bovennatuurlijke krachten, maar ik denk dat de priesters en levieten het wel begrepen hebben dat het bij het bereiden van een weg voor de Heer erom gaat of jij een naaste wil zijn.

Ze krijgen de vraag die ze zelf stellen aan Johannes als een echo teruggekaatst. Wie ben je? Ben jij een naaste en wil je geloven dat de Heer zelf je naaste geworden is?

preek 9 januari

In den beginne -Nieuwjaarspreek

Johannes de Doper door Mattias Grünewald-Isenheimer Altar, bron: Statenvertaling.net

Het bekendste kerstevangelie, van Lucas, begint met: het geschiedde, het gebeurde, dat is in de Bijbel de manier om een verhaal te beginnen. Het geschiedde in die dagen. En dan zie je Jozef en Maria op bevel van keizer Augustus naar Bethlehem reizen, waar het kind wordt geboren en in een kribbe gelegd, want plaats is er niet in de herberg.

In het vierde evangelie, dat van Johannes, geen Jozef en Maria, geen reis naar Bethlehem, dat vertelt Johannes niet, dat laat hij aan Lucas over. Maar wel lees ik daar diezelfde woorden. Het geschiedde, het gebeurde. Wat gebeurt er dan? Er gebeurt een mens. Dat staat er. In het Nederlands kun je dat zo niet zeggen en daarom staat er in onze vertaling: Er kwam iemand. En dat moet je dus zo opvatten. Er gaat iets gebeuren. Let op. Er kwam een mens die door God werd gezonden en zijn naam: Johannes.

Nu verwachtte je daar misschien de naam Jezus, het evangelie wil toch over Jezus vertellen. De Zoon van God. Ja, maar de eerste naam die hier wordt genoemd is Johannes. Bedoeld wordt Johannes de Doper, zo kennen wij hem.

Johannes wordt hier alleen niet de Doper genoemd, maar de Getuige. Want zo gaat het verhaal verder. Hij heette Johannes en hij kwam als getuige, om van het licht te getuigen, opdat allen door hem zullen geloven.

Wat weten we van Johannes. Een eigenaardig figuur, hij leefde als een outsider, zag eruit als een zwerver, met zijn mantel van kamelenhaar, mooie kerstoutfit, hij at sprinkhanen en honing die hij in de woestijn vond. En hij was een profeet, hij had kritiek op iedereen of moet je zeggen: hij geloofde er in dat iedereen tot inkeer zou komen. Hij bracht heel het volk er toe om te verlangen naar de vergeving van zonden. Een nieuw begin.

Een stem in woestijn, die de weg van de Heer aanlegt, zo wordt hij in de Bijbel getypeerd. En hier komt  hij het verhaal binnenlopen als getuige, om van het licht te getuigen, opdat allen zullen geloven.

Het licht, daar moet iemand, een mens je op wijzen. Je opmerkzaam op maken. Wat voor een licht is dat dan, als iemand een licht aan doet, dan zie je dat toch zelf wel, heb je daar een getuige voor nodig?

Johannes 1 spreekt over het licht van den beginne.  Van de eerste dag, van Genesis 1. Het licht dat ontstaat, dat gebeurt,  door het Woord, als God gaat spreken. ‘In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God’. Prachtige openingszin. Pure poëzie.

Deze proloog sluit aan bij Genesis 1. Het begin van de Hebreeuwse Bijbel. De schepping. Als God in den beginne de hemel en de aarde schept door te spreken, door zijn woord. En om te beginnen het licht. God sprak, laat er licht zijn en er was licht.

Dat is dus het licht van de eerste dag en wat dat licht bijzonder maakt is dat het er is, voordat de zon en de maan en de sterren geschapen worden. Het is dus een oorspronkelijke lichtbron, die zich onderscheidt van de duisternis en niet afkomstig is hemellichamen en lampen en kerstverlichting, het is het licht van God zelf.

Van dit licht getuigen, dat is wat Johannes doet, hij is zelf het licht niet, maar getuigt van Gods verborgen aanwezigheid in deze wereld, het licht dat schijnt in de duisternis.

Hoe getuigt hij daarvan? In de eerste plaats door mens te zijn, want zo wordt hij geïntroduceerd. Er geschiedde een mens en hij droeg een naam Johannes, een naam hebben wil zeggen dat je aanspreekbaar bent. Als je een naam hebt, dan heb je ook een roeping.

Als je aanspreekbaar bent op je mens zijn, dan gebeurt het, dan geschiedt het ook in jouw leven.

Dat is waar de openingszin van dit evangelie op duidt. In den beginne was het woord, vanaf het begin is er het spreken. God begint ermee, schept het licht en hemel en aarde en tenslotte de mens die tot antwoorden in staat is, die geroepen wordt om zodoende van het licht te getuigen.

Wat voor een getuige was Johannes? Hij kwam om te getuigen, opdat iedereen door hem ging geloven.

Kan een medemens je geloof geven? De geseculariseerde wereld zegt ‘nee dat kan niet, dat is ieders persoonlijke keuze, de gelovige zegt misschien ook wel ‘nee, dat is het werk van de Heilige Geest’, de dominee denkt, ik probeer het, maar het lukt me niet of nauwelijks’, maar deze tekst heeft er alle vertrouwen in. Opdat allen zullen geloven, door die mens. Vertrouwen krijgen.

Ik zou haast zeggen, laat het maar gebeuren in jouw levensverhaal, wees mens, wees aanspreekbaar voor het spreken van God, voor zijn Geest die je geloof nieuw leven inblaast, dan gebeurt het dat je een getuige bent. Geloofwaardig en vertrouwenwekkend.

Als ik dit Woord van den beginne tot me door laat dringen, dan krijg ik er inderdaad weer vertrouwen in, dat het gebeurt, dat mensen geloof krijgen in dit verborgen licht van God dat schijnt in de duisternis.

Kerst 2021-Nieuwjaar 2022

Troost, troost mijn volk

De profeet Jesaja-Jan Mostaert (ca.1520) Museum Boymans van Beuningen

De Canadese filosoof Michael Ignatieff schreef een boek over troost. Toen hij daar een paar jaar geleden aan begon, vroegen mensen uit zijn omgeving of het wel goed met hem ging. Waarom een boek over troost? Welk verdriet had hij niet kunnen verwerken?

Het ging goed met hem, maar hij was op het spoor van de troost gezet toen hij bij een muziekfestival een kooruitvoering van de psalmen meemaakte. De muziek en de teksten brachten bij hem als (naar eigen zeggen) niet religieus persoon een diepe emotie te weeg die hij als troost beleefde. En daar wilde hij zich  in verdiepen, want hij had niet verwacht dat het zoveel met hem deed, dat die troost  zo relevant voor hem was

Nu een paar jaar en een paar coronagolven later wordt hem niet meer gevraagd waarom hij zich met het onderwerp troost bezig houdt. Het blijkt dat heel veel mensen snakken naar troost. Waarom? Omdat het leven moeilijker, zwaarder, onzekerder is dan voorheen. En omdat veel dingen die voor afleiding zorgen wegvielen in de lockdowns?

Troost, troost mijn volk, zo begint Jesaja 40, zo begint een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van Israël, want de eerste 39 hoofdstukken van Jesaja spelen vroeger in de geschiedenis, voor de ballingschap, maar hoofdstuk 40 kondigt het einde van 50 jaar ballingschap aan, hier spreekt Deuterojesaja, oftewel een tweede Jesaja. In de geest van de eerste.

Dat zit misschien dicht tegen elkaar aan, de vraag is of het volk zich wil laten troosten of gaat deze Jesaja te snel voor ze. Is de ellende dan zomaar voorbij?

Deze tweede Jesaja en daarmee volgt hij de eerste Jesaja,  geeft aan de ellende, het ver van huis zijn, een bepaalde duiding. Hij beweert namelijk dat die ellende te maken heeft met schuld, een straf is, een taakstraf kun je het noemen, een slavendienst. Het volk heeft schuld op zich geladen en daardoor de vrijheid verspeeld.

In de trant van: ‘Jullie hebben je niet aan de adviezen en de basisregels gehouden en dan is dit het gevolg.’

Maar wat me dan opvalt is dat Jesaja wel wat van die logica afwijkt door het volk toe te spreken dat ze uit de hand van de Heer dubbel  voor haar zonden hadden ontvangen.

Jullie zijn zwaarder gestraft dan je had verdiend, dubbel hebben jullie geboet. Ik weet niet precies hoe Jesaja dat bedoelt.

In ieder geval hoor ik er iets van protest in van de kant van Jesaja,  heeft Israël niet te veel te verdragen gekregen? Heeft God zijn volk niet te hardhandig aangepakt?

Juist in die formulering dat het volk dubbel heeft ontvangen, zit een element van vertroosting. Ja, dat ze in deze situatie zitten is door hun eigen toedoen, het gevolg van hun slordige omgang met God en de naaste, maar het is meer dan dat, meer dan ze hadden kunnen voorzien, ze zijn hier niet alleen verantwoordelijk voor.

Troost, troost mijn volk, dat doe je niet door alle schuld bij een ander te leggen of door alle schuld bij jezelf te leggen . Het lijkt wel alsof God zegt, jullie mijn volk,en ik jullie God, hebben hier allebei ons aandeel in.

Machtig mooi vind ik het dat God Israël hier aanspreekt als ‘mijn volk’ en dat God zich aan hen voorstelt: ‘jullie God’.  Dat deze tweede Jesaja zo begint.

‘Dubbele straf’ zegt de NBV-vertaling, maar ‘straf’ staat er niet. Alleen dubbel ontvangen en dat zet mij aan het denken. 

Nu ga ik Jesaja niet liever maken dan hij is, hij duidt de ballingschap als een straf uit Gods hand, maar ‘dubbel ontvangen’, dat duidt volgens mij op een ander extra. Dat ze naast de straf, ook vrijspraak krijgen, het grote geschenk van de gratie.

Want welk woord staat er nu eigenlijk dubbel? Troost, twee keer, dat is het, dat bedoelt Jesaja met dubbel ontvangen.: Troost, troost, mijn volk.

Oordelen

Lucas van Leiden, het laatste oordeel, museum de Lakenhal

Twee mensen raken op een feestje met elkaar in gesprek : ‘Wat doe jij in het dagelijks leven?’ ‘Ik ben leraar’. ‘O, dat is meer een roeping dan een beroep.’ Er ontstaat een onuitgesproken spanning, want  de leraar hoort een oordeel in die laatste opmerking, dat het onderwijs niet echt een vak is en hij legt vervolgens uit wat er allemaal bij komt kijken om voor de klas te staan.

Vanuit mijn professie als predikant vat ik ‘roeping’ op als een positieve kwalificatie, het is het extra dat je naast alle beroepsmatige vaardigheden nodig hebt om dit werk te kunnen doen. Maar roeping kun je niet volhouden  als je geen erkenning krijgt voor wat je doet en daar was het deze leraar om te doen.

We zijn gevoelig  voor het oordeel van anderen en vaak veroordelender  dan we zelf door hebben. Daarom is het zo weldadig dat we bij Jezus een vrijheid van oordeel ontmoeten die voortkomt uit zijn verbondenheid met de Vader.  Jezus zegt  in het Johannesevangelie:

“Ik oordeel over niemand, jullie oordelen naar menselijke maatstaven. En wanneer ik toch een oordeel vel, is mijn oordeel betrouwbaar.” (Joh. 8:15)

Voor mij is dat een belangrijk vertrekpunt. Iets van die vrijheid van Christus hebben we nodig om met onze maatstaven tot een goed oordeel te komen. In je dagelijks werk (als je situaties en personen moet beoordelen) en ook in de kerk.  Die vrijheid werkt bijvoorbeeld zo: Wanneer Jezus voor mij de maatstaf is,  zijn houding van openheid en vergeving tot aan het kruis,  dan hoef ik me zelf niet aan anderen te meten.

Een van mijn leermeesters leerde mij  ‘dubbel denken’.  Dat is bereid zijn om op 2 niveaus over politieke en ethische vragen na te denken. Het betekent (1) vrij zijn om je eigen visie in te brengen, waarachtig zijn in je overtuiging, maar ook in je onzekerheid en (2) tegelijkertijd zoeken naar wat de gemeenschap dient, dus rekening houdend met het belang van anderen.

En het eindoordeel mag je gelukkig aan Jezus laten.

Meditatie kerkblad november 2021

Maria

Isenheimer Altaar te Colmar, Maria en Gabriël

‘De kapel is open’,  staat er op het bordje bij het kerkplein in Standdaarbuiten. Als ik er langs fiets valt mijn oog op het Mariabeeld. Zij is er nog! De kerkgebouwen in Standdaarbuiten zijn verkocht aan particulieren in de afgelopen jaren. Dat het nodig was valt  te begrijpen, maar toch doet het me pijn dat er geen kerkelijke vierplek meer is in dit dorp en dat geldt voor meer plaatsen in de omgeving.

Wel is er die Mariakapel, waar je als voorbijganger wordt verwelkomd om te bidden en daarbij een kaarsje aan te steken.  Als protestant denk je er echter niet snel aan om naar binnen te gaan.

Ik ging er met nieuwe ogen naar kijken nadat ik voor mijn verjaardag het boek ‘Maria, icoon van genade’ kreeg, geschreven door de christelijk-gereformeerde  hoogleraar Arnold Huijgen. Behalve boeiende theologiegeschiedenis is het een oproep aan protestanten om meer waardering voor Maria te koesteren. Luther en  Calvijn achtten haar hoog. Zij is immers de eerste die het evangelie van de komst van Christus met geloof begroet en zij staat aan de basis van de kerk. Een joods meisje is de moeder van alle gelovigen. Maria staat bij het kruis als haar Zoon sterft en na de opstanding verwacht zij met de apostelen de Heilige Geest. Het is volgens Huijgen niet de bedoeling haar te aanbidden, maar samen met haar aangesproken te worden en in te stemmen met haar lofzang: ‘Mijn ziel prijst en looft de Heer, mijn hart juicht om God mijn Redder.’

Dat helpt mij om deze Mariakapel niet als een restant van bijna verdwenen volksgeloof te zien, maar als een uitnodiging om het vertrouwen van Maria voort te zetten. Wie het gevoel bekruipt de laatste te zijn die gelooft, kijkt naar de moeder van Jezus en beseft dat zijn de eerste was die het evangelie van harte beaamde. Een voorbeeld voor alle christenen en daarom is het een hoopvol teken als er plekken zijn waar zij in ere wordt gehouden. Iemand vertelt me dat hij de sleutelbeheerder is van de Mariakapel. Een mooie taak! Als er voor Maria een plek is, dan ook voor haar geloof dat God bij de mensen wil wonen.

meditatie kerkblad oktober 2021

Open je ogen

Rembrandt, de doop van de kamerling, Catharijneconvent Utrecht, bron: Statenvertaling.net

‘Verstaat gij wat gij leest?’, vraagt Filippus aan de Ethiopische diplomaat die in zijn reiswagen de profeet Jesaja aan het lezen is. (Handelingen 8).

Dit voorjaar werd er in Nederland bijna huis aan huis een brochure verspreid met de titel ‘eye-opener’, een eenmansactie van een evangelist die er van overtuigd is dat de Bijbelse profetieën in onze tijd uitkomen. Toevallig was er op ons adres niet een bezorgd, maar een gemeentelid was zo vriendelijk haar exemplaar aan mij te geven.

Waarom denk ik dat zo’n brochure deels de plank misslaat? Dat heeft volgens mij met het onderscheid te maken tussen uitleg en toepassing. Dit is een principe dat in de christelijke traditie en zeker in de protestantse kerken altijd is gevolgd.

Als je de profetieën in de Bijbel leest, zowel Oude als Nieuwe Testament, dan merk je dat de profeten en apostelen geïnspireerd waren om voor hun eigen tijd geloofsgetuigen te zijn. Zij verkondigen wat zij van Godswege hebben meegekregen en wat de Geest hen ingeeft. Daarom is het Gods woord en tegelijkertijd zijn het menselijke verwoordingen van dienaren die beperkt zijn door de omstandigheden waar ze zelf in leefden. Ze konden niet over hun eigen horizon heenkijken.

Als ik wil verstaan wat ik lees, dan moet ik begrijpen dat iemand als Jesaja profeteert over de situatie waarin hijzelf verkeerde. Maar dat is gelukkig niet het enige. We mogen deze getuigenissen vervolgens ook toepassen op onze eigen situatie. Je maakt een vertaalslag. Daar heb je verbeeldingskracht en luistervaardigheid voor nodig, gebed en geloof. En wat daarbij helpt is een preek die de tekst uitlegt én actueel maakt, een Bijbelkring of een cursus theologische vorming voor geïnteresseerden. En met het bewustzijn van Black Lives Matter lezen we het schilderij van Rembrandt met nieuwe ogen.

Dus als iemand zegt dat we in 2021 in een bevoorrechte situatie verkeren omdat de Bijbelse profetieën precies in onze generatie bezig zijn uit te komen, dan denk ik persoonlijk dat je deze teksten verkeerd uitlegt. Als iemand echter  laat zien dat Gods woord van ons vraagt om het op onze tijd toe te passen, omdat God ook nu werkt en ons meeneemt door zijn Geest, dan worden je ogen geopend.

meditatie kerkblad juni 2021

Pinksteren en de laatste dagen

Giotto, de uitstorting van de Heilige Geest, Arenakapel, Padua (bron afbeelding statenvertaling.net)

Pinksterpreek bij Handelingen 2:14-24

7 weken na Pasen, op de 50e dag vanaf het Joodse Pesachfeest geteld, wordt Pinksteren gevierd.  Pinksteren betekent 50, vandaar. Het heet in het Jodendom het wekenfeest, vanwege die 7 weken, het is  het feest  der eerstelingen, In Israël het begin van de tarwe-oogst. En terwijl Pesach het feest van de uittocht is uit Egypte, viert Pinksteren de gave van de wet. Dat het volk in de woestijn bij de berg Sinaï van God de geboden had ontvangen en beloofde zich daar aan te houden. Het feest  van het verbond, God verbindt zich met zijn volk.

Het Bijbelboek Handelingen vertelt hoe het aan het begin van onze jaartelling in Jeruzalem een multicultureel feest is rondom de tempel. Joden uit alle windstreken zijn er  samen gekomen om dit gedenken, het is een evenement met een sterk idee, een ideaal van verbroedering en verbondenheid. Vergelijk  het met  euro-songfestival in Ahoy.

En daar op straat in Jeruzalem horen al die gasten iets waar ze van opkijken, iets aparts en toch vertrouwd, want ze horen hun eigen taal. Als je in het buitenland bent en je hoort op het terrasje naast je mensen in het Nederlands praten, dan spits je je oren, je vangt iets op wat je thuis kunt brengen en je luistert mee.

En wat horen ze in hun eigen taal en tongval? Het zijn vreemd genoeg geen landgenoten, maar Galileërs die zich laten horen. Apostelen, volgelingen van Jezus, die ze de Christus, messias noemen. En een van die mannen stapt naar voren, als woordvoerder, het is Petrus, hij houdt een toespraak, geïnspireerd, emotioneel en indrukwekkend.  Een preek over de profeet Joël.

Is het een donderpreek? Het is een stormachtig betoog met dreiging van donkere wolken, ja het dondert, het bliksemt en het stormt  en toch of eigenlijk daardoor wordt de lucht geklaard.

Je  merkt dat het voor Petrus een moment van ontlading is, eindelijk kan hij zich uiten en een deel van het publiek wordt er door gegrepen, geraakt, ze  nemen het ter harte. Hij spreekt hun taal.

Het opmerkelijke is echter dat de tijdsaanduiding ‘in het laatste der dagen’/ ‘aan het einde der tijden (Nieuwe Bijbelvertaling)  waarmee de profetie wordt ingeleid niet van Joël is. Die komt uit het beroemde vredesvisioen van Jesaja en Micha over zwaarden die omgesmeed worden tot ploegen en speren tot snoeimessen.

Petrus verbindt dus volgens een beproefde rabbijnse uitlegmethode de revolutionaire tekst van Joël die deels een dreigend karakter heeft met de belofte van niets minder dan wereldvrede die Jesaja voor zich ziet: de volken zullen niet  langer leren wat oorlog is.

Het laatste der dagen,  het einde der tijden, dat is in de Bijbel geen aanduiding voor het einde van de wereld, maar de belofte van een nieuwe begin, een nieuw verbond. Een visioen van vrede en gerechtigheid landt in de realiteit.  Het zal zijn in het laatste der dagen

Petrus ziet dat tijdens het Pinksterfeest gebeuren, dat de profetie van Joël in vervulling komt:  het is nu gaande. Opvallend dat deze oude tekst zo inclusief is. Zonen en dochters worden genoemd,  jongeren en ouderen, dienaren en dienaressen. Allemaal, vrouwen en mannen, jong en oud, worden ze geraakt door het verhaal van Jezus. Het gaat nu in hen leven.

God stort zijn hart uit, zodoende komt de missie van de God van Israël op gang. Naar alle richtingen. Zie ik zal mijn geest uitstorten op al wat leeft.

‘Op alle vlees’ staat er in de oude vertaling, dat wordt in het Nieuwe Testament ook ove Jezus gezegd, dat hij ‘in het vlees’ gekomen is. Dat hij dit aardse bestaan, dit leven met zijn ups en down, lusten en lasten aanvaard heeft en gedragen heeft.

Afgedaald is in onze realiteit, in je strijd met een depressie of verslaving. In de stille armoede en de schuldsanering. Ook in het slepende conflict tussen Israël en de Palestijnen en alle andere burenruzies.

Zijn geest wordt nu uitgestort op alle vlees, op als wat leeft, op het aardse. Dus die Geest van Jezus zoekt de lijdende schepping op, zucht mee in de ziekenhuizen, gaat wonen in de probleemwijken en vluchtelingenkampen. Land waar de aarde woest en ledig is.

Maar eerst dus in Jeruzalem en er zit in dat uitgieten van Gods Geest dus iets van spanning. Het is geen fluwelen revolutie, maar een spannend gebeuren, er was onrust, net als deze Pinksterdagen trouwens, veel volk op de been. De komst van de Geest ging met een harde stormwind en een donderend geraas gepaard. Je wordt wel even weggeblazen, het brengt je van je stuk. Toen ik eerder dit weekend een rondje ging fietsen door de polder, waaide ik bijna van de dijk. Dat gevoel.

En dan nog die donderpreek van Petrus, er staat dat de mensen er kapot van waren. Hij stapt naar voren en zegt (inclusief) tot allen: “jullie hebben toch gehoord van Jezus van Nazareth, die door de Romeinen gekruisigd is, jullie hebben dat  laten gebeuren, en jullie dachten misschien, ‘ja zo gaat dat nu eenmaal’, maar God heeft het er niet bij laten zitten, hij heeft hem opgewekt.”

Dat komt aan. Je dacht naar eer en geweten gehandeld te hebben en nu word je toch verantwoordelijk gehouden, je dacht het intern te hebben te hebben opgelost en nu ligt het toch op straat.

Dat is wat de Heilige Geest doet, een rechtvaardig oordeel vellen, de waarheid boven tafel krijgen, de slachtoffers van de geschiedenis een stem geven. Daarom gaat het er stormachtig aan toe.

En vandaar een donderpreek, maar het is geen bangmakerij. De Johannesbrief zegt: ‘daarom kunnen we op de dag van het oordeel vol vertrouwen zijn’. Je mag vrijmoedigheid hebben, dat woord gebruikt Petrus hier. Juist in het oordeel, omdat het Jezus het oordeel heeft gedragen. Juist als het spannend wordt, als die beelden van de profeet Joël van bloed en vuur en rook zich aan je opdringen, dan is er de belofte van dat nieuwe verbond, dat God zijn vredesproces niet opgeeft.

Na het nieuws van de laatste dagen is het mijn gebed dat het ook nu weer Pinksteren mag worden in Jeruzalem en omstreken.

Tranenbrood

Pieter de Witte, het Laatste Avondmaal, ca. 1590, bron: Statenvertaling.net

Preek op Witte Donderdag bij Deuteronomium 16:1-8 en Marcus 14:17-25

‘Het is het tranenbrood dat  u zolang u leeft, zal herinneren aan de dag waarop u wegtrok uit Egypte’ (Deut. 16.3) ‘Ze werden bedroefd’ (Marcus 14:19)

‘En zij werden bedroefd’, de discipelen beginnen te huilen als Jezus hen aanspreekt tijdens de Pesachmaaltijd die ze met elkaar vieren volgens het gebod dat God aan het volk Israël gegeven heeft om de Exodus, de uittocht uit Egypte te gedenken.

Wanneer doen ze dat?  op de vooravond van het feest van de ongezuurde broden, als het Paaslam (het Pascha) geslacht is, bij volle maan in de maand Abib, oftewel de korenaar-maand, als in Israël het vroege graan begint te rijpen.

Waar zijn ze, in Jeruzalem? in de Tora aangeduid  als ‘de plaats’, de plaats waar de Heer zijn Naam (Ik-Zal-Er-Zijn) laat wonen, daarom was Pasen een pelgrimsfeest en gingen de Israëlieten dan naar die plaats, Jeruzalem.

De opdracht is om Pesach te vieren alsof je de verlossing uit Egypte  zelf hebt meegemaakt: ‘”Niet alleen onze voorouders, wij zelf zijn toen bevrijd.” Ook wij moesten in Egypte het slavenwerk doen en in de woestijn voetbalstadions vestingsteden bouwen.

En daarom eten Joden, toen en nu,  7 dagen lang die matses, ongegist brood dat in Deuteronomium brood van de verdrukking wordt genoemd, brood van de ellende, in onze vertaling: tranenbrood.

Brood om je te binnen te brengen dat je in Egypte in de ellende zat, in de misère en dat de Heer je daaruit heeft gehaald, je bent er uit gekomen.

 Waarom is dat brood ook al weer ongegist? Nou, toen ze op de avond van de uittocht halsoverkop ontsnapten moesten ze eten meenemen. Ze hadden dus geen tijd om het deeg te laten rijzen en rusten, het moest snel, als de wiedeweerga, worden klaargemaakt.

Het is deze avond dus, aan het begin van het feest van het tranenbrood. Jezus heeft er naar uitgekeken om dit met zijn leerlingen te vieren, hij heeft het ondanks alle perikelen zo gepland dat hij deze maaltijd met zijn leerlingen kan houden, dat het door kan gaan, ongestoord. Het wordt zijn laatste avondmaal, hij weet het.

De matses worden dus brood van ellende, tranenbrood genoemd. En tranenbrood is het voor Jezus en zijn leerlingen. Door emoties bevangen. Tot tranen geroerd.

Waarom zijn ze zo verdrietig. Omdat Jezus zegt,:1 van jullie zal mij verraden, overleveren. Het gevaar komt niet van de romeinen of de hogepriesters of de farizeeën of de menigte, maar van dichtbij zegt Jezus, 1 van jullie 12 zal het zijn, zal het doen.

Grote consternatie, allemaal schieten ze in de ontkenning: ‘ik toch niet Heer?’ Ja, je zou er maar op aangekeken worden, je zou er maar van verdacht worden dat jij dit hebt bedacht. 1 van jullie wil van me af: Jezus van Nazareth, functie elders.

Ik toch niet Heer. Jezus stelt zijn leerlingen niet gerust; De mensenzoon (de messias) gaat heen, zal sterven. Jullie gaan dat niet voorkomen, jullie gaan me hier niet uit redden. En 1 van jullie heeft het op zijn geweten, ‘voor die mens was het beter als hij niet geboren was’, staat er. Woorden die door merg en been gaan.

Het wordt Judas wel degelijk aangerekend, maar het houdt iets raadselachtigs, zijn fatale daad van verraad is meer dan een mens dragen kan. Het Marcusevangelie laat trouwens open hoe het met Judas afliep, Matteus vertelt bijvoorbeeld wel over zijn noodlottige einde, maar Marcus laat het in het midden.

Jezus wijst hem hier niet als schuldige aan, maar legt het in de groep, 1 van jullie zal mij verraden.

Jezus legt het ook hier in ons midden op tafel als wij zijn maaltijd houden en dan heb ik ook de neiging om te ontkennen: ‘ik toch niet Heer, laat mij er buiten. Ik was het niet, ik ben geen heilige, oke, maar voor eigen gewin iemand verraden, dat toch niet…’

Verraden? Er staat ‘overleveren’, Jezus wordt in het lijdensevangelie telkens overgeleverd: door Judas aan de hogepriesters, door de hogepriesters aan Pilatus, door Pilatus aan zijn soldaten die hem kruisigen. Ze willen allemaal van Jezus af, functie elders, maar niemand steekt zijn vinger op: ik ben het Heer.

Jezus zegt, het is 1 van de 12 die met mij het brood in de schotel indoopt, ja dat hoort bij deze avond, bij de Pesachmaaltijd, dat je die harde matse in een kommetje water doopt, water waar zout aan toegevoegd is, voor de smaak, ja, om te denken aan het bloed, het zweet, de tranen die in Egypte zijn vergoten: tranenbrood, brood van ellende.

Ja dat doen ze allemaal en wij nemen ook van het tranenbrood als wij de maaltijd van Jezus vieren op deze Witte Donderdag, daarmee belijden we onze schuld, want ook wij waren er bij en we lieten Jezus in de steek. ‘Jullie zullen me allemaal laten vallen.

En we nemen het tranenbrood met diepe dankbaarheid, omdat het Pasen wordt en ook wij worden bevrijd, we gaan het meemaken: ‘wat met tranen is gezaaid, wordt met gejuich gemaaid’, je wordt herboren. En dat zet volgens mij zelfs die uitspraak over de mens die beter niet geboren had kunnen zijn in een nieuw licht.

Want Jezus zegt tot alle 12 als hij het brood breekt: ‘neem, dit is mijn lichaam’ en hij zegent de wijn, ‘dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt’.

Dank u Heer, Geprezen zij de Naam, lof zij Christus in eeuwigheid. Amen

De honger van de ander is heilig

Byzantijns mozaïek ca. 400 na Christus, ‘broodvermenigvuldigingskerk’, Thagba, Israël

Hieronder een fragment/ brokstukje uit mijn preek van zondag 14 maart over Jezus die het volk voedt met 5 broden en 2 vissen (Johannes 6:1-15) waarin ik stil stond bij biddag voor gewas en arbeid en ook een beetje bij de verkiezingen. Als Jezus zich ‘brood des levens’ noemt en ‘manna uit de hemel’ is dat namelijk niet alleen maar spiritueel, maar heeft dat een  aardse, wereldse en dus ook politieke betekenis. Zie voor de hele dienst: https://youtu.be/5lFBjGQSOXA

Een bijzonder kenmerk van de evangeliën is dat er een soort driehoeksverhouding is tussen Jezus, zijn leerlingen en de menigte. Jezus is meestal omgeven door zijn leerlingen, met hen is hij in gesprek, vertrouwelingen, vrouwen en mannen, die hem volgen en tegelijkertijd is het volk nooit ver weg, zij volgen hem ook. De menigte, in de oude vertaling ‘de schare’. En telkens blijkt dat Jezus bezorgd is om het volk, dat hij om hen bewogen is, bekommerd. Hun zorgen en noden gaan hem aan het hart. En  het volk loopt hem achterna en het is meer dan nieuwsgierigheid alleen, ze hebben verwachtingen van Jezus.  

(..)

Jezus heeft iets met het volk en het volk met hem en toch is hij geen populist, geen man van het volk. Want als ze hem mee willen nemen en op een troon hijsen, dan neemt hij afstand, trekt zich zelfs alleen terug op de berg.

Op de zondag voor de verkiezingen vind ik dat een spannende vraag, wat heeft Jezus met het volk en wat is de rol van de discipelen  daarin?  Het volk lijkt op drift geraakt, stuurloos, allemaal zwevende kiezers en toch zijn ze op Jezus gericht. Ze volgen hem op  de voet, vanwege de tekenen die ze van hem gezien hebben, de zieken die hij genas.  Zelfs als hij het meer van Galilea per schip oversteekt, weten ze hem weer terug te vinden. Ze lopen om het meer heen en treffen hem daar aan. Via een omweg komen ze bij Hem uit.

Wat heeft Jezus met het volk? wat heeft Christus met de wereld? nou alles dus. “Al zo lief had God de wereld, dat hij zijn Zoon gezonden heeft, opdat ieder die in hem geloof niet verloren zal gaan, maar eeuwigleven mag hebben.” (Joh.3:16) Dat is het partijprogramma van het Johannesevangelie. En dat zie je aan Jezus’ omgang met de mensen, dat hun kwalen en hun honger hem bezig houden.

Je kunt gerust zeggen: daar begint Gods missie in deze wereld, bij de zorg voor de zieken, de honger van de naaste. Denk aan de werken van barmhartigheid. Dat vraagt om inzet van mensen en middelen en daar gaat de politiek over. De Joodse denker Emmaunuel Levinas zegt: ‘de honger van de ander is heilig’. Hij bedoelt dat je daar niet om heen kunt, het is een gebod van hogerhand om te delen.

Bij de wilde dieren…

In de essays van Oek de Jong kom ik een afbeelding tegen van een van de prachtige mozaïeken uit de kathedraal van Monreale op Sicilie, over de scheppping van Adam. De mens die volgens Genesis naar Gods beeld wordt geschapen.  Een sterk beeld met als aardig détail dat op de achtergrond de dieren staan die eveneens op de zesde dag geschapen zijn.

Dat beeld kwam bij me op toen deze zondag Marcus 1 op het leesrooster stond, waar Jezus gedoopt wordt en vervolgens in de woestijn door Satan op de proef wordt gesteld. Marcus vermeldt dan als enige evangelist dat Jezus bij de wilde dieren verbleef, terwijl engelen hem dienden.

Hieronder de preek die ik zondag gehouden heb over Marcus 1 en Psalm 8, door een technisch probleem is die via youtube niet geheel uitgezonden, hieronder dus wel te lezen:

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

De grote geleerde Blaise Pascal, wiskundige, natuurkundige, naar wie rekenmachines en programmeertalen zijn vernoemd zei over de mens:

Met hoeweinig hoogmoed gelooft een christen dat hij verenigd is met God. Hoe weinig vernederd vergelijkt hij zich met de aardwormen. Wat een mooie manier om leven en dood, goed en kwaad te accepteren.

Het kan haast niet anders dan dat Pascal hierbij dacht aan Psalm 8, de mens die bijna goddelijk  gemaakt is en die onderdeel is van de schepping, het werk van Gods handen. Schapen, runderen, vogels, vissen en zelfs het kruipend gedierte.

Pascal was een onderzoekend mens, hij keek naar de sterren, de onmetelijke grootheid van het heelal, hij onderzocht ook de mens, hoe zitten wij mensen in elkaar, wat drijft ons?

In zijn gedachten die hij ook heeft opgeschreven kwam hij steeds weer tot de conclusie dat de mens God nodig heeft. De mens kent grandeur en misere,  glorie en nietigheid.

Als je naar de sterren kijkt, wat is dan de mens zegt Psalm 8, wat stel je eigenlijk voor. Pascal vond die oneindige ruimte ook beangstigend als hij tot zich door liet dringen hoe groot het heelal is. Heel bedreigend is dat.

Wat is de mens, een broodkruimel op de rok van het universum schreef een andere dichter eens.

Wat is die enkele mens, het mensenkind, aan zichzelf overgeleverd, als je daar aan denkt, word je overspoeld door gevoelens van zinloosheid, triestigheid, wellicht extra in deze lockdown, waar we bijna allemaal een beetje depressief van worden.

Wat is de mens. Dat blijft een vraag, maar die vraag wordt wel aangevuld waardoor die mens toch niet helemaal alleen op de wereld is. Wat is de mens dat U aan haar denkt, het mensenkind dat U naar hem omziet.

Dankzij het geloof dat je als mens in Gods plannen voortkomt, dat de Heer naar je omziet, kun je toch spreken van menselijke eer en glorie, want zo heeft de Schepper je gemaakt, bijna goddelijk, om te heersen over het werk van zijn handen. De statenvertaling zegt hier ‘weinig minder dan de engelen’

Nu zou je kunnen zeggen, nu maak jejezelf toch iets te belangrijk, door te beweren dat God de mens zo hoog heeft zitten. Is het niet levensgevaarlijk om de mens baas te laten zijn. Hebben we daar niet heel veel ellende aan te wijten, zeker als die mensen onderling ook de baas willen spelen.

Nu daar had Pascal ook wel over nagedacht, daarom rekent hij eerst af met de menselijke hoogmoed,verwaandheid en arrogantie. Als je God leert kennen dan blijft er weinig over van je eigenwaan en zelfoverschatting.

Want de mens is bijna goddelijk gemaakt, maar niet helemaal…hij is niet de baas, heersen over de schepping betekent dus zorg dragen voor, verantwoordelijk zijn, bewerken en bewaren,  een goede en trouwe beheerder zijn.

En vooral legt de mens zijn hoogmoedigheid af als hij ziet hoe God zich laat kennen, daar zat voor Pascal de crux en ik denk dat hij dat goed gezien heeft. Want de Schepper van dat immense heelal verschijnt in een mens die afdaalt. Die de zonden van de wereld op zich neemt door zich te laten dopen in de Jordaan net als heel het volk.  Met het zelfde sop overgoten als wij.

Als God zo nederig is, hoe zou je als mens dan nog hoogmoedig zijn, je verheffen, je verheven voelen. God verenigt zich met de mens, niet omdat wij mensen het zo geweldig goed doen, integendeel, maar omdat de Heer van hemel en aarde zich naar ons toebuigt.

Dat is wat er gebeurt bij de Jordaan, als Jezus zich laat dopen tot vergeving van zonden, als de geest afdaalt en op hem landt als een duif, als er een stem klinkt. Dit is mijn zoon, de geliefde, in  hem vind ik vreugde

Daar opent Marcus dus mee, met deze vreugde, en hij noemt zijn verhaal dan ook evangelie van Jezus Christus, de Zoon van God, een goed en blij bericht. Misschien dat we dan al iets minder depri worden, als de hemel zich verheugt over deze mens, als dit goede bericht tot je komt.

En wat gebeurt er vervolgens, als die stem uit de hemel heeft geklonken, wat doet de geest die op Jezus is neergedaald, die drijft hem de woestijn in. En daar wordt hij  verzocht door de satan en daar is Jezus bij de wilde dieren en de engelen dienen hem. 40 dagen lang, het getal veertig waar het woord quarantaine vandaan komt, 40 dagen in afzondering.

 Bij Matteus en Lucas wordt de geschiedenis van de verzoekingen uitgebreider verteld, Marcus vat die 40 dagen kort en krachtig samen, hij was bij de wilde dieren en de engelen dienden hem.

40 dagen eenzaamheid, wat mensen betreft, maar dus wel dieren om hem heen en engelen die hem dienen

Heeft Marcus daarbij ook aan psalm 8 gedacht? waar de mens  bij de dieren is en bijna goddelijk, engelachtig gemaakt, en waar ook het verzet, de tegenstand van de vijand, de satan kun je zeggen gebroken wordt.

Dat verblijf van Jezus in de woestijn, zijn quarantaine,  wat zegt dat over mijn eigen mens zijn?

Dat Jezus bij de wilde dieren is wil zeggen dat je als mens bij de schepping hoort, dat de menselijke soort bij het dierenrijk  hoort is op zich dus niet een onbijbelse gedachte, dat de  mens biologisch, evolutionair afstamt van de apen gaat niet in tegen het christelijk geloof. dat de mens volgens Genesis 1 als laatste wordt geschapen past daar zelfs in, 

De schrijver Multatule schreef in de 19e eeuw een dialoog tussen een tante en haar neefje. Het neefje vraagt, tante, weet u wat u bent. Ja jongen, ik ben nederlands hervormd, Nee tante, u bent een zoogdier.

Tante niet blij, en intuïtief horen we dat nog steeds niet graag. Maar je hoort als mens bij de schepping, je bent onderdeel van de aardse werkelijkheid, vatbaar voor virussen, natuurlijke neigingen, dierlijke driften. Dat de mens niet altijd even engelachtig is hebben we van de week in Amerika duidelijk gezien, maar daar hoef je je niet over te verbazen, als duizenden boze burgers nog eens extra worden opgehitst, dan heb je een goede kans dat het uit de hand loopt. 

Pascal die zei daarover: Als christen voel je je niet te goed om jezelf zelfs met aardwormen te vergelijken. Daarin zat voor hem iets van  ‘stof ben je, tot stof zul je wederkeren’.  En hij leefde in de eeuw dat de microscoop werd ontdekt, de mens ging zich verdiepen in microscopisch kleine wezens.

Als overtuigd gelovige stond hij daar voor open, om te onderzoeken hoe je als mens biologisch, medisch in elkaar zit.. Dat wij nu kunnen vaccineren is te danken aan een visie die uit de Bijbel komt, namelijk dat de mens bij de schepping hoort. De tegenstelling tussen geloof en wetenschappelijk onderzoek bestaat dus niet, ze sluiten elkaar niet uit, maar op elkaar aan.

Dat allemaal naar aanleiding van dat opmerkelijke zinnetje bij Marcus, dat Jezus bij de wilde dieren was, maar daar volgt dan op, want je bent als mens niet alleen maar een dier, er staat: de engelen dienden hem.

Pascal zegt daarover dus: “Met hoeweinig hoogmoed ben je als christen verenigd met God.” Verenigd met God, niet omdat u en ik het zo goed doen, maar omdat God zich naar ons toe heeft gebogen en ons zijn Zoon en Geest heeft gegeven.

Psalm 8 is tenslotte een loflied niet op de mens, maar op God, hoe heerlijk is uw naam op heel de aarde, daar begint en eindigt het mee, daartussen gaat het dus over je als mens allemaal in je mars hebt, wat je kan bereiken, beheersen, bedenken.

Bijna goddelijk gemaakt, engelachtig, en engelachtig ben je dus als je gaat dienen, dat begint met de lofzang op God, het meedoen met de liturgie, in de kerk, thuis, Gods heerlijkheid is in heel de schepping aanwezig,

Ik maakte een wandeling in het bos en ik zag goudhaantjes, dat zijn de kleinste zangvogels die we in Nederland hebben, het was stil, ik stond daar en ze vlogen niet weg, in dat kleine wezentje zie je dan Gods grootheid.

Vind daar vreugde in, wees daar dankbaar voor, als je God daarvoor prijst, dan helpt dat ook om jezelf en je medemens en de natuur als Gods schepselen te zien.

De mens is bijna goddelijk gemaakt, dat heeft met je roeping te maken, het doel van je leven, en in het geloof is dat niet zoveel mogelijk eruit halen, je bucketlist afvinken, maar dienen. Zo te leven op jouw terrein, het stukje schepping dat aan jou is toevertrouwt, dat Gods aanwezigheid in deze wereld te voren komt.

Lof zij Christus in eeuwigheid. Amen