Open je ogen

Rembrandt, de doop van de kamerling, Catharijneconvent Utrecht, bron: Statenvertaling.net

‘Verstaat gij wat gij leest?’, vraagt Filippus aan de Ethiopische diplomaat die in zijn reiswagen de profeet Jesaja aan het lezen is. (Handelingen 8).

Dit voorjaar werd er in Nederland bijna huis aan huis een brochure verspreid met de titel ‘eye-opener’, een eenmansactie van een evangelist die er van overtuigd is dat de Bijbelse profetieën in onze tijd uitkomen. Toevallig was er op ons adres niet een bezorgd, maar een gemeentelid was zo vriendelijk haar exemplaar aan mij te geven.

Waarom denk ik dat zo’n brochure deels de plank misslaat? Dat heeft volgens mij met het onderscheid te maken tussen uitleg en toepassing. Dit is een principe dat in de christelijke traditie en zeker in de protestantse kerken altijd is gevolgd.

Als je de profetieën in de Bijbel leest, zowel Oude als Nieuwe Testament, dan merk je dat de profeten en apostelen geïnspireerd waren om voor hun eigen tijd geloofsgetuigen te zijn. Zij verkondigen wat zij van Godswege hebben meegekregen en wat de Geest hen ingeeft. Daarom is het Gods woord en tegelijkertijd zijn het menselijke verwoordingen van dienaren die beperkt zijn door de omstandigheden waar ze zelf in leefden. Ze konden niet over hun eigen horizon heenkijken.

Als ik wil verstaan wat ik lees, dan moet ik begrijpen dat iemand als Jesaja profeteert over de situatie waarin hijzelf verkeerde. Maar dat is gelukkig niet het enige. We mogen deze getuigenissen vervolgens ook toepassen op onze eigen situatie. Je maakt een vertaalslag. Daar heb je verbeeldingskracht en luistervaardigheid voor nodig, gebed en geloof. En wat daarbij helpt is een preek die de tekst uitlegt én actueel maakt, een Bijbelkring of een cursus theologische vorming voor geïnteresseerden. En met het bewustzijn van Black Lives Matter lezen we het schilderij van Rembrandt met nieuwe ogen.

Dus als iemand zegt dat we in 2021 in een bevoorrechte situatie verkeren omdat de Bijbelse profetieën precies in onze generatie bezig zijn uit te komen, dan denk ik persoonlijk dat je deze teksten verkeerd uitlegt. Als iemand echter  laat zien dat Gods woord van ons vraagt om het op onze tijd toe te passen, omdat God ook nu werkt en ons meeneemt door zijn Geest, dan worden je ogen geopend.

meditatie kerkblad juni 2021

Pinksteren en de laatste dagen

Giotto, de uitstorting van de Heilige Geest, Arenakapel, Padua (bron afbeelding statenvertaling.net)

Pinksterpreek bij Handelingen 2:14-24

7 weken na Pasen, op de 50e dag vanaf het Joodse Pesachfeest geteld, wordt Pinksteren gevierd.  Pinksteren betekent 50, vandaar. Het heet in het Jodendom het wekenfeest, vanwege die 7 weken, het is  het feest  der eerstelingen, In Israël het begin van de tarwe-oogst. En terwijl Pesach het feest van de uittocht is uit Egypte, viert Pinksteren de gave van de wet. Dat het volk in de woestijn bij de berg Sinaï van God de geboden had ontvangen en beloofde zich daar aan te houden. Het feest  van het verbond, God verbindt zich met zijn volk.

Het Bijbelboek Handelingen vertelt hoe het aan het begin van onze jaartelling in Jeruzalem een multicultureel feest is rondom de tempel. Joden uit alle windstreken zijn er  samen gekomen om dit gedenken, het is een evenement met een sterk idee, een ideaal van verbroedering en verbondenheid. Vergelijk  het met  euro-songfestival in Ahoy.

En daar op straat in Jeruzalem horen al die gasten iets waar ze van opkijken, iets aparts en toch vertrouwd, want ze horen hun eigen taal. Als je in het buitenland bent en je hoort op het terrasje naast je mensen in het Nederlands praten, dan spits je je oren, je vangt iets op wat je thuis kunt brengen en je luistert mee.

En wat horen ze in hun eigen taal en tongval? Het zijn vreemd genoeg geen landgenoten, maar Galileërs die zich laten horen. Apostelen, volgelingen van Jezus, die ze de Christus, messias noemen. En een van die mannen stapt naar voren, als woordvoerder, het is Petrus, hij houdt een toespraak, geïnspireerd, emotioneel en indrukwekkend.  Een preek over de profeet Joël.

Is het een donderpreek? Het is een stormachtig betoog met dreiging van donkere wolken, ja het dondert, het bliksemt en het stormt  en toch of eigenlijk daardoor wordt de lucht geklaard.

Je  merkt dat het voor Petrus een moment van ontlading is, eindelijk kan hij zich uiten en een deel van het publiek wordt er door gegrepen, geraakt, ze  nemen het ter harte. Hij spreekt hun taal.

Het opmerkelijke is echter dat de tijdsaanduiding ‘in het laatste der dagen’/ ‘aan het einde der tijden (Nieuwe Bijbelvertaling)  waarmee de profetie wordt ingeleid niet van Joël is. Die komt uit het beroemde vredesvisioen van Jesaja en Micha over zwaarden die omgesmeed worden tot ploegen en speren tot snoeimessen.

Petrus verbindt dus volgens een beproefde rabbijnse uitlegmethode de revolutionaire tekst van Joël die deels een dreigend karakter heeft met de belofte van niets minder dan wereldvrede die Jesaja voor zich ziet: de volken zullen niet  langer leren wat oorlog is.

Het laatste der dagen,  het einde der tijden, dat is in de Bijbel geen aanduiding voor het einde van de wereld, maar de belofte van een nieuwe begin, een nieuw verbond. Een visioen van vrede en gerechtigheid landt in de realiteit.  Het zal zijn in het laatste der dagen

Petrus ziet dat tijdens het Pinksterfeest gebeuren, dat de profetie van Joël in vervulling komt:  het is nu gaande. Opvallend dat deze oude tekst zo inclusief is. Zonen en dochters worden genoemd,  jongeren en ouderen, dienaren en dienaressen. Allemaal, vrouwen en mannen, jong en oud, worden ze geraakt door het verhaal van Jezus. Het gaat nu in hen leven.

God stort zijn hart uit, zodoende komt de missie van de God van Israël op gang. Naar alle richtingen. Zie ik zal mijn geest uitstorten op al wat leeft.

‘Op alle vlees’ staat er in de oude vertaling, dat wordt in het Nieuwe Testament ook ove Jezus gezegd, dat hij ‘in het vlees’ gekomen is. Dat hij dit aardse bestaan, dit leven met zijn ups en down, lusten en lasten aanvaard heeft en gedragen heeft.

Afgedaald is in onze realiteit, in je strijd met een depressie of verslaving. In de stille armoede en de schuldsanering. Ook in het slepende conflict tussen Israël en de Palestijnen en alle andere burenruzies.

Zijn geest wordt nu uitgestort op alle vlees, op als wat leeft, op het aardse. Dus die Geest van Jezus zoekt de lijdende schepping op, zucht mee in de ziekenhuizen, gaat wonen in de probleemwijken en vluchtelingenkampen. Land waar de aarde woest en ledig is.

Maar eerst dus in Jeruzalem en er zit in dat uitgieten van Gods Geest dus iets van spanning. Het is geen fluwelen revolutie, maar een spannend gebeuren, er was onrust, net als deze Pinksterdagen trouwens, veel volk op de been. De komst van de Geest ging met een harde stormwind en een donderend geraas gepaard. Je wordt wel even weggeblazen, het brengt je van je stuk. Toen ik eerder dit weekend een rondje ging fietsen door de polder, waaide ik bijna van de dijk. Dat gevoel.

En dan nog die donderpreek van Petrus, er staat dat de mensen er kapot van waren. Hij stapt naar voren en zegt (inclusief) tot allen: “jullie hebben toch gehoord van Jezus van Nazareth, die door de Romeinen gekruisigd is, jullie hebben dat  laten gebeuren, en jullie dachten misschien, ‘ja zo gaat dat nu eenmaal’, maar God heeft het er niet bij laten zitten, hij heeft hem opgewekt.”

Dat komt aan. Je dacht naar eer en geweten gehandeld te hebben en nu word je toch verantwoordelijk gehouden, je dacht het intern te hebben te hebben opgelost en nu ligt het toch op straat.

Dat is wat de Heilige Geest doet, een rechtvaardig oordeel vellen, de waarheid boven tafel krijgen, de slachtoffers van de geschiedenis een stem geven. Daarom gaat het er stormachtig aan toe.

En vandaar een donderpreek, maar het is geen bangmakerij. De Johannesbrief zegt: ‘daarom kunnen we op de dag van het oordeel vol vertrouwen zijn’. Je mag vrijmoedigheid hebben, dat woord gebruikt Petrus hier. Juist in het oordeel, omdat het Jezus het oordeel heeft gedragen. Juist als het spannend wordt, als die beelden van de profeet Joël van bloed en vuur en rook zich aan je opdringen, dan is er de belofte van dat nieuwe verbond, dat God zijn vredesproces niet opgeeft.

Na het nieuws van de laatste dagen is het mijn gebed dat het ook nu weer Pinksteren mag worden in Jeruzalem en omstreken.

Tranenbrood

Pieter de Witte, het Laatste Avondmaal, ca. 1590, bron: Statenvertaling.net

Preek op Witte Donderdag bij Deuteronomium 16:1-8 en Marcus 14:17-25

‘Het is het tranenbrood dat  u zolang u leeft, zal herinneren aan de dag waarop u wegtrok uit Egypte’ (Deut. 16.3) ‘Ze werden bedroefd’ (Marcus 14:19)

‘En zij werden bedroefd’, de discipelen beginnen te huilen als Jezus hen aanspreekt tijdens de Pesachmaaltijd die ze met elkaar vieren volgens het gebod dat God aan het volk Israël gegeven heeft om de Exodus, de uittocht uit Egypte te gedenken.

Wanneer doen ze dat?  op de vooravond van het feest van de ongezuurde broden, als het Paaslam (het Pascha) geslacht is, bij volle maan in de maand Abib, oftewel de korenaar-maand, als in Israël het vroege graan begint te rijpen.

Waar zijn ze, in Jeruzalem? in de Tora aangeduid  als ‘de plaats’, de plaats waar de Heer zijn Naam (Ik-Zal-Er-Zijn) laat wonen, daarom was Pasen een pelgrimsfeest en gingen de Israëlieten dan naar die plaats, Jeruzalem.

De opdracht is om Pesach te vieren alsof je de verlossing uit Egypte  zelf hebt meegemaakt: ‘”Niet alleen onze voorouders, wij zelf zijn toen bevrijd.” Ook wij moesten in Egypte het slavenwerk doen en in de woestijn voetbalstadions vestingsteden bouwen.

En daarom eten Joden, toen en nu,  7 dagen lang die matses, ongegist brood dat in Deuteronomium brood van de verdrukking wordt genoemd, brood van de ellende, in onze vertaling: tranenbrood.

Brood om je te binnen te brengen dat je in Egypte in de ellende zat, in de misère en dat de Heer je daaruit heeft gehaald, je bent er uit gekomen.

 Waarom is dat brood ook al weer ongegist? Nou, toen ze op de avond van de uittocht halsoverkop ontsnapten moesten ze eten meenemen. Ze hadden dus geen tijd om het deeg te laten rijzen en rusten, het moest snel, als de wiedeweerga, worden klaargemaakt.

Het is deze avond dus, aan het begin van het feest van het tranenbrood. Jezus heeft er naar uitgekeken om dit met zijn leerlingen te vieren, hij heeft het ondanks alle perikelen zo gepland dat hij deze maaltijd met zijn leerlingen kan houden, dat het door kan gaan, ongestoord. Het wordt zijn laatste avondmaal, hij weet het.

De matses worden dus brood van ellende, tranenbrood genoemd. En tranenbrood is het voor Jezus en zijn leerlingen. Door emoties bevangen. Tot tranen geroerd.

Waarom zijn ze zo verdrietig. Omdat Jezus zegt,:1 van jullie zal mij verraden, overleveren. Het gevaar komt niet van de romeinen of de hogepriesters of de farizeeën of de menigte, maar van dichtbij zegt Jezus, 1 van jullie 12 zal het zijn, zal het doen.

Grote consternatie, allemaal schieten ze in de ontkenning: ‘ik toch niet Heer?’ Ja, je zou er maar op aangekeken worden, je zou er maar van verdacht worden dat jij dit hebt bedacht. 1 van jullie wil van me af: Jezus van Nazareth, functie elders.

Ik toch niet Heer. Jezus stelt zijn leerlingen niet gerust; De mensenzoon (de messias) gaat heen, zal sterven. Jullie gaan dat niet voorkomen, jullie gaan me hier niet uit redden. En 1 van jullie heeft het op zijn geweten, ‘voor die mens was het beter als hij niet geboren was’, staat er. Woorden die door merg en been gaan.

Het wordt Judas wel degelijk aangerekend, maar het houdt iets raadselachtigs, zijn fatale daad van verraad is meer dan een mens dragen kan. Het Marcusevangelie laat trouwens open hoe het met Judas afliep, Matteus vertelt bijvoorbeeld wel over zijn noodlottige einde, maar Marcus laat het in het midden.

Jezus wijst hem hier niet als schuldige aan, maar legt het in de groep, 1 van jullie zal mij verraden.

Jezus legt het ook hier in ons midden op tafel als wij zijn maaltijd houden en dan heb ik ook de neiging om te ontkennen: ‘ik toch niet Heer, laat mij er buiten. Ik was het niet, ik ben geen heilige, oke, maar voor eigen gewin iemand verraden, dat toch niet…’

Verraden? Er staat ‘overleveren’, Jezus wordt in het lijdensevangelie telkens overgeleverd: door Judas aan de hogepriesters, door de hogepriesters aan Pilatus, door Pilatus aan zijn soldaten die hem kruisigen. Ze willen allemaal van Jezus af, functie elders, maar niemand steekt zijn vinger op: ik ben het Heer.

Jezus zegt, het is 1 van de 12 die met mij het brood in de schotel indoopt, ja dat hoort bij deze avond, bij de Pesachmaaltijd, dat je die harde matse in een kommetje water doopt, water waar zout aan toegevoegd is, voor de smaak, ja, om te denken aan het bloed, het zweet, de tranen die in Egypte zijn vergoten: tranenbrood, brood van ellende.

Ja dat doen ze allemaal en wij nemen ook van het tranenbrood als wij de maaltijd van Jezus vieren op deze Witte Donderdag, daarmee belijden we onze schuld, want ook wij waren er bij en we lieten Jezus in de steek. ‘Jullie zullen me allemaal laten vallen.

En we nemen het tranenbrood met diepe dankbaarheid, omdat het Pasen wordt en ook wij worden bevrijd, we gaan het meemaken: ‘wat met tranen is gezaaid, wordt met gejuich gemaaid’, je wordt herboren. En dat zet volgens mij zelfs die uitspraak over de mens die beter niet geboren had kunnen zijn in een nieuw licht.

Want Jezus zegt tot alle 12 als hij het brood breekt: ‘neem, dit is mijn lichaam’ en hij zegent de wijn, ‘dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt’.

Dank u Heer, Geprezen zij de Naam, lof zij Christus in eeuwigheid. Amen

De wijsheid van een Kind

Hans Memling, Maria en kind, ca. 1479, bron metmuseum.org

Er is veel behoefte aan wijsheid in deze tijd. De wijsheid van deskundigen die ons een weg wijzen door de coronaperikelen. De wijsheid van bestuurders die maatregelen moeten nemen . De wijsheid van het personeel in verpleeginstellingen en ziekenhuizen die menselijke nabijheid en verstandig beleid moeten zien te combineren.

Bij wijsheid denken we al snel aan een oude vrouw of man, want verstand, zo wordt er gezegd, komt met de jaren en ik ben altijd weer onder de indruk van wat ik kan leren van de generaties voor mij.

Maar het bijbelboek Spreuken vergelijkt de wijsheid niet met een oude van dagen, maar met een kind. Een kind dat speelt voor Gods aangezicht. Al voordat de schepping begon…

30was Ik bij Hem, Zijn Lievelingskind,
Ik was dag aan dag  Zijn bron van blijdschap,
te allen tijde spelend voor Zijn aangezicht,
31al spelend in de wereld van Zijn aardrijk.
Mijn bron van blijdschap vond Ik bij de mensenkinderen. (Spreuken 8:30-31, HSV)

Van oudsher heeft de kerk dit gedeelte uit het Oude Testament gelezen en uitgelegd als een messiaanse tekst. In deze goddelijke wijsheid die als spelend kind altijd al bij God was, herkende men namelijk Jezus, Gods zoon die in Bethehem geboren wordt, liggende in de kribbe.

Denk bijvoorbeeld aan het bekende Kerstlied ‘kom verwondert u hier mensen’ met de prachtige regels: Zie hoe ligt hij hier in lijden/ zonder teken van verstand/ die de hemel moet verblijden/ die de kroon der wijsheid spant.

Wie had dit kunnen bedenken? Het is Gods wijsheid dat  dit pasgeboren kindje de uitvoerder is van het oorspronkelijke plan van de Allerhoogste om God met ons te zijn.

In de latijnse liturgie van de week voor Kerst klinkt er in het avondgebed steeds een antifoon (antwoordvers) bij de lofzang van Maria, waarin Christus wordt gebeden ter wereld te komen. De eerste van 7 aanspreektitels waarmee de komst van Christus wordt ingeleid is ‘Wijsheid’. Merk op dat deze wijsheid niets met opleidingsniveau te maken heeft, maar alles met mildheid en kracht.

O wijsheid, voortgekomen uit de mond van de Allerhoogste 
Gij omspant de wereld van het ene einde tot het andere 
Gij doordringt alle dingen met mildheid en kracht 
Kom nu en leer ons de wegen van wijsheid en inzicht.

De Duitse schrijfster Esther Maria Magnis die een boek heeft geschreven over de o-antifonen zegt: “De wijsheid die uit Gods mond voortkwam, die wij aanroepen in deze donkere dagen is jong, veel jonger dan wij zelf.”

Het spelen van een kind is een bron van inzicht, opvoeders en leraren kunnen daarover meepraten. De concentratie en aandacht waarmee een peuter of kleuter opgaat in zijn spel  is een ontroerend gezicht.

 Een van onze kinderen maakte graag muziek met zelfbedachte instrumenten en  we dachten er toen wijs aan te doen om een speelgoedgitaar voor hem te kopen, maar daar had hij totaal geen belangstelling voor. Het plezier zat juist in de fantasie om van niets iets te maken.

God  verliest zichzelf door spelenderwijs in ons midden te zijn. Uit niets weet de Schepper iets nieuws te maken.

Deze speelse en creatieve wijsheid wens ik je van harte toe voor het nieuwe jaar.

De gewonde levensboom #geendorhout

Olijfgaard, Vincent van Gogh, beeld: Kröller-Muller

Deze week was het 100 jaar geleden dat de dichter Willem Barnard werd geboren en 10 jaar geleden overleed hij. Toen er eens een buste van hem gebeeldhouwd werd, sprak hij over zijn eigen beeltenis als een sukkel op een sokkel.

Deze zondag lezen we in de kerk over de olijfboom uit Romeinen 11, Paulus schrijft daar over wortels en takken die worden afgebroken en weer vastgehecht. Zonder de liederen van Willem Barnard zou het vast een houterige preek geworden zijn. Een dorre boel.

Maar dankzij 2 gezangen over de levensboom die me te binnen schoten, allebei bleken ze dus van Barnard, ging de inspiratie toch stromen. Ten eerste lied 547: Met de boom des levens/ wegend op zijn rug, droeg de Here Jezus/ Gode goede vrucht.

En lied 841: Wat zijn de goede vruchten/ die groeien aan de Geest…  We zingen ook het derde couplet dat streng is en het geloof op scherp zet, maar in het vierde vers komt er weer leven in het dorre hout.

Daar gaat het over enten, een techniek die boomkwekers nog steeds gebruiken en die Paulus als beeldspraak gebruikt om aan te duiden dat de christenen die hij aanspreekt van nature niet tot de messiaanse stam behoren, maar daar vanwege Gods goedheid aan vastgehecht zijn .

Dat het kruis van Christus een bloeiende levensboom wordt, kom je vaak tegen in middeleeuwse kunst. Bijvoorbeeld in de dom van de Noordduitse stad Lübeck,  die ik deze vakantie bezocht.  Het kruis met de lijdende Heer is omgeven door organisch houtsnijwerk met takken die uitlopen in de figuren van profeten en apostelen. Het is de verdienste van Barnard dat hij deze geloofsverbanden die we door de beeldenstorm kwijt waren geraakt, terug heeft gebracht in ons protestantisme.

Triomfkruis in de dom van Lübeck, 1477

Wat ik ook nog ontdekte is dat de inkepingen waar de te enten takken in worden gestoken in de fruitteelt ‘wonden’ worden genoemd. En dat zijn het ook, de boom wordt verwond om de aangroei van andere takken mogelijk te maken. Zo ga ik de verering van de wonden van Christus, die ik altijd wat apart vond beter begrijpen. Doordat de messias zich liet verwonden, mag ik mij hechten aan de levensboom. #geendorhout.

interreligieuze dialoog

Hans Memling, reliekschijn heilige Ursula (1482-1489), Hospitaalmuseum Brugge, foto lucasweb.be

‘Ik bedoel dat er niet zoveel verschil is tussen jou en mij. Dat bekeren is helemaal niet nodig. ‘‘Wij bidden ook, we vasten, we doen aan liefdadigheid. Laat me liever gewoon christen blijven.’ ‘Je weet pas wat je mist als je het ware geloof leert kennen. Vertrouw me maar.’.. ‘We doen zo ons best om elkaar te overtuigen dat je bijna zou vergeten dat het daar helemaal niet om gaat.’ ‘O nee, waarom gaat het dan wel?’’Om de liefde mijn ziel.’ Zo praten de christelijke Jacomien en de islamitische Mohammed met elkaar in de roman ‘Turkenliefje’ van Lydia Rood. Zij heeft haar boek gebaseerd op historische documenten uit de 17e eeuw, maar ik vraag me sterk af of er in de Gouden Eeuw mannen en vrouwen waren die zo dachten. In haar vertelling overwint de liefde de verschillen in godsdienst, zie bovenstaand citaat dat vooral heel postmodern en cultuurrelativistisch aandoet. Als Vondel als 17e-eeuwer zo’n dialoog al voor mogelijk hield, dan kiest hij voor een heel andere dramatiek. Voor hem lag de waarheid niet in het midden en was religie geen bijzaak.

In Vondels toneelstuk ‘Maegden’ is het de heilige Ursula, die bijgestaan door maar liefst 11.000 andere maagden, buitgemaakt wordt door de heidense vorst Atilla (de Hun). Atilla wil haar tot zijn vrouw maken. Zijn priester Beremond wijst hem erop dat zij dan haar christelijk geloof moet afzweren:

O onverwinbre Vorst, bedenck eens wie ghy zyt,

Wat Ampt ghy nu bekleed, noch laat ons dit verwyt

Niet snyden in het hart, dat Attila aan ’t suffen,

Zich van een Christe non in ’t bedde laat verbluffen. (537-540)

Dat is Ursula niet van plan. Natuurlijk is Vondel op haar hand. Naar eigen zeggen wilde hij zijn geboortestad Keulen, de plaats waar het stuk zich afspeelt, eren met deze tragedie, het is ook een van zijn eerste werken waarin hij duidelijk zijn liefde voor de rooms-katholieke moederkerk en haar heiligen belijdt.

Dat er voor Vondel zelf ook wat op het spel stond, blijkt uit het vuur waarmee Ursula haar geloof verdedigt in een interreligieuze dialoog, waarin ook het standpunt van haar tegenspeler overtuigend wordt neergezet. Zo houdt Vondel de spanning er in.

Ursul: ‘Wy roemen eenen God, die alles heeft gebouwt.

Beremond: Dien blooden, dooden God, gehecht aan ’t schendigh hout?

Ursul: Dien oock, die alle maght door ’t sterven heeft verworven.

Beremond: Den Scythen Goôn zijn nooit begraven, noch gestorven. (565-568)

Regieaanwijzingen voor de liefde

Gerard van Honthorst, portret van stadhouder Willem II en Maria Stuart (1647)

De Gouden Eeuw mag dan als term in ongenade gevallen zijn, in de boekhandel lijkt dit tijdvak populairder ooit. Over deze periode verschijnt de ene naar de andere historische roman. Al eerder noemde  ik in een blog  de  ‘De Advocaat’ van Nicolaas Matsier, over het proces tegen Johan van Oldenbarnevelt, dat  Vondel bracht tot het schrijven van Palamedes, zijn creatieve doorbraak. Jean-Marc vanTol publiceerde Musch (2018), dat speelt in 1650, het jaar dat stadhouder Willem II zijn aanslag op Amsterdam pleegde, aan de hand van correspondentie van Johan de Witt en anderen.

Van Simone van der Vlugt las ik  ‘wij zijn de Bickers’ (2019), over een Amsterdamse regentenfamilie. Ook dit jaar verscheen van Lydia Rood het eveneens op archiefonderzoek gebaseerde boek ‘Turkenliefje’ over de Schiedamse vrouw Jacomijn Stout, die als jong meisje met haar ouders en broertje naar Suriname emigreert, maar het schip wordt gekaapt door piraten en ze worden op de slavenmarkt van Algiers verkocht. Ze raakt verliefd op de onderkapitein Mohamed, maar dan wordt het gezin vrijgekocht door de remonstrantse diakonie en keert het gezin terug naar Schiedam. Jaren later ontvangt Jacomien een brief van haar geliefde met een hernieuwd huwelijksaanzoek.

De verteller maakt van Jacomien een onafhankelijke en verlichte geest, zodat hun relatie veel weg krijgt van een mediterrane vakantieliefde. Deze romance wordt afgezet tegen het kille klimaat in Schiedam, waar de kerk streng is en de poëzie belerend. Thuis hangen er wandtegeltjes met suffe dichtregels van Jacob Cats, waarin de vrouw haar plaats moest kennenn. De verteller had er echter ook voor kunnen kiezen om het interieur te sieren met gedichten van tijdgenoot Vondel, die weliswaar rolbevestigend, maar toch ook speels, ‘met verrukking en tederheid’  (zo het huwelijksformulier in het dienstboek) over de eros  schreef. Zie bijvoorbeeld zijn beschrijving van de aardse liefde in het paradijs.https://eenwonderlijkbestaan.blog/2019/05/18/een-wonderlijk-bestaen/

Vondel stelt zich levendig voor hoe de raadspensionaris Johan de Wit door zijn vrouw  gesteund zal worden in zijn politieke werk.

Wanneer myn wachter zit beschanst in zijn papieren

Of worstelt in den Raet, en nacht en dag van stieren (besturen, FdR)

Vermoeit wort, kan een vrouw door vriendelyk onthael

Verquicken ’s mans gemoet…

Deze regels komen uit een gelegenheidsgedicht. Simone van der Vlugt verwijst er naar in haar boek, aangezien Johan de Witt trouwde met een dochter uit het geslacht Bicker, Wendela. Nogal eens werd Vondel door regentenfamilies gevraagd een vers te maken  om een bruiloft op te luisteren. Dat werd dan, neem ik aan, voorgedragen tijdens het feest ter vermaak van de aanwezigen. Vondel blijft toch vooral een toneeldichter, dus geeft hij in zijn gedicht voor Johan de Witt en Wendela Bicker ook wat regieaanwijzingen, waarbij hij kennelijk op de performatieve kracht van zijn taal vertrouwde om de bruid te laten blozen.

Zij zal hem afgeslaeft des middernachts verpoozen,

Daar ghy de ledekant bestroit met geur van roozen,

Die op haar kaeken reede ontluicken van de schaemt,

En ’t schaemroot, eene verf die zulck een Bruidt beteamt.

Adam in Ballingschap (vervolg)

Lucas Cranach de oudere, Adam en Eva, Kunsthistorisches Museum Wenen

Wanneer het mensenpaar geproefd heeft van de verboden vrucht, schamen ze zich voor hun ‘snoeplust’, het speelse woord dat Vondel voor de oerzonde gebruikt. Ze ontdekken ze dat ze naakt zijn en verstoppen zich. Lucifer verheugt zich over hun ongeluk, Adam en Eva hebben een stevige echtelijke ruzie. Een dialoog die Vondel met humor brengt, omdat de liefde en zorg die de echtgenoten voor elkaar koesteren er in doorklinkt.

Want ‘t lust me zonder uw genootschap niet te leven.

‘k ontken geenszins dat ik dit misdrijf heb gesteven.

Mijn snoeplust u vervoerde in deze droeven staat.

Zo laat ons t’samen dan de schuld van zulk een kwaad

Ook boeten, woud ge door de doodschuld mij behagen?

‘ k zal haar verdiende straf gewillig leren dragen. (1578-1583)

Dan verschijnt God op het toneel. Niet een deus ex machina die het plot opheft, maar een personage die het drama verhevigt door te vragen ‘ mens waar ben je?.’ Vondel heeft dit ingezien en noemt het scenario van de zondeval het ‘ treurspel der treurspelen’.

In Genesis 3 staat dat zij de stem van de Heere God hoorden, wandelende on den hof, aan den wind des daags.’ (Statenvertaling). In nieuwe vertalingen is sprake van ‘de koelte van de avondwind’, maar Vondel interpreteert het als een flinke storm:

Wat hoor ik daar? Een storm begint hier op te steken.

De donk’re en zwang’re lucht onstuimig uit te breken.

De bladers ruisen uit 4 hoeken heen en weer.

De bulderende wind smijt bos en bomen neer.

Hoe breng je in beeld dat God verschijnt? De Bijbel gebruikt antropomorfe taal, maar zo naïef als Lucas Cranach de zondeval schilderde (zie foto onder) zag Vondel het niet voor zich. Een moderne bewerking zou zich vermoedelijk bedienen van een voice over. Vondel gebruikt een andere truc. Hij laat een van de engelen, Uriël genaamd, de boodschap namens God overbrengen:

Wie openbaarde u toch dees naaktheid, al te naakt?

Heeft ook uw mond de vrucht der kennisse gesmaakt?

Beken de misdaad vrij, ontzie ze niet te noemen.

Verschoon uw schuld niet: want hier baat nu geen verbloemen.

Lucas Cranach de oudere, het Paradijs, Kunsthistorisches Museum Wenen

Adam in Ballingschap

Jan Breugel de Oude en Peter Paul Rubens, Adam en Eva in het paradijs, Mauritshuis.nl

“De voorstelling is een humoristisch en rauw theaterstuk waar mogelijk soms aanstootgevende tekst en ruw taalgebruik in zit.” Ik ben gewaarschuwd als ik tijdens het Zeeland Nazomerfestival de voorstelling ‘Wie is Bang’ bezoek, geschreven door de Vlaamse schrijver Tom Lanoye, uitgevoerd door de NT Gent. Voor een gemeenteraadslid van de SGP in Middelburg is het taalgebruik reden om tegen de uitvoering te protesteren, aldus een artikel in het Reformatorisch Dagblad.https://www.rd.nl/vandaag/binnenland/toneelstuk-met-vloeken-kwetst-zeeuw-1.1590156

Ik ben een liefhebber van de teksten van Tom Lanoye, hij is een meester van de polemiek, de tirades van de grofgebekte personages zijn creatief en vermakelijk. Tegen vloeken kan ik niet goed, maar niet iedere vloek is ijdel gebruik van Gods Naam. Een predikant heeft wel eens beargumenteerd dat er zoiets is als functioneel vloeken, al zal het SGP-raadslid er bij blijven dat een vloek ieder doel mist. Dat de voorstelling beledigend voor christenen zou zijn zoals in het RD-artikel wordt gesuggereerd, is echter niet aan de orde.

Hoort Adam nu vast vloeken, zingen de engelen, als de mens in Vondels toneelstuk ‘Adam in Ballingschap’ van de verboden vrucht heeft geplukt. Verder geen onvertogen woord in de tekst van Vondel, toch waren er 17e eeuwse staatkundig gereformeerden die aanstoot namen aan zijn toneelstukken. Voor hen zal het wat al te fantasierijk geweest zijn dat Vondel engelen aanwezig laat zijn tijdens de bruiloft van Adam en Eva in het paradijs en dat ze bovendien samen met mensenpaar een echte huwelijksdans inzetten.

Gunt uw gasten dat ze om strijd,

God en u ter ere, trippelen,

En rondom u hene hippelen.

Laat ons dus de bruiloftstijd

Vieren, want de feestgenoden

Voegt geen stilte, op ’t hoge feest,

Maar een dans , van God geboden. (861-867)

Galant is trouwens hoe Vondel in dit stuk over Adam en Eva in het paradijs de kwestie van het functionele naakt oplost. Blote acteurs zal Vondel niet overwogen hebben, maar juist in zijn toneelbewerkingen van Bijbelverhalen wilde hij realistisch zijn. Hij kleedt het mensenpaar in kleren van witte zijde, het kleed der gerechtigheid, maar wel zo dat door de zijde heen: De schoonheid van het lijf, uitschijnen kan en gloeien (109): Zo blijft hij trouw aan de Bijbeltekst waar staat dat zij beide naakt waren (Genesis 2.25) en weet hij met behoud van de goede zeden de zinnen te prikkelen.

Maria?

Voor de liturgie van de Rooms-Katholieke kerk heb ik grote achting. De toewijding waarmee daar de eucharistie wordt beleefd bezie ik als protestant met enige jaloezie. Ik kan het ook slecht hebben wanneer er geringschattend wordt gesproken over het rooms-kahtolicisme. Mijn oecumenische intenties hebben het echter moeilijk met de rol van Maria. Ook al is de katholieke leer helder dat zij geen goddelijke status heeft en dus niet aanbeden wordt. Ook al verdedigt de protestantse hoogleraar Bram van de Beek de voorspraak en bemiddeling van Maria omdat wij medegelovigen mogen vragen om voor ons te bidden, of ze nu in de hemel zijn of op de aarde. Voor de Mariavroomheid ben ik nog niet gewonnen, al doet Vondel nog zo zijn best: ’t Orakel, naar wiens stem het al moet horen/ dronk met die melk der kuise moeder in/ haar liefde die geworteld in zijn zin/ zijn hart nog raakt in ’t hoogste koor der koren. (uit ‘opdracht aan de Heilige Maagd’)

This image has an empty alt attribute; its file name is img_20190723_124017760952231340.jpg

In Limburg maak ik de vespers mee in een Benedictijnerklooster waarin traditiegetrouw de lofzang van Maria wordt gezongen (het Magnificat) en in een protestantse eredienst een paar kilometer verderop wordt een Marialied aangeheven, ik zing mee, nog niet geheel overtuigd, maar toch…

Niet alle afbeelding van Maria kunnen mij bekoren, maar ik raak onder de indruk van een Piëta in een aan ‘Onze-Lieve-Vrouwe’ gewijd kloosterkerkje in de Elzas. Niet ver daarvandaan, in Sarrebourg bezoek ik de voormalige Franciscaner kerk waarvoor de Marc Chagall een groot glas-in-loodraam ontwierp, getiteld la Paix (de Vrede). Centraal staat een veelkleurige boom des levens met daarin Adam en Eva als geliefden afgebeeld (zie bovenste foto). Daarom heen verschillende taferelen uit het Oude en Nieuwe Testament. Schitterend!

Helemaal onderaan het raam, bijna wegvallend in de blauwe achtergrond, zien we een vrouw met kind, wat ons meteen doet denken aan Maria met Jezus. Geen hemelkoningin, maar een Maria die zich dicht bij de wortels van de levensboom bevindt. Dat spreekt me aan. Hoe zei Vondel dat ook al weer? ‘Haar liefde die geworteld in zijn zijn zin, zijn (en mijn, FdR) hart nog raakt…’

This image has an empty alt attribute; its file name is img_20190805_201552736-139098598.jpg