God in Frankrijk

Wie op vakantie gaat in de Elzas, minder ver, deze zomer helaas niet veel minder warm dan de Côte d’Azur, merkt dat godsdienst hier zichtbaarder aanwezig is dan in de rest van Frankrijk. Dat heeft met pluriformiteit te maken, in veel plaatsen zie je zowel een protestantse als een katholieke kerk. Voor welk gebouw de vele ooievaars een voorkeur hebben vraagt om nader onderzoek.

Het heeft ook met wetgeving te maken. Dat komt omdat de Elzas nog Duits grondgebied was toen in de rest van Frankrijk de zogeheten Laicité werd ingevoerd. In de regionale krant vind je dan ook een kerkelijke opiniepagina en de dominee die op zondag een mooie dienst verzorgde, zie je op maandag in een ‘Jesus Marche’ door het stadje fietsen.

Het Jodendom heeft eveneens een lange geschiedenis in de Elzas. Veel plaatsen hebben een synagoge, helaas vaak niet meer in gebruik, de Joodse gemeenschap bevindt zich vooral in Straatsburg. De oorspronkelijke synagoge daar is echter in de oorlog door de Nazi’s verwoest. Onverdraaglijk dat er in Frankrijk recent opnieuw burgers zijn vermoord vanwege hun Jood zijn.

In het stadje Marmoutier bevindt zich behalve een monumentale abdijkerk ook een historisch museum dat gevestigd is in het huis waar voorheen de rabbijn van de joodse gemeenschap woonde. Om Soekot ( loofhutten) te kunnen vieren was er een balkon ingericht met een verstelbare overkapping. In het museum tref je een collectie met voorwerpen uit de synagoge en tekeningen van de 19e eeuwse kunstenaar Alphonse Levi, die het Joodse leven met humor en liefde portretteerde. Alleen zijn karikaturen zouden we nu niet meer onschuldig vinden.

Indrukwekkend is tenslotte de Mikwe, het rituele bad dat bewaard is gebleven. Het laat zien dat de christelijke doop van oorsprong een afdalen is geweest.

De Val

Landschap met de val van Icarus- naar Pieter Breughel de oudere (ca. 1590), wikipedia.org

Is’t Noodlot dat ik val, van eer en staat beroofd:

Laat vallen, als ik val, met deze kroon op ’t hoofd.

( )

Dat vallen strekt tot eer, en onverwelkbare lof

En liever de eerste vorst in enig lager hof

Dan in ’t zalig licht de tweede of nog minder

Zo troost ik mij de kans en vrees nu leed noch hinder.

(Lucifer 438-439, 442-445, hertaling FdR)

‘Laisse tomber’  zeggen de Fransen om duidelijk te maken dat ze ergens niet mee zitten.  Laat vallen, zegt de aartsengel Lucifer over zichzelf in het toneelstuk van Vondel. Hij komt in opstand tegen God, eigenlijk tegen de mens die door de Schepper boven de engelen wordt geplaatst en hij weet dat hij daardoor in ongenade zal vallen. ‘ Dat vallen strekt tot eer’ , zegt hij vooruitlopend op zijn tragiek, in Vondels  ironie klinkt echter mee dat zelfs deze val van Lucifer en zijn trawanten tot eer van God zal zijn.

Zondag lezen we in de kerk hoe Jezus de 72 leerlingen ontvangt die verheugd terugkeren omdat ze zelfs de demonen zich aan hen onderwerpen. (Grappig, in het toneelstuk Lucifer is dat precies wat de opstandige engelen vrezen, dat ze ondergeschikt worden gemaakt aans stervelingen.) Jezus spreekt dan van een visioen dat hij gehad heeft. ”Ik heb Satan als een lichtflits uit de hemel zien vallen.” (Lucas 10:18)

De val van Lucifer en de zijnen is bij Vondel een prequel,  speelt zich af voordat Adam en Eva in het paradijs van de verboden vrucht eten. Voor Jezus gebeurt dat in het heden, als demonische machten het onderspit delven. In de laatste regels van het toneelstuk preludeert Vondel op de komst van de messias:

Wij tellen d’eeuwen, en het jaar, ja dag en uur

dat uw gena verschijnt, de kwijnende natuur

herstelt, verheerlijkt in lichamen en zielen,

stofferende de troon, waar de engelen uit vielen.

(Lucifer 2180-2183, hertaling FdR)

God zoekt de mens

bron: http://www.grotekerknaarden.nl

In het gesprek dat hij in de Paasnacht met Nicodemus heeft, vergelijkt Christus zichzelf (of eigenlijk ‘de Mensenzoon’) met de koperen slang die in het boek Numeri door Mozes op een staak gezet werd. Wanneer de Israëlieten die door giftige slangen werden gebeten daarna keken bleven ze in leven: “De Mensenzoon moet hoog verheven worden, zoals Mozes in de woestijn de slang omhoog geheven heeft, opdat ieder die gelooft in hem eeuwig leven heeft. ” (Johannes 3:14-15). De kerk leest deze tekst op Zondag Trinitatis, een week na Pinksteren.

Vondel heeft deze typologie gebruikt in ‘Altaergeheimenissen’, zijn uitgebreide leerdicht, of is het een loflied, op de eucharistie.

En aen te zien dien lijder, dootsch en bang;

Die, voor elcx oogh gehange, kopre Slang,

Genezende d’aenbidders, onder ’t eten,

Van ‘t moortvergift der helsche slangenbeten; (II 541-544)

In de grote Kerk in Naarden is deze typologie verbeeld door tegenover de schildering van de koperen slang een schildering van de kruisiging te plaatsen (zie de afbeelding boven). Rondom het kruis zweven engelen die het bloed en het water opvangen die uit de wond in de zijde van Christus stromen, beeld van de sacramenten doop en avondmaal waar de kerk van leeft. Jezus zegt immers: ‘niemand kan het koninkrijk van God binnengaan,tenzij hij geboren wordt uit water en geest. ‘ Vondel vindt hier een onuitputtelijke bron van verwondering. Waar geen mens van nature bij kan, gebeurt omwille van de mens.

’t Gevleeschte Woort verandert dus zijn lijf,

Om ’s menschen wil: de mensch blijft even stijf

Verandert nog zijn schubben, noch zijn zinnen

Godt zoeckt den mensch, geen mensch zoeckt Godt te winnen.

(Altaergeheimenissen I 1431-1434)

Pinxterzang De wind in de zeilen

bron: http://www.grotekerknaarden.nl

De schilderingen op de gewelven in de grote kerk van Naarden vormen steeds een tweeluik, bij ieder heilsfeit hoort een nieuwtestamentische en een oudtestamentische voorstelling. Bij Pinksteren staat naast het verhaal van de uitstorting van de Heilige Geest volgens Handelingen 2, de verbondsluiting op de Sinaï, de gave van de Thora, bezegeld met de overhandiging van de 10 geboden aan Mozes. Dit is inderdaad wat de synagoge met Pinksteren viert. In ben benieuwd in hoeverre dit bekend was toen deze schilderingen in 1518 werden gemaakt.

In de 2 Pinksterliederen die Vondel 100 jaar later schreef voor het liedboek van zijn doopsgezinde gemeente, komt deze oudtestamentische betekenis van Pinksteren niet voor. Wel spreekt hij van de wet die Christus in de harten van de gelovigen schrijft, in overeenstemming met de doperse traditie. En Christi wet die eeuwich blijft/ In ons ghemoet en sinnen schrijft.

De eerste Pinxterzang van Vondel is een verhalend gedicht naar Handelingen 2, het tweede een gebed tot de Heilige Geest, gemakkelijk mee te zingen op de wijs van Psalm 100. In dit lied verwerkt hij verschillende metaforen en namen voor de Heilige Geest die hij ontleent aan de christelijke traditie: Tortel-duyf, Vertrooster, vinger Gods, hemeldauw, Fontein, Goddelijk vuur. In het laatste couplet wordt de Geest ‘Wind des Heeren’, genoemd. Dat is een beeldspraak die uit de Bijbel komt, het Hebreeuwse ‘ruach’ betekent ‘wind, adem, geest’, maar die ik dan weer niet tegen kom in de oudchristelijke hymnen. Heeft Vondel dit ergens vandaan of is dit beeld ingegeven door de opkomst van de zeevaart in zijn Amsterdam?

Ghy Wint des Heeren weest doch mee

Ons zielen schip in swerelts Zee

Op dat wy vry van schipbreuk dan

Landen in ’t hemels Canaan.

Hemelvaertzang

 Een mooie verbeelding van Hemelvaart vind ik in de Naardense Bijbelvertaling. Daarin staan de schilderingen die in 1518 op de gewelven van de grote kerk in Naarden zijn aangebracht en 1 daarvan toont Jezus die in de hemel wordt opgenomen. Omdat Christus uit beeld verdwijnt, zien we van hem alleen de voeten. Op de aarde die hij verlaat blijven zijn voetafdrukken achter, voetstappen voor zijn volgelingen om in te treden.  Ze begrepen nu immers de Schriften. Zien we daarom rechtsboven een Thorarol geschilderd? Ik durf dat niet met zekerheid te zeggen, maar het zou heel mooi zijn.

Vondels Hemelvaertzang is van een eeuw later. 6 oupletten te zingen op de wijs van psalm 8, opgenomen in het Boek der Gesangen van de doopsgezinde gemeente waar Vondel toen lid van was. In deze zang is de blik omhoog gericht, evenals bij de apostelen op de schildering. Het loflied begint alsvolgt:

Verblijdt u t’saem en juycht ghy Christen schaeren

Siet hemelwaert u Vorst end’ Heylant varen,

Die onlangs daeld’ in ’t graf na soo veel smaets,

En heerlijck nu gaet nemen d’hoochste plaets.

Opvallend aards is dan weer de huwelijksmetafoor in het laatste couplet, waar Vondel met een verwijzing naar Hooglied dicht over de kerk van Christus die op aarde achter blijft:

Soo mach sy steeds in ’s Bruydgoms liefde blaken,

Soo mach haer kroon noch sond, noch werelt schaken,

Soo blijft haer liefd’ veel stercker als de doot

En erft te loon haers lieven minnaers schoot.

Een wonderlijk bestaen

Rubens, St. Michael verdrijft Lucifer uit het paradijs, wikipedia.org

In zijn voorwoord op zijn treurspel ‘Lucifer’ geeft Vondel toe dat hij voor het dramatische effect gebruik maakt van een theologische opvatting die door sommige, maar niet door alle godgeleerden gedeeld wordt. Hij laat de engelen namelijk voorkennis van de incarnatie (menswording van God in Christus) hebben. Als Gabriël dit aan de opstandige engelen meedeelt, is hun rebellie niet meer te stoppen. In zijn ‘disclaimer’ zegt Vondel voor de zekerheid dat dit gebruik niet betekent dat hij positie kiest in deze discussie. Hij vermoedde zomaar dat dit wel eens gevoelig zou kunnen liggen.

Vondel betoogt ter verdediging van zijn toneelstuk over  de val van een deel van de engelen, dat dit in de  Heilige Schrift wordt beschreven. Omdat deze Bijbelteksten heel summier zijn, ziet Vondel ruimte om zelf motieven en redenen aan te voeren voor hun afvalligheid. Hij noemt hoogmoed en jaloezie als 2 kanten van dezelfde zaak. Lucifer  en zijn medestanders zijn jaloers op de mens die naar Gods beeld geschapen is.  Deze gedachte komt hij tegen bij de kerkvader Cyprianus. Vondel gaat nog verder en laat de engel Apollion die in het paradijs het pasgeschapen mensenpaar heeft geobserveerd afgunstig zijn op hun lichamelijkheid en intimiteit.

Dan kuste hy zyn bruit, en zy den bruidegom

Dan ging de bruiloft in, met eenen wellekom

En brant van liefde, niet te melden, maer te gissen,

Een hooger zaligheit, die d’Engelen noch missen. (135-138)

Helaes! Wy zyn misdeelt; wy weten van geen trouwen,

Van gade of gading, in een hemel, zonder vrouwen. (141-142)

Het idee dat de engelen ondergeschikt zijn aan de mens komen we ook in het Jodendom tegen: Israël is meer geliefd bij God dan de engelen (Babylonische Talmoed Choelien).

Vondel maakt van zijn engelen personages met een eigen psychologie, die met de blik van de buitenstaander het mens-zijn becommentariëren:

Den mensch, in top van Staet en maght, zoo trots verheven,

Dat wy, als slaven, voor zyn heerschappye beven (Lucifer790-91)

Hoe wy, door ’t nieuw bevel, van onze staet vervielen

In eene slaverny der aerde, en zoo veel zielen

Als uit een luttel bloets en zaets te spruiten staen.

Wat is by ons alree mishandel, of misdaen,

Dat Godt een waterbel, vol wint en lucht geblazen

Verheft om d’Engelen, zyn zonen,te verbazen?

Een basterdy verheft, gevormt uit klay, en stof?

Wy waren pas gewyt tot pylers van zyn hof. (842-848)

De gereformeerde predikanten in Amsterdam hebben pogingen gedaan om dit toneelstuk van Vondel te verbieden. Dat God al voor en los van de val van engelen en mensen besloten had om zich te verenigen met de mens, werd door de calvinistische theologen namelijk algemeen afgewezen. Zo lees ik in een artikel van Nico den Bok. (In ‘Wat God bewoog om mens te worden’, gedachten over de incarnatie, 2003)

 In een levendige dialoog tussen de aanhangers van Lucifer en een rei (koor) van trouw gebleven engelen drijft Vondel de discussie op de spits.

Luciferisten: Men had ons nutter dees geheimenis gezwegen.

Rey: De Godtheit openbaert haer hart, tot u genegen.

Luciferisten: Noch milder tot den mensch: zy zet hem boven aen:

Rey: Verknocht met Godts natuur: een wonderlijk bestaen. (890-993)

Eerder schreef ik dat dit een gedachte is die pas veel later in de theologie is uitgewerkt, maar Den Bok laat zien dat Duns Scotus, een middeleeuwse denker hier al heel scherp over heeft nagedacht. Dat het van den beginne Gods plan is geweest om mens te worden, zonde of geen zonde. Menswording is het doel van de schepping. Dat is een theologie waar ik vrolijk van word en waar Vondel God alle eer voor geeft.

Luciferisten: Hoe wil de mensch de kroon der Engelen verdooven!

Rey: Alle engelen zullen Godt in ’t lichaem zien, en loven.

Luciferisten: Zy zullen slyck en stof aenbidden in het stof?

Rey: Bewieroocken Godts naem, met geur, en prys, en lof. (988-91)

Palamedes II –dansen aan zee

zinnebeeldige voorstelling van de synode van Dordrecht

De bestandstwisten gingen over Godsdienst. Het gevaar is dat je daar vanuit het heden meewarig op neerkijkt. Waar maakten ze zich toen druk over.. . Predestinatie pff. In deze val wil Matsier  in zijn boek ‘de Advocaat van Holland’ over de nadagen van Van Oldenbarnevelt, niet vallen, maar of hem dat altijd lukt?  Op de vroomheid van de landsadvocaat dingt hij niet af, maar  zijn oordeel over de Heidelbergse Catechismus ‘dat vreugdeloze handboek der gelovigen’ zal de raadspensionaris niet gedeeld hebben (en ik ook niet).

Van vreugdeloosheid kan Vondel niet beticht worden. Het ongemeen grappige is dat Vondel de rol van de contraremonstrantse predikanten  in dit stuk laat spelen door Griekse priesters die hij  zo ‘gecast’ en aangekleed heeft dat ze sprekend op gereformeerde predikanten lijken. En deze eerwaarde broeders die hij ‘Wichelaers’ en’ Paepen’ noemt,  laat hij alle mogelijke heidense rituelen  uitvoeren.

 Wat Vondel echter het meest in het oog laat springen is hun verwaandheid.

Wier lang-gebaerde kin van hayren hangt vermast:

Wier winckbraeu en gebaer niet lochent, hoe hun past

Een wetteloose macht: die prat op vorstenbanden,

En Keysers-croonen treed: wier hoeden breed van randen, (953-956)

Wij staen met Goden in onbrekelijck verbond

Al wie ons wederspreeckt, die wederspreeckt Gods mond. (973-974) 

Met kennelijk plezier pleegt de dichter hier karaktermoord. In  zijn argumentatie is Vondel echter heel precies. Zijn voornaamste politieke verwijt aan deze godgeleerden is dat ze zich met staatszaken bemoeien. Van Oldenbarnevelt was van mening dat de kerkelijke leer onder verantwoordelijkheid van de Gewesten viel. Door zijn tegenstanders wordt hij daarom als een godloochenaar en vrijdenker neergezet. De hier genoemde ‘voglensang’ is misschien een toespeling  op de nachtegalen van Maurits waar ik in het boek van Matsier over lees.

Verworgt den vryen geest: of stort  hem van een rots:

Dees smaalt op wichlery, en droomen. D’inspraeck Gods

Hy gants in twijfel treckt. Hy zal het heyr verwarren:

Hy acht noch voglensang, noch’ingewant, noch ‘Starren.

Vondels theologisch verwijt is dat deze theologen deterministisch zijn, zij aanbidden in zijn ogen het noodlot, omdat ze vast houden aan de predestinatie. Voor de remonstranten en ook voor Vondel was dit in strijd met me de vrije wil van de mens. De synode van Dordrecht en de daar opgestelde  leerregels betogen het tegendeel, maar voor Vondel hadden ze hun geloofwaardigheid verloren.

Met galgenhumor laat Vondel zien waar dit determinisme toe leidt, aan het eind van de tweede acte laat hij het koor onder aanvoering priester Eurypilus een satirische lofzang zingen aan het noodlot, een genadeloze godin.

Bewaer Godin u kercken oock.

Op datm ‘u tempel pleghtigh smoock:

Op dat uw reuckwerck opwaerts rijs

Na d’eenmael aangenome wijs. (633-636)

O die met ysren scepter heerscht,

En blyfter laetst,en waert’er eerst:

Die Hemel, Aerde, en Hel bestiert

En maeckt dat elck u Godheydt viert. (669-672)

Die op haer beurt de starren riept,

En meerdre, en mindre Goden schiept,

En blyft versteenight en verstockt,

En hebt al ’t noodlijck quaed berockt.  (673-676)

De wandaden van het noodlot worden vervolgens zo uitvoerig bezongen door het zeemanskoor dat Eurypilus het tenslotte ook niet meer kan horen, en zien, want kennelijk werd dit lied uitgevoerd met een dans, destijds een doorn in het oog van menig calvinistisch predikant.

‘Houd op ghy hebt voldaen. Het noodlot heeft volkomen

Uw danssen en gesang goedgunstigh aengenomen’.

Palamedes I – Het Geweten

Jan Luyken, onthoofding van Johan van Oldenbarnevelt, ca. 1696, Rijksmuseum, historiek.net

Die sorgt, en waeckt, en slaeft, en draeft, en ploegt, en sweet

En tot ’s lands oorbaer[i] vast een lastigh ambt betreed,

En waent de menschen aan syn’ vroomheyd te verbinden,

Die sal sich jammerlijck in ’t end bedrogen vinden.

Van ’t wispelturigh volck: dat veel te los van hoofd,

Ghenooten dienst vergeet, en leyder[ii]! ’t quaed  gelooft.

Alleen al vanwege deze magistrale openingszinnen is Vondels toneelstuk ‘Palamedes’  (1625) een subliem werk. Het is bovendien een overtuigende politieke aanklacht tegen de terechtstelling van Johan van Oldenbarnevelt 13 mei 1619. Polemisch, politiek, partijdig, Vondel stak hiermee zijn nek uit.

Vondel schreef op het eerste gezicht een onschuldig stuk over een intrige in het Griekse kamp ten tijde van de Trojaanse oorlog met personages die hij ontleende aan Homerus. Voor de goede verstaander is het echter duidelijk dat het verhaal zich eigenlijk afspeelt op het Binnenhof in Den Haag ten tijde van de Bestandstwisten. Palamedes is dus de raadspensionaris Johan van Oldenbarnevelt en zijn tegenspelers zijn Maurits, diens raadgevers,de contraremonstrantse predikanten en de 24 rechters die  hem tot het schavot veroordeelden waar hij in mei 2019 onthoofd is. (In de openingszinnen zinspeelt Vondel hier al op met de uitdrukking ‘veel te los van hoofd’, waarmee hij aanduidt dat het volk zichzelf onthoofd heeft door de raadpensionaris terecht te stellen.)

Op basis van de verslagen van het proces tegen Van Oldenbarnevelt heeft Nicolaas Matsier nu een boek schreven over de maanden die de raadspensionaris als gevangene doorbrengt. De legitimiteit van zijn gevangenschap weigert  de advocaat van Holland te erkennen.

Heilig is hij ervan overtuigd dat hij zijn macht altijd heeft uitgeoefend binnen de grenzen van zijn bevoegdheden. Natuurlijk heeft hij zich zelf riant beloond, vrienden en familieleden geholpen, persoonlijke vijanden tegengewerkt, kortom politiek bedreven, maar hij heeft zich aan de wet gehouden en het land gediend. In de woorden van Vondel:

Maer ‘tis te schandeloos, en strijd met al myn daden

Dat ick ben omgekocht om ’t leger te verraden. (103-104)

En nu wordt er op last van de Staten Generaal en met medeweten van prins Maurits een schijnproces tegen hem gevoerd. Zijn ambtsopvatting en zijn rechtsstatelijkheid maken dat hij niet kan geloven dat hij in deze situatie is beland.  Wat gebeurt er met iemand die zeker weet ter goede trouw gehandeld te hebben en dan merkt dat het recht nu tegen hem gebruikt wordt. Ook Vondel legt hier de nadruk op.

Ick weet waer op ik steun, mijn ongekreuckt geweten

En is niet quaeds bewust, noch heeft sich noyt vergeten

Aan eenigh schendigh feyt: en soo ick daerom ly,

Soo wasch’ mijn edel bloedt eens anders schelmery.  (163-166)

Matsier presenteert Van  Oldenbarnevelt als een pleitbezorger van tolerantie. Daartoe wilde hij de kerk onder het geestelijk gezag van de overheid. Het is 400 jaar later weer opnieuw een actuele kwestie. Is de vrijheid van geweten daarmee gediend?


[i] Tot voordeel van ‘t land

[ii] Helaas!

Het Pascha

Jan van Eijk, De aanbidding van het Lam Gods, statenvertaling.net

S’Hemels goetheyt die voorhenen

Ons Voorvaders heeft beschenen

Is hier opt Toneel herspeelt,

En na t’leven afghebeelt (2055-58)

Een van de hoogtepunten van de seidermaaltijd die het Joodse volk aan de vooravond van het Pesachfeest houdt om de uittocht uit Egypte te gedenken is de uitspraak ‘niet onze voorouders, maar wij zelf zijn toen bevrijd’.  Deze woorden bevestigen de reële werking van de herbeleving die door middel van deze maaltijd en de vertelling van de bijbehorende geschiedenis plaats vindt. Alsof je er zelf bij bent geweest.

Dat is tevens de functie van liturgie (woord en sacrament) in de kerk en bij Vondel ook de functie van toneel.  Je bent niet alleen toeschouwer, maar ook deelnemer. In ‘het Pascha’, zijn eerste toneelstuk, maakt Vondel zijn publiek tot ooggetuigen van de uittocht uit Egypte. Het Pascha is de aanduiding voor het offerlam dat toen geslacht werd en in ruimere zin de naam van het Joodse Paasfeest. Wij zelf zijn toen bevrijd, al laat Vondel ons ook in de huid kruipen van de rouwende Egyptische mannen en vrouwen die treuren om de dood van de eerstgeborenen bij de 10e plaag.

Aan de representerende werking van het toneelspel verbindt de jonge Vondel een verwijzende functie, als hij uitlegt dat de uittocht ons wil wijzen op de verlossing die Jezus Christus heeft gebracht. Hier door krijgt  het stuk iets geforceerd, de moraal wordt er te nadrukkelijk aan toegevoegd. Je krijgt de indruk dat de beginnende toneelschrijver nog niet in zijn eigen kunnen gelooft.

Als Vondel zich later in zijn leven bekeerd heeft tot de Rooms-Katholieke kerk schrijft hij zijn ‘Altaergeheimenissen’. Frans Kellendonk heeft betoogd dat dit werk behalve een sacramentsleer ook een visie op de werking van literatuur bevat. In iedere eucharistieviering vindt het Paasoffer opnieuw plaats en dat transformeert ook Vondels visie op toneel.

Wanneer in het tweede bedrijf van ‘Het Pascha’  Mozes en Aäron voor de Farao verschijnen en zij hun pleidooi kracht bij zetten door een staf in een slang te veranderen, blijken de dienaren van de Farao het zelfde kunstje te beheersen. Vondel laat dan bij monde van Aäron weten dat de ene gedaanteverandering de andere niet is.

Gy toovert, ik herschep, gy met den schijn bedrieght,

Den schijn, wiens wesen als een schaduwe vervlieght,

U goochel-konst en is maer forma en figure,

En ’t myne lyffelijck verandert van nature: (943-46)

Dit is een apologie die mij bevalt. Het heilig spel in kunst en kerk  is als het goed is geen schijnvertoning, maar herschepping. Het bewerkt een reële verandering. Transsubstantiatie. Al lang voor zijn bekering wordt dit door Vondel zo gezien.

Jozef in Dordrecht

Rembrandt, Jozef vertelt zijn dromen, 1638, Rijksmuseum, afb, http://www.degroene.nl

‘Ga lekker zelf in je kracht staan’, is de titel van een boekje van Japke-d. Bouma, waarin zij jeukwoorden, kantoorclichés en andere dooddoeners fileert. De uitdrukking ‘in je kracht gezet worden’ is symptomatisch voor het mengsel van positieve  psychologie en vaagtaal waarmee Bouma de vloer aanveegt. In de liturgie verwachten we andere teksten, toen ik in een gebed een keer de term ‘commitment’ gebruikte, was er een ambtsdrager die mij na de dienst duidelijk maakte daar niet van gediend te zijn.

In dit gedenkjaar van de Dordtse synode besloot ik de Dordtse leerregels nu eens een keer goed te lezen, het viel me op dat de opstellers hun tegenstanders meer dan eens een gebrek aan duidelijke taal verwijten.

Een stuk (ik schreef eigenlijk ‘stukje’) van Vondel lezen is dan een weldaad voor de ziel. Des te groter de schok als ik in Vondels toneelstuk ‘Jozef in Dothan’ (1640) die zelfde vermaledijde uitdrukking tegen.

Ja Vader, laet de menschen ruicken[i],

Hoe ghy de quaden kunt gebruicken

Ten goede van het aertsch geslacht;

Als ghy violen onder doornen

Gaat plucken, en uwe uitverkoornen,

Door uw beleit zet in hun kracht. (113-118)

Laat ik er voortaan van uitgaan dat ieder die deze gewraakte uitdrukking bezigt haar klassieken kent. De context is trouwens niet alleen taalkundig, maar ook theologisch interessant. Vondel voert hier een rei van engelen ten tonele die vooruitwijzen naar de ontknoping van het Jozefverhaal in Genesis 50:20: ‘U hebt wel kwaad tegen mij gedacht, heeft God heeft dat ten goede gedacht’. Vondel spreekt hier  van uitverkorenen, daarmee doelt hij op Jozef, die bij hem een type van Christus is, maar raakt ook (expres?) aan dé theologische discussie van zijn tijd.

De van oorsprong doopsgezinde Vondel die zich later tot de rooms-katholieke kerk bekeerde  is elders kritisch op de gereformeerde opvatting van de uitverkiezing. Zou hij hier een polemische bedoeling hebben en ‘Dordt’  verwijten de mens krachteloos te maken? Mogelijk, maar ik denk dat het goed gereformeerd en daarmee ook katholiek is wat Vondel hier belijdt: dat je gelooft heb je te danken aan Gods beleid, het is een geschenk dat je ontvangt, een kracht van God tot zaligheid (niet alleen je eigen zaligheid, dat is nog een andere discussie). Niet vanwege, maar tot onze geloofsgehoorzaamheid, zo zeggen de leerregels . Dat is toch sterk.

Dit stuk verscheen eerder in “In de Waagschaal’, tijdschrift voor theologie, cultuur, politiek.https://www.karlbarth.nl/welkom-waagschaal/

[i] ruicken = ervaren