Open je ogen

Rembrandt, de doop van de kamerling, Catharijneconvent Utrecht, bron: Statenvertaling.net

‘Verstaat gij wat gij leest?’, vraagt Filippus aan de Ethiopische diplomaat die in zijn reiswagen de profeet Jesaja aan het lezen is. (Handelingen 8).

Dit voorjaar werd er in Nederland bijna huis aan huis een brochure verspreid met de titel ‘eye-opener’, een eenmansactie van een evangelist die er van overtuigd is dat de Bijbelse profetieën in onze tijd uitkomen. Toevallig was er op ons adres niet een bezorgd, maar een gemeentelid was zo vriendelijk haar exemplaar aan mij te geven.

Waarom denk ik dat zo’n brochure deels de plank misslaat? Dat heeft volgens mij met het onderscheid te maken tussen uitleg en toepassing. Dit is een principe dat in de christelijke traditie en zeker in de protestantse kerken altijd is gevolgd.

Als je de profetieën in de Bijbel leest, zowel Oude als Nieuwe Testament, dan merk je dat de profeten en apostelen geïnspireerd waren om voor hun eigen tijd geloofsgetuigen te zijn. Zij verkondigen wat zij van Godswege hebben meegekregen en wat de Geest hen ingeeft. Daarom is het Gods woord en tegelijkertijd zijn het menselijke verwoordingen van dienaren die beperkt zijn door de omstandigheden waar ze zelf in leefden. Ze konden niet over hun eigen horizon heenkijken.

Als ik wil verstaan wat ik lees, dan moet ik begrijpen dat iemand als Jesaja profeteert over de situatie waarin hijzelf verkeerde. Maar dat is gelukkig niet het enige. We mogen deze getuigenissen vervolgens ook toepassen op onze eigen situatie. Je maakt een vertaalslag. Daar heb je verbeeldingskracht en luistervaardigheid voor nodig, gebed en geloof. En wat daarbij helpt is een preek die de tekst uitlegt én actueel maakt, een Bijbelkring of een cursus theologische vorming voor geïnteresseerden. En met het bewustzijn van Black Lives Matter lezen we het schilderij van Rembrandt met nieuwe ogen.

Dus als iemand zegt dat we in 2021 in een bevoorrechte situatie verkeren omdat de Bijbelse profetieën precies in onze generatie bezig zijn uit te komen, dan denk ik persoonlijk dat je deze teksten verkeerd uitlegt. Als iemand echter  laat zien dat Gods woord van ons vraagt om het op onze tijd toe te passen, omdat God ook nu werkt en ons meeneemt door zijn Geest, dan worden je ogen geopend.

meditatie kerkblad juni 2021

Pinksteren en de laatste dagen

Giotto, de uitstorting van de Heilige Geest, Arenakapel, Padua (bron afbeelding statenvertaling.net)

Pinksterpreek bij Handelingen 2:14-24

7 weken na Pasen, op de 50e dag vanaf het Joodse Pesachfeest geteld, wordt Pinksteren gevierd.  Pinksteren betekent 50, vandaar. Het heet in het Jodendom het wekenfeest, vanwege die 7 weken, het is  het feest  der eerstelingen, In Israël het begin van de tarwe-oogst. En terwijl Pesach het feest van de uittocht is uit Egypte, viert Pinksteren de gave van de wet. Dat het volk in de woestijn bij de berg Sinaï van God de geboden had ontvangen en beloofde zich daar aan te houden. Het feest  van het verbond, God verbindt zich met zijn volk.

Het Bijbelboek Handelingen vertelt hoe het aan het begin van onze jaartelling in Jeruzalem een multicultureel feest is rondom de tempel. Joden uit alle windstreken zijn er  samen gekomen om dit gedenken, het is een evenement met een sterk idee, een ideaal van verbroedering en verbondenheid. Vergelijk  het met  euro-songfestival in Ahoy.

En daar op straat in Jeruzalem horen al die gasten iets waar ze van opkijken, iets aparts en toch vertrouwd, want ze horen hun eigen taal. Als je in het buitenland bent en je hoort op het terrasje naast je mensen in het Nederlands praten, dan spits je je oren, je vangt iets op wat je thuis kunt brengen en je luistert mee.

En wat horen ze in hun eigen taal en tongval? Het zijn vreemd genoeg geen landgenoten, maar Galileërs die zich laten horen. Apostelen, volgelingen van Jezus, die ze de Christus, messias noemen. En een van die mannen stapt naar voren, als woordvoerder, het is Petrus, hij houdt een toespraak, geïnspireerd, emotioneel en indrukwekkend.  Een preek over de profeet Joël.

Is het een donderpreek? Het is een stormachtig betoog met dreiging van donkere wolken, ja het dondert, het bliksemt en het stormt  en toch of eigenlijk daardoor wordt de lucht geklaard.

Je  merkt dat het voor Petrus een moment van ontlading is, eindelijk kan hij zich uiten en een deel van het publiek wordt er door gegrepen, geraakt, ze  nemen het ter harte. Hij spreekt hun taal.

Het opmerkelijke is echter dat de tijdsaanduiding ‘in het laatste der dagen’/ ‘aan het einde der tijden (Nieuwe Bijbelvertaling)  waarmee de profetie wordt ingeleid niet van Joël is. Die komt uit het beroemde vredesvisioen van Jesaja en Micha over zwaarden die omgesmeed worden tot ploegen en speren tot snoeimessen.

Petrus verbindt dus volgens een beproefde rabbijnse uitlegmethode de revolutionaire tekst van Joël die deels een dreigend karakter heeft met de belofte van niets minder dan wereldvrede die Jesaja voor zich ziet: de volken zullen niet  langer leren wat oorlog is.

Het laatste der dagen,  het einde der tijden, dat is in de Bijbel geen aanduiding voor het einde van de wereld, maar de belofte van een nieuwe begin, een nieuw verbond. Een visioen van vrede en gerechtigheid landt in de realiteit.  Het zal zijn in het laatste der dagen

Petrus ziet dat tijdens het Pinksterfeest gebeuren, dat de profetie van Joël in vervulling komt:  het is nu gaande. Opvallend dat deze oude tekst zo inclusief is. Zonen en dochters worden genoemd,  jongeren en ouderen, dienaren en dienaressen. Allemaal, vrouwen en mannen, jong en oud, worden ze geraakt door het verhaal van Jezus. Het gaat nu in hen leven.

God stort zijn hart uit, zodoende komt de missie van de God van Israël op gang. Naar alle richtingen. Zie ik zal mijn geest uitstorten op al wat leeft.

‘Op alle vlees’ staat er in de oude vertaling, dat wordt in het Nieuwe Testament ook ove Jezus gezegd, dat hij ‘in het vlees’ gekomen is. Dat hij dit aardse bestaan, dit leven met zijn ups en down, lusten en lasten aanvaard heeft en gedragen heeft.

Afgedaald is in onze realiteit, in je strijd met een depressie of verslaving. In de stille armoede en de schuldsanering. Ook in het slepende conflict tussen Israël en de Palestijnen en alle andere burenruzies.

Zijn geest wordt nu uitgestort op alle vlees, op als wat leeft, op het aardse. Dus die Geest van Jezus zoekt de lijdende schepping op, zucht mee in de ziekenhuizen, gaat wonen in de probleemwijken en vluchtelingenkampen. Land waar de aarde woest en ledig is.

Maar eerst dus in Jeruzalem en er zit in dat uitgieten van Gods Geest dus iets van spanning. Het is geen fluwelen revolutie, maar een spannend gebeuren, er was onrust, net als deze Pinksterdagen trouwens, veel volk op de been. De komst van de Geest ging met een harde stormwind en een donderend geraas gepaard. Je wordt wel even weggeblazen, het brengt je van je stuk. Toen ik eerder dit weekend een rondje ging fietsen door de polder, waaide ik bijna van de dijk. Dat gevoel.

En dan nog die donderpreek van Petrus, er staat dat de mensen er kapot van waren. Hij stapt naar voren en zegt (inclusief) tot allen: “jullie hebben toch gehoord van Jezus van Nazareth, die door de Romeinen gekruisigd is, jullie hebben dat  laten gebeuren, en jullie dachten misschien, ‘ja zo gaat dat nu eenmaal’, maar God heeft het er niet bij laten zitten, hij heeft hem opgewekt.”

Dat komt aan. Je dacht naar eer en geweten gehandeld te hebben en nu word je toch verantwoordelijk gehouden, je dacht het intern te hebben te hebben opgelost en nu ligt het toch op straat.

Dat is wat de Heilige Geest doet, een rechtvaardig oordeel vellen, de waarheid boven tafel krijgen, de slachtoffers van de geschiedenis een stem geven. Daarom gaat het er stormachtig aan toe.

En vandaar een donderpreek, maar het is geen bangmakerij. De Johannesbrief zegt: ‘daarom kunnen we op de dag van het oordeel vol vertrouwen zijn’. Je mag vrijmoedigheid hebben, dat woord gebruikt Petrus hier. Juist in het oordeel, omdat het Jezus het oordeel heeft gedragen. Juist als het spannend wordt, als die beelden van de profeet Joël van bloed en vuur en rook zich aan je opdringen, dan is er de belofte van dat nieuwe verbond, dat God zijn vredesproces niet opgeeft.

Na het nieuws van de laatste dagen is het mijn gebed dat het ook nu weer Pinksteren mag worden in Jeruzalem en omstreken.

Tranenbrood

Pieter de Witte, het Laatste Avondmaal, ca. 1590, bron: Statenvertaling.net

Preek op Witte Donderdag bij Deuteronomium 16:1-8 en Marcus 14:17-25

‘Het is het tranenbrood dat  u zolang u leeft, zal herinneren aan de dag waarop u wegtrok uit Egypte’ (Deut. 16.3) ‘Ze werden bedroefd’ (Marcus 14:19)

‘En zij werden bedroefd’, de discipelen beginnen te huilen als Jezus hen aanspreekt tijdens de Pesachmaaltijd die ze met elkaar vieren volgens het gebod dat God aan het volk Israël gegeven heeft om de Exodus, de uittocht uit Egypte te gedenken.

Wanneer doen ze dat?  op de vooravond van het feest van de ongezuurde broden, als het Paaslam (het Pascha) geslacht is, bij volle maan in de maand Abib, oftewel de korenaar-maand, als in Israël het vroege graan begint te rijpen.

Waar zijn ze, in Jeruzalem? in de Tora aangeduid  als ‘de plaats’, de plaats waar de Heer zijn Naam (Ik-Zal-Er-Zijn) laat wonen, daarom was Pasen een pelgrimsfeest en gingen de Israëlieten dan naar die plaats, Jeruzalem.

De opdracht is om Pesach te vieren alsof je de verlossing uit Egypte  zelf hebt meegemaakt: ‘”Niet alleen onze voorouders, wij zelf zijn toen bevrijd.” Ook wij moesten in Egypte het slavenwerk doen en in de woestijn voetbalstadions vestingsteden bouwen.

En daarom eten Joden, toen en nu,  7 dagen lang die matses, ongegist brood dat in Deuteronomium brood van de verdrukking wordt genoemd, brood van de ellende, in onze vertaling: tranenbrood.

Brood om je te binnen te brengen dat je in Egypte in de ellende zat, in de misère en dat de Heer je daaruit heeft gehaald, je bent er uit gekomen.

 Waarom is dat brood ook al weer ongegist? Nou, toen ze op de avond van de uittocht halsoverkop ontsnapten moesten ze eten meenemen. Ze hadden dus geen tijd om het deeg te laten rijzen en rusten, het moest snel, als de wiedeweerga, worden klaargemaakt.

Het is deze avond dus, aan het begin van het feest van het tranenbrood. Jezus heeft er naar uitgekeken om dit met zijn leerlingen te vieren, hij heeft het ondanks alle perikelen zo gepland dat hij deze maaltijd met zijn leerlingen kan houden, dat het door kan gaan, ongestoord. Het wordt zijn laatste avondmaal, hij weet het.

De matses worden dus brood van ellende, tranenbrood genoemd. En tranenbrood is het voor Jezus en zijn leerlingen. Door emoties bevangen. Tot tranen geroerd.

Waarom zijn ze zo verdrietig. Omdat Jezus zegt,:1 van jullie zal mij verraden, overleveren. Het gevaar komt niet van de romeinen of de hogepriesters of de farizeeën of de menigte, maar van dichtbij zegt Jezus, 1 van jullie 12 zal het zijn, zal het doen.

Grote consternatie, allemaal schieten ze in de ontkenning: ‘ik toch niet Heer?’ Ja, je zou er maar op aangekeken worden, je zou er maar van verdacht worden dat jij dit hebt bedacht. 1 van jullie wil van me af: Jezus van Nazareth, functie elders.

Ik toch niet Heer. Jezus stelt zijn leerlingen niet gerust; De mensenzoon (de messias) gaat heen, zal sterven. Jullie gaan dat niet voorkomen, jullie gaan me hier niet uit redden. En 1 van jullie heeft het op zijn geweten, ‘voor die mens was het beter als hij niet geboren was’, staat er. Woorden die door merg en been gaan.

Het wordt Judas wel degelijk aangerekend, maar het houdt iets raadselachtigs, zijn fatale daad van verraad is meer dan een mens dragen kan. Het Marcusevangelie laat trouwens open hoe het met Judas afliep, Matteus vertelt bijvoorbeeld wel over zijn noodlottige einde, maar Marcus laat het in het midden.

Jezus wijst hem hier niet als schuldige aan, maar legt het in de groep, 1 van jullie zal mij verraden.

Jezus legt het ook hier in ons midden op tafel als wij zijn maaltijd houden en dan heb ik ook de neiging om te ontkennen: ‘ik toch niet Heer, laat mij er buiten. Ik was het niet, ik ben geen heilige, oke, maar voor eigen gewin iemand verraden, dat toch niet…’

Verraden? Er staat ‘overleveren’, Jezus wordt in het lijdensevangelie telkens overgeleverd: door Judas aan de hogepriesters, door de hogepriesters aan Pilatus, door Pilatus aan zijn soldaten die hem kruisigen. Ze willen allemaal van Jezus af, functie elders, maar niemand steekt zijn vinger op: ik ben het Heer.

Jezus zegt, het is 1 van de 12 die met mij het brood in de schotel indoopt, ja dat hoort bij deze avond, bij de Pesachmaaltijd, dat je die harde matse in een kommetje water doopt, water waar zout aan toegevoegd is, voor de smaak, ja, om te denken aan het bloed, het zweet, de tranen die in Egypte zijn vergoten: tranenbrood, brood van ellende.

Ja dat doen ze allemaal en wij nemen ook van het tranenbrood als wij de maaltijd van Jezus vieren op deze Witte Donderdag, daarmee belijden we onze schuld, want ook wij waren er bij en we lieten Jezus in de steek. ‘Jullie zullen me allemaal laten vallen.

En we nemen het tranenbrood met diepe dankbaarheid, omdat het Pasen wordt en ook wij worden bevrijd, we gaan het meemaken: ‘wat met tranen is gezaaid, wordt met gejuich gemaaid’, je wordt herboren. En dat zet volgens mij zelfs die uitspraak over de mens die beter niet geboren had kunnen zijn in een nieuw licht.

Want Jezus zegt tot alle 12 als hij het brood breekt: ‘neem, dit is mijn lichaam’ en hij zegent de wijn, ‘dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt’.

Dank u Heer, Geprezen zij de Naam, lof zij Christus in eeuwigheid. Amen

De honger van de ander is heilig

Byzantijns mozaïek ca. 400 na Christus, ‘broodvermenigvuldigingskerk’, Thagba, Israël

Hieronder een fragment/ brokstukje uit mijn preek van zondag 14 maart over Jezus die het volk voedt met 5 broden en 2 vissen (Johannes 6:1-15) waarin ik stil stond bij biddag voor gewas en arbeid en ook een beetje bij de verkiezingen. Als Jezus zich ‘brood des levens’ noemt en ‘manna uit de hemel’ is dat namelijk niet alleen maar spiritueel, maar heeft dat een  aardse, wereldse en dus ook politieke betekenis. Zie voor de hele dienst: https://youtu.be/5lFBjGQSOXA

Een bijzonder kenmerk van de evangeliën is dat er een soort driehoeksverhouding is tussen Jezus, zijn leerlingen en de menigte. Jezus is meestal omgeven door zijn leerlingen, met hen is hij in gesprek, vertrouwelingen, vrouwen en mannen, die hem volgen en tegelijkertijd is het volk nooit ver weg, zij volgen hem ook. De menigte, in de oude vertaling ‘de schare’. En telkens blijkt dat Jezus bezorgd is om het volk, dat hij om hen bewogen is, bekommerd. Hun zorgen en noden gaan hem aan het hart. En  het volk loopt hem achterna en het is meer dan nieuwsgierigheid alleen, ze hebben verwachtingen van Jezus.  

(..)

Jezus heeft iets met het volk en het volk met hem en toch is hij geen populist, geen man van het volk. Want als ze hem mee willen nemen en op een troon hijsen, dan neemt hij afstand, trekt zich zelfs alleen terug op de berg.

Op de zondag voor de verkiezingen vind ik dat een spannende vraag, wat heeft Jezus met het volk en wat is de rol van de discipelen  daarin?  Het volk lijkt op drift geraakt, stuurloos, allemaal zwevende kiezers en toch zijn ze op Jezus gericht. Ze volgen hem op  de voet, vanwege de tekenen die ze van hem gezien hebben, de zieken die hij genas.  Zelfs als hij het meer van Galilea per schip oversteekt, weten ze hem weer terug te vinden. Ze lopen om het meer heen en treffen hem daar aan. Via een omweg komen ze bij Hem uit.

Wat heeft Jezus met het volk? wat heeft Christus met de wereld? nou alles dus. “Al zo lief had God de wereld, dat hij zijn Zoon gezonden heeft, opdat ieder die in hem geloof niet verloren zal gaan, maar eeuwigleven mag hebben.” (Joh.3:16) Dat is het partijprogramma van het Johannesevangelie. En dat zie je aan Jezus’ omgang met de mensen, dat hun kwalen en hun honger hem bezig houden.

Je kunt gerust zeggen: daar begint Gods missie in deze wereld, bij de zorg voor de zieken, de honger van de naaste. Denk aan de werken van barmhartigheid. Dat vraagt om inzet van mensen en middelen en daar gaat de politiek over. De Joodse denker Emmaunuel Levinas zegt: ‘de honger van de ander is heilig’. Hij bedoelt dat je daar niet om heen kunt, het is een gebod van hogerhand om te delen.

Bij de wilde dieren…

In de essays van Oek de Jong kom ik een afbeelding tegen van een van de prachtige mozaïeken uit de kathedraal van Monreale op Sicilie, over de scheppping van Adam. De mens die volgens Genesis naar Gods beeld wordt geschapen.  Een sterk beeld met als aardig détail dat op de achtergrond de dieren staan die eveneens op de zesde dag geschapen zijn.

Dat beeld kwam bij me op toen deze zondag Marcus 1 op het leesrooster stond, waar Jezus gedoopt wordt en vervolgens in de woestijn door Satan op de proef wordt gesteld. Marcus vermeldt dan als enige evangelist dat Jezus bij de wilde dieren verbleef, terwijl engelen hem dienden.

Hieronder de preek die ik zondag gehouden heb over Marcus 1 en Psalm 8, door een technisch probleem is die via youtube niet geheel uitgezonden, hieronder dus wel te lezen:

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

De grote geleerde Blaise Pascal, wiskundige, natuurkundige, naar wie rekenmachines en programmeertalen zijn vernoemd zei over de mens:

Met hoeweinig hoogmoed gelooft een christen dat hij verenigd is met God. Hoe weinig vernederd vergelijkt hij zich met de aardwormen. Wat een mooie manier om leven en dood, goed en kwaad te accepteren.

Het kan haast niet anders dan dat Pascal hierbij dacht aan Psalm 8, de mens die bijna goddelijk  gemaakt is en die onderdeel is van de schepping, het werk van Gods handen. Schapen, runderen, vogels, vissen en zelfs het kruipend gedierte.

Pascal was een onderzoekend mens, hij keek naar de sterren, de onmetelijke grootheid van het heelal, hij onderzocht ook de mens, hoe zitten wij mensen in elkaar, wat drijft ons?

In zijn gedachten die hij ook heeft opgeschreven kwam hij steeds weer tot de conclusie dat de mens God nodig heeft. De mens kent grandeur en misere,  glorie en nietigheid.

Als je naar de sterren kijkt, wat is dan de mens zegt Psalm 8, wat stel je eigenlijk voor. Pascal vond die oneindige ruimte ook beangstigend als hij tot zich door liet dringen hoe groot het heelal is. Heel bedreigend is dat.

Wat is de mens, een broodkruimel op de rok van het universum schreef een andere dichter eens.

Wat is die enkele mens, het mensenkind, aan zichzelf overgeleverd, als je daar aan denkt, word je overspoeld door gevoelens van zinloosheid, triestigheid, wellicht extra in deze lockdown, waar we bijna allemaal een beetje depressief van worden.

Wat is de mens. Dat blijft een vraag, maar die vraag wordt wel aangevuld waardoor die mens toch niet helemaal alleen op de wereld is. Wat is de mens dat U aan haar denkt, het mensenkind dat U naar hem omziet.

Dankzij het geloof dat je als mens in Gods plannen voortkomt, dat de Heer naar je omziet, kun je toch spreken van menselijke eer en glorie, want zo heeft de Schepper je gemaakt, bijna goddelijk, om te heersen over het werk van zijn handen. De statenvertaling zegt hier ‘weinig minder dan de engelen’

Nu zou je kunnen zeggen, nu maak jejezelf toch iets te belangrijk, door te beweren dat God de mens zo hoog heeft zitten. Is het niet levensgevaarlijk om de mens baas te laten zijn. Hebben we daar niet heel veel ellende aan te wijten, zeker als die mensen onderling ook de baas willen spelen.

Nu daar had Pascal ook wel over nagedacht, daarom rekent hij eerst af met de menselijke hoogmoed,verwaandheid en arrogantie. Als je God leert kennen dan blijft er weinig over van je eigenwaan en zelfoverschatting.

Want de mens is bijna goddelijk gemaakt, maar niet helemaal…hij is niet de baas, heersen over de schepping betekent dus zorg dragen voor, verantwoordelijk zijn, bewerken en bewaren,  een goede en trouwe beheerder zijn.

En vooral legt de mens zijn hoogmoedigheid af als hij ziet hoe God zich laat kennen, daar zat voor Pascal de crux en ik denk dat hij dat goed gezien heeft. Want de Schepper van dat immense heelal verschijnt in een mens die afdaalt. Die de zonden van de wereld op zich neemt door zich te laten dopen in de Jordaan net als heel het volk.  Met het zelfde sop overgoten als wij.

Als God zo nederig is, hoe zou je als mens dan nog hoogmoedig zijn, je verheffen, je verheven voelen. God verenigt zich met de mens, niet omdat wij mensen het zo geweldig goed doen, integendeel, maar omdat de Heer van hemel en aarde zich naar ons toebuigt.

Dat is wat er gebeurt bij de Jordaan, als Jezus zich laat dopen tot vergeving van zonden, als de geest afdaalt en op hem landt als een duif, als er een stem klinkt. Dit is mijn zoon, de geliefde, in  hem vind ik vreugde

Daar opent Marcus dus mee, met deze vreugde, en hij noemt zijn verhaal dan ook evangelie van Jezus Christus, de Zoon van God, een goed en blij bericht. Misschien dat we dan al iets minder depri worden, als de hemel zich verheugt over deze mens, als dit goede bericht tot je komt.

En wat gebeurt er vervolgens, als die stem uit de hemel heeft geklonken, wat doet de geest die op Jezus is neergedaald, die drijft hem de woestijn in. En daar wordt hij  verzocht door de satan en daar is Jezus bij de wilde dieren en de engelen dienen hem. 40 dagen lang, het getal veertig waar het woord quarantaine vandaan komt, 40 dagen in afzondering.

 Bij Matteus en Lucas wordt de geschiedenis van de verzoekingen uitgebreider verteld, Marcus vat die 40 dagen kort en krachtig samen, hij was bij de wilde dieren en de engelen dienden hem.

40 dagen eenzaamheid, wat mensen betreft, maar dus wel dieren om hem heen en engelen die hem dienen

Heeft Marcus daarbij ook aan psalm 8 gedacht? waar de mens  bij de dieren is en bijna goddelijk, engelachtig gemaakt, en waar ook het verzet, de tegenstand van de vijand, de satan kun je zeggen gebroken wordt.

Dat verblijf van Jezus in de woestijn, zijn quarantaine,  wat zegt dat over mijn eigen mens zijn?

Dat Jezus bij de wilde dieren is wil zeggen dat je als mens bij de schepping hoort, dat de menselijke soort bij het dierenrijk  hoort is op zich dus niet een onbijbelse gedachte, dat de  mens biologisch, evolutionair afstamt van de apen gaat niet in tegen het christelijk geloof. dat de mens volgens Genesis 1 als laatste wordt geschapen past daar zelfs in, 

De schrijver Multatule schreef in de 19e eeuw een dialoog tussen een tante en haar neefje. Het neefje vraagt, tante, weet u wat u bent. Ja jongen, ik ben nederlands hervormd, Nee tante, u bent een zoogdier.

Tante niet blij, en intuïtief horen we dat nog steeds niet graag. Maar je hoort als mens bij de schepping, je bent onderdeel van de aardse werkelijkheid, vatbaar voor virussen, natuurlijke neigingen, dierlijke driften. Dat de mens niet altijd even engelachtig is hebben we van de week in Amerika duidelijk gezien, maar daar hoef je je niet over te verbazen, als duizenden boze burgers nog eens extra worden opgehitst, dan heb je een goede kans dat het uit de hand loopt. 

Pascal die zei daarover: Als christen voel je je niet te goed om jezelf zelfs met aardwormen te vergelijken. Daarin zat voor hem iets van  ‘stof ben je, tot stof zul je wederkeren’.  En hij leefde in de eeuw dat de microscoop werd ontdekt, de mens ging zich verdiepen in microscopisch kleine wezens.

Als overtuigd gelovige stond hij daar voor open, om te onderzoeken hoe je als mens biologisch, medisch in elkaar zit.. Dat wij nu kunnen vaccineren is te danken aan een visie die uit de Bijbel komt, namelijk dat de mens bij de schepping hoort. De tegenstelling tussen geloof en wetenschappelijk onderzoek bestaat dus niet, ze sluiten elkaar niet uit, maar op elkaar aan.

Dat allemaal naar aanleiding van dat opmerkelijke zinnetje bij Marcus, dat Jezus bij de wilde dieren was, maar daar volgt dan op, want je bent als mens niet alleen maar een dier, er staat: de engelen dienden hem.

Pascal zegt daarover dus: “Met hoeweinig hoogmoed ben je als christen verenigd met God.” Verenigd met God, niet omdat u en ik het zo goed doen, maar omdat God zich naar ons toe heeft gebogen en ons zijn Zoon en Geest heeft gegeven.

Psalm 8 is tenslotte een loflied niet op de mens, maar op God, hoe heerlijk is uw naam op heel de aarde, daar begint en eindigt het mee, daartussen gaat het dus over je als mens allemaal in je mars hebt, wat je kan bereiken, beheersen, bedenken.

Bijna goddelijk gemaakt, engelachtig, en engelachtig ben je dus als je gaat dienen, dat begint met de lofzang op God, het meedoen met de liturgie, in de kerk, thuis, Gods heerlijkheid is in heel de schepping aanwezig,

Ik maakte een wandeling in het bos en ik zag goudhaantjes, dat zijn de kleinste zangvogels die we in Nederland hebben, het was stil, ik stond daar en ze vlogen niet weg, in dat kleine wezentje zie je dan Gods grootheid.

Vind daar vreugde in, wees daar dankbaar voor, als je God daarvoor prijst, dan helpt dat ook om jezelf en je medemens en de natuur als Gods schepselen te zien.

De mens is bijna goddelijk gemaakt, dat heeft met je roeping te maken, het doel van je leven, en in het geloof is dat niet zoveel mogelijk eruit halen, je bucketlist afvinken, maar dienen. Zo te leven op jouw terrein, het stukje schepping dat aan jou is toevertrouwt, dat Gods aanwezigheid in deze wereld te voren komt.

Lof zij Christus in eeuwigheid. Amen

De wijsheid van een Kind

Hans Memling, Maria en kind, ca. 1479, bron metmuseum.org

Er is veel behoefte aan wijsheid in deze tijd. De wijsheid van deskundigen die ons een weg wijzen door de coronaperikelen. De wijsheid van bestuurders die maatregelen moeten nemen . De wijsheid van het personeel in verpleeginstellingen en ziekenhuizen die menselijke nabijheid en verstandig beleid moeten zien te combineren.

Bij wijsheid denken we al snel aan een oude vrouw of man, want verstand, zo wordt er gezegd, komt met de jaren en ik ben altijd weer onder de indruk van wat ik kan leren van de generaties voor mij.

Maar het bijbelboek Spreuken vergelijkt de wijsheid niet met een oude van dagen, maar met een kind. Een kind dat speelt voor Gods aangezicht. Al voordat de schepping begon…

30was Ik bij Hem, Zijn Lievelingskind,
Ik was dag aan dag  Zijn bron van blijdschap,
te allen tijde spelend voor Zijn aangezicht,
31al spelend in de wereld van Zijn aardrijk.
Mijn bron van blijdschap vond Ik bij de mensenkinderen. (Spreuken 8:30-31, HSV)

Van oudsher heeft de kerk dit gedeelte uit het Oude Testament gelezen en uitgelegd als een messiaanse tekst. In deze goddelijke wijsheid die als spelend kind altijd al bij God was, herkende men namelijk Jezus, Gods zoon die in Bethehem geboren wordt, liggende in de kribbe.

Denk bijvoorbeeld aan het bekende Kerstlied ‘kom verwondert u hier mensen’ met de prachtige regels: Zie hoe ligt hij hier in lijden/ zonder teken van verstand/ die de hemel moet verblijden/ die de kroon der wijsheid spant.

Wie had dit kunnen bedenken? Het is Gods wijsheid dat  dit pasgeboren kindje de uitvoerder is van het oorspronkelijke plan van de Allerhoogste om God met ons te zijn.

In de latijnse liturgie van de week voor Kerst klinkt er in het avondgebed steeds een antifoon (antwoordvers) bij de lofzang van Maria, waarin Christus wordt gebeden ter wereld te komen. De eerste van 7 aanspreektitels waarmee de komst van Christus wordt ingeleid is ‘Wijsheid’. Merk op dat deze wijsheid niets met opleidingsniveau te maken heeft, maar alles met mildheid en kracht.

O wijsheid, voortgekomen uit de mond van de Allerhoogste 
Gij omspant de wereld van het ene einde tot het andere 
Gij doordringt alle dingen met mildheid en kracht 
Kom nu en leer ons de wegen van wijsheid en inzicht.

De Duitse schrijfster Esther Maria Magnis die een boek heeft geschreven over de o-antifonen zegt: “De wijsheid die uit Gods mond voortkwam, die wij aanroepen in deze donkere dagen is jong, veel jonger dan wij zelf.”

Het spelen van een kind is een bron van inzicht, opvoeders en leraren kunnen daarover meepraten. De concentratie en aandacht waarmee een peuter of kleuter opgaat in zijn spel  is een ontroerend gezicht.

 Een van onze kinderen maakte graag muziek met zelfbedachte instrumenten en  we dachten er toen wijs aan te doen om een speelgoedgitaar voor hem te kopen, maar daar had hij totaal geen belangstelling voor. Het plezier zat juist in de fantasie om van niets iets te maken.

God  verliest zichzelf door spelenderwijs in ons midden te zijn. Uit niets weet de Schepper iets nieuws te maken.

Deze speelse en creatieve wijsheid wens ik je van harte toe voor het nieuwe jaar.

Bij Daniël 2: Martin Buber en het bezoek van de dominee

Martin Buber, bron: historiek.net

Deze weken geeft het leesrooster van de kerken de mogelijkheid om uit het boek Daniël te lezen. Daniël wordt in de christelijke canon tot de profeten gerekend, maar in de Hebreeuwse Bijbel hoort hij bij de wijsheidsgeschriften. Zijn boek mondt uit in een grootse geschiedenisvisie en heeft veel voeding gegeven aan latere apocalyptische ideeën. Daniël beschrijft de opkomst en ondergang van wereldrijken en dat wekt de indruk dat de loop van de geschiedenis door God is vastgelegd. Dat lijkt op determinisme en fatalisme, maar dat is juist niet de bedoeling van dit boek. Dit geschrift getuigt er juist van dat God werkt via de gaven van kennis, wijsheid en inzicht die hij aan mensen geef en dat een groepje van joodse ballingen die volharden in geloof en gebed het messiaanse steentje aan het rollen brengt dat de wereld verandert.

Een verhaal van Martin Buber zette mij aan het denken, hij is een van de grondleggers van het dialogische denken. Ik kwam het tegen in ‘kwaliteit van leven’, geschreven door Theo Witvliet,  een  boeiende introductie op het werk en leven van Martin Buber.

Het  verhaal ik kwestie komt uit Bubers autobiografische schetsen, memoires die hij in 1960 publiceerde, maar het speelt 45 jaar eerder.  De jonge joodse,  humanistisch georiënteerde, filosoof woonde toen in Berlijn  en  kreeg bezoek van een dominee. Buber ontving de dominee beleefd, zoals je dat doet met een dominee, en die predikant vertelde dat hij op basis van de voorspellingen in het Bijbelboek Daniël had berekend dat er een wereldoorlog zou uitbreken. Buber vertelt dat hij dat woord toen voor het eerst hoorde: ‘wereldoorlog’ en dat er een schok door hem heen ging.

Na het gesprek begeleidt Buber de dominee naar het station, zoals je dat doet met een dominee, die bij het afscheid zijn hand op Bubers schouder legt  en zegt: “Beste vriend. We leven in een grote tijd, zegt u mij gelooft u in God?”

Het duurt even voordat Buber de vraag heeft verwerkt. Dan stelt hij de dominee zo goed mogelijk gerust, zoals je doet met een dominee. Maar op de terugweg van het station bekruipt hem de twijfel. Heeft hij de waarheid gesproken? Lange tijd blijft hij staan op de hoek, hij wil niet verder gaan voordat hij antwoord heeft gevonden. Plotseling komt er een antwoord in hem op: hij bedenkt:

“De God die Daniël een zodanige voorkennis zou geven dat hij de gang der tijden kan voorspellen en bepaalt dat er nu een wereldoorlog komt is niet mijn God en is niet God. Maar de God tot wie Daniël in zijn lijden bidt, is de God van mij en de God van ons allemaal.”

Dit is een verhaal dat mij aan het denken zet en helpt om het boek Daniël goed te lezen. Daniël is een ziener, zijn boek loopt uit in een visie op de wereldgeschiedenis, het gaat over oorlogen, wereldoorlogen, de opkomst en ondergang van wereldrijken. En daar zou je voorspellingen aan kunnen koppelen, zoals die dominee deed, en die dominee had het ook nog goed gezien, er  brak in 1914 een wereldoorlog uit, de eerste, hij had de krant goed gelezen en de voortekenen begrepen.  Maar toch had Martin Buber meer gelijk toen hem inviel dat zo’n voorspelling met de God van Daniël weinig te maken heeft. Want de God van Daniël is de God van het gebed. Die je vanuit je ellende aanroept. De God met wie je in gesprek bent. De God die zelf contact zoekt en die je aanspreekt om je tot een verantwoordelijk mens te maken. Zo wordt de messiaanse beweging in gang gezet.

Theo Witvliet, kwaliteit van leven, het humanisme van Martin Buber, 2017

De gewonde levensboom #geendorhout

Olijfgaard, Vincent van Gogh, beeld: Kröller-Muller

Deze week was het 100 jaar geleden dat de dichter Willem Barnard werd geboren en 10 jaar geleden overleed hij. Toen er eens een buste van hem gebeeldhouwd werd, sprak hij over zijn eigen beeltenis als een sukkel op een sokkel.

Deze zondag lezen we in de kerk over de olijfboom uit Romeinen 11, Paulus schrijft daar over wortels en takken die worden afgebroken en weer vastgehecht. Zonder de liederen van Willem Barnard zou het vast een houterige preek geworden zijn. Een dorre boel.

Maar dankzij 2 gezangen over de levensboom die me te binnen schoten, allebei bleken ze dus van Barnard, ging de inspiratie toch stromen. Ten eerste lied 547: Met de boom des levens/ wegend op zijn rug, droeg de Here Jezus/ Gode goede vrucht.

En lied 841: Wat zijn de goede vruchten/ die groeien aan de Geest…  We zingen ook het derde couplet dat streng is en het geloof op scherp zet, maar in het vierde vers komt er weer leven in het dorre hout.

Daar gaat het over enten, een techniek die boomkwekers nog steeds gebruiken en die Paulus als beeldspraak gebruikt om aan te duiden dat de christenen die hij aanspreekt van nature niet tot de messiaanse stam behoren, maar daar vanwege Gods goedheid aan vastgehecht zijn .

Dat het kruis van Christus een bloeiende levensboom wordt, kom je vaak tegen in middeleeuwse kunst. Bijvoorbeeld in de dom van de Noordduitse stad Lübeck,  die ik deze vakantie bezocht.  Het kruis met de lijdende Heer is omgeven door organisch houtsnijwerk met takken die uitlopen in de figuren van profeten en apostelen. Het is de verdienste van Barnard dat hij deze geloofsverbanden die we door de beeldenstorm kwijt waren geraakt, terug heeft gebracht in ons protestantisme.

Triomfkruis in de dom van Lübeck, 1477

Wat ik ook nog ontdekte is dat de inkepingen waar de te enten takken in worden gestoken in de fruitteelt ‘wonden’ worden genoemd. En dat zijn het ook, de boom wordt verwond om de aangroei van andere takken mogelijk te maken. Zo ga ik de verering van de wonden van Christus, die ik altijd wat apart vond beter begrijpen. Doordat de messias zich liet verwonden, mag ik mij hechten aan de levensboom. #geendorhout.

Alle dingen nieuw

Jan van Eijk, zijpaneel van het Lam Gods, bron: artinflanders.be

In de vakantie heb ik een begin gemaakt in ‘alle dingen nieuw’  van Erik Borgman. Hij schrijft daarin dat hij zijn dominicaanse medebroeder Thomas van Aquino probeert te volgen  in het verwoorden van een theologische visie als ‘denkend inzicht in de betekenis en waarheid van het geloof’. Zoals Thomas in zijn tijd een nieuwe kijk op de christelijke traditie formuleerde, zo is het Borgmans inzet om dat voor zijn tijd te doen. Wat mij opvalt in dit eerste deel van zijn theologie is dat hij opkomt voor het goed recht van de theologie om daarbij te putten uit haar eigen bronnen. Het geloof hoeft zich niet te bewijzen tegenover andere instanties, wil alleen getuigen van de hoop die in haar is. Dit maakt zijn uitgangspunt vergelijbaar met dat van de protestantse theoloog Karl Barth.

Borgman laat in dit boek veel verschillende stemmen uit het verre en recente verleden aan het woord. Voor mij als protestant zitten daar nieuwe namen bij. Het is Borgmans intentie om net als zijn voorbeeld Thomas in gesprek te zijn met een veelheid aan geloofsgetuigen. Die veelstemmigheid hoort bij theologie en daarbij verwijst hij naar jazzmuziek om duidelijk te maken dat dit niet per se gemakkelijk in het gehoor ligt

In zijn theologie ‘bespiegelingen van Godt en Godsdienst’ volgde Vondel ook Thomas van Aquino. Uitgebreid berijmt hij de eigenschappen van God die Thomas noemt  en vervolgens maakt Vondel ook gebruik van een muzikale voorbeeld om duidelijk te maken dat we God door zijn scheppingswerk kunnen kennen. Hij vergelijkt de schepping met een stuk  orgelmuziek dat niet door toeval onstaat, maar door een intellect als  door Orlando Lassus is gecomponeerd en door een kundige organist zoals  Sweeling wordt gespeeld.

Wat goddelijcke galm zich spreidde in ieders oor,

En rolde in ’t hoogh gewelf, door kerk, kappel en koor;

Zoveele mengsels van registeren en klancken,

Waarvoor onze eeuwen noch Orlandoos zanglust danken;

Zou hij geloven dat geval die toonen mengt,

Als verwen ondereen, met kunst en geest gesprengt?

Zou hy gelooven dat die maetklanck en getalen

Die, weergalm, rijck van geest, in ’t volgen en herhaelen

Van hoogh en middelbaer en laegh en grof geluit,

Dan staetiger, dan wuft, dan lang, dan kort gestuit,

Zich zonder een vernuft ontvouden ongebonden

En niet door Sweelings hant en zijn doorluchte vonden?

Gewisselijck hij moest bekennen dat verstant

En hant die pijpen stelt en haere keelen spant. (Vondel, Bespiegelingen III 1195-1208)

Het bijzondere van Borgmans boek is dat hij denkers als Simone Weil en Edith Stein volop aan het woord laat als inspiratiebron, maar hun denken toch afzet en afgrenst tegen de thomistische theologie. Weil en Stein vertegenwoordigen  een mystiek die gebaseerd is op overgave, de sprong van het geloof. Voor hen verschijnt de  waarheid  als een negatief van de zichtbare wereld en Borgman heeft daar wel waardering voor, maar hij kiest voor een andere weg. Bij hem is geloof geen negatief, maar een andere belichting van de werkelijkheid: “we leren alles wat bestaat en alles wat er gebeurt in het te zien in het licht  van wat in geloof wordt gevat en geleefd: dat de God die liefde is, de grondslag is van alles wat bestaat, inclusief ons eigen bestaan hier en nu.”  

Borgman geeft toe dat dit wel heel vanzelfsprekend lijkt, inderdaad, hier kan toch geen gelovige het mee oneens zijn. Maar toch is er een verschil in visie en via een preek van Thomas over contemplatie legt hij dat uit.  “Anders dan Simone Weil en Edith Stein suggereren is het volgens Thomas niet door een act van volledige overgave en concentratie op God alleen, met uitsluiting van al het andere dat het innerlijke heiligdom van de ziel tot een plaats wordt waar Gods licht kan schijnen…” Met een beroep op Thomas verzet hij zich tegen een spiritualiteit die eenkennig is, een eentweetje tussen God en de ziel. De protestantse variant is het piëtisme, waarin de persoonlijke relatie met God een beleving wordt waarin de gelovige zich terugtrekt.

Toch wijkt Borgman ook af van zijn voorbeeld Thomas?  Het wereldbeeld van Thomas is harmonieus. Alles komt uit God voort en is op God gericht. In Vondels berijmingen klinkt het nog welluidender.   Borgman echter heeft, juist door de tegenstemmen die hij kiest, alle aandacht voor de dissonanten, God laat zich vinden in de marge, daar openbaart  zich de genade.

Het is interessant om Borgmans lezing van Thomas te vergelijken met wat Andreas Kinneging schrijft in ‘de onzichtbare maat’, een apologie van de christelijke traditie. Kinneging is vooral geïnteresseerd in de deugdenleer van Thomas, die wat hem betreft blijvende waarde heeft, omdat Thomas laat zien waarom die deugden, verstandigheid, rechtvaardigheid, zelfbeheersing en moed niet arbitrair zijn,  maar op waarheid gebaseerd zijn, er is een universele orde. Vervolgens komt Kinneging  op de 3 theologische deugden (van Paulus in 1 kor. 13): geloof, hoop en liefde, maar die komen er bij hem bekaaid van af, met name geloof en hoop. Dat heeft er mee te maken dat Kinneging bij alle waardering voor de christelijke traditie geloofsmatig een agnost is. Bij Borgman hebben we met God zelf te maken, ‘tot stervens toe afdalend in de door hem geschapen  wereld afdalend en er uit opstaand, in solidariteit met en met medeneming van al het andere dat ten onder lijkt te gaan’.

Treurdag

Boog van Titus in Rome, de voorwerpen uit de tempel, waaronder de kandelaar worden in triomf meegedragen

Het Jodendom gedenkt gedurende drie weken in de zomer de verwoesting van de tempel, zowel die van Salomo door Nebukadnezar, als de tweede tempel die in het jaar 70 door de Romeinse legioenen onder leiding van Titus met de grond werd gelijk gemaakt.  Vanaf de eerste bres in de stadsmuur van Jeruzalem tot de ontheiliging en verwoesting van de stad drie weken later. Op deze datum die  op de joodse kalender Tisja Beav heet (in 2020 29 juli), wordt er gevast en in de synagoge leest met het boek klaagliederen van Jeremia. Er wordt geen echter niet aan Tora-studie gedaan, want dat zou vreugde brengen en dit is een dag van rouw.

Over deze treurdag heeft Vondel een toneelstuk geschreven, ‘Jeruzalem verwoest’, op basis van het ooggetuigeverslag van Josephus. Het is een van Vondels vroegste werken, hij schreeft het in 1619 en qua thematiek is het een echt treurspel. Er is echter nauwelijks een plot, wat je bij Vondel vaker mist, er wordt weinig toneel ‘gespeeld’ en vooral (nogal wijdlopig) verteld.

De verwoesting van de stad wordt na afloop beschreven door Titus, Josephus en de andere betrokkenen. Dat zijn met name drie  reien (koren) van joodse vrouwen, kennelijk had Vondel beschikking over een overtal aan zangeressen. Een hoofdrol is er voor  dochter Sion, in Jesaja een metafoor voor de stad Jeruzelem, in het toneelstuk van Vondel een zelfstandig personage.

De enige handeling die feitelijk op het toneel plaats vindt is dat deze dochter Sion zich verstopt om te ontkomen aan de Romeinse gevangenis en slaverij. De dialoog die dan plaats vindt tussen de Romeinse generaal en de vrouwen die haar willen beschermen is het hoogtepunt van het werk. De emoties en over elkaar buitelende argumenten zijn prachtig verwoord. Zo smeken de vrouwen:

Wat is ’t dat u ontstelt. Wat is ’t dat gij begaet?

Waar eer is ’t dat ghy dees verdruckte vrouwen slaet?

Een troosteloozen hoop. Tert liever uws gelijcken.

Gaet uwen vyand toe zoo zal uw vroomheyd blijcken. (1851-1854)

Minder fraai zijn de anti-joodse uitspraken waar je bij Vondel niet om heen kan. Dat maakt dat je dit werk met verlegenheid leest en dat je het niet  zomaar op kan voeren. In zijn voordeel spreekt wel dat de joodse personages geen karikaturen zijn,  de sympathie ligt meer bij hen dan bij de romeinse tegenspelers. De wapenfeiten van de soldaten worden met ironie beschreven. Zo laat hij Titus zcih beroemen op het plegen van oorlogsmisdaden. Voor Vondel is het platbranden van  de heilige stad allesbehalve een heldendaad.

Laat tuygen van mijn deugd de opgegraven straten

Laat tuygen van mijn deugd de roof van mijn soldaten etc (263-264)

Vondel schreef dit werk in 1619, het jaar van de synode van Dordrecht, toen de contraremonstranten met behulp van legerleider Maurits de strijd wonnen. Ik vermoed dat de gelofte die prins Titus doet om in Rome een offer te brengen een impliciete kritiek is op stadhouder  Maurits die partij had gekozen in het debat en de beslissing met geweld afdwong door Johan van Oldenbarnevelt vast te zetten. Vondel was van mening dat de strenge calvinisten het noodlot vereerden en dat laat hij merken in een (expres?) cryptische passage.

En wordt geliefkoost van het noodloth allerdingen:

En dreight ten Hemel met opsteygren in te dringen.

Die Godheyd, door wiens gunst ons jonge manschap rypt,

Die onze speeren smeert, ons stalen degens slypt, (487-490)

Vondel treurt in ‘Jeruzalem verwoest’ echt om de verwoesting van de stad, ook al is het aardse Jeruzalem in zijn optiek slechts een schaduw van het hemelse . Hij is werkelijk begaan met het lot van de vrouwen die als sexslaaf van hun veroveraars moeten gaan dienen.

Zijn anti-joodse uitspraken zijn vooral theologisch. Maakt dat ze minder gevaarlijk? Vondels uitleg is dat de verwoesting een goddelijke wraak is voor de dood van Christus. Deze gedachte vindt geen steun in het Nieuwe Testament, maar was helaas een vast item geworden in de christelijke polemiek. Wat je bij Vondel gelukkig niet tegenkomt is de idee dat joodse tijdgenoten hiervoor zouden moeten boeten, wel roept hij hen op zich tot Christus te bekeren.  Zou Vondel het mogelijk geacht hebben dat leden van de toenmalige synagoge in Amsterdam zijn ‘Jeruzalem verwoest’ zouden lezen? Wat zou ik graag geloven dat Vondel als lid van de doopsgezinde gemeenschap  sympahtie heeft gehad voor een andere religieuze minderheid, maar eigenlijk is daar geen aanwijzing voor. Ook dat is betreurenswaardig.