De wijsheid van een Kind

Hans Memling, Maria en kind, ca. 1479, bron metmuseum.org

Er is veel behoefte aan wijsheid in deze tijd. De wijsheid van deskundigen die ons een weg wijzen door de coronaperikelen. De wijsheid van bestuurders die maatregelen moeten nemen . De wijsheid van het personeel in verpleeginstellingen en ziekenhuizen die menselijke nabijheid en verstandig beleid moeten zien te combineren.

Bij wijsheid denken we al snel aan een oude vrouw of man, want verstand, zo wordt er gezegd, komt met de jaren en ik ben altijd weer onder de indruk van wat ik kan leren van de generaties voor mij.

Maar het bijbelboek Spreuken vergelijkt de wijsheid niet met een oude van dagen, maar met een kind. Een kind dat speelt voor Gods aangezicht. Al voordat de schepping begon…

30was Ik bij Hem, Zijn Lievelingskind,
Ik was dag aan dag  Zijn bron van blijdschap,
te allen tijde spelend voor Zijn aangezicht,
31al spelend in de wereld van Zijn aardrijk.
Mijn bron van blijdschap vond Ik bij de mensenkinderen. (Spreuken 8:30-31, HSV)

Van oudsher heeft de kerk dit gedeelte uit het Oude Testament gelezen en uitgelegd als een messiaanse tekst. In deze goddelijke wijsheid die als spelend kind altijd al bij God was, herkende men namelijk Jezus, Gods zoon die in Bethehem geboren wordt, liggende in de kribbe.

Denk bijvoorbeeld aan het bekende Kerstlied ‘kom verwondert u hier mensen’ met de prachtige regels: Zie hoe ligt hij hier in lijden/ zonder teken van verstand/ die de hemel moet verblijden/ die de kroon der wijsheid spant.

Wie had dit kunnen bedenken? Het is Gods wijsheid dat  dit pasgeboren kindje de uitvoerder is van het oorspronkelijke plan van de Allerhoogste om God met ons te zijn.

In de latijnse liturgie van de week voor Kerst klinkt er in het avondgebed steeds een antifoon (antwoordvers) bij de lofzang van Maria, waarin Christus wordt gebeden ter wereld te komen. De eerste van 7 aanspreektitels waarmee de komst van Christus wordt ingeleid is ‘Wijsheid’. Merk op dat deze wijsheid niets met opleidingsniveau te maken heeft, maar alles met mildheid en kracht.

O wijsheid, voortgekomen uit de mond van de Allerhoogste 
Gij omspant de wereld van het ene einde tot het andere 
Gij doordringt alle dingen met mildheid en kracht 
Kom nu en leer ons de wegen van wijsheid en inzicht.

De Duitse schrijfster Esther Maria Magnis die een boek heeft geschreven over de o-antifonen zegt: “De wijsheid die uit Gods mond voortkwam, die wij aanroepen in deze donkere dagen is jong, veel jonger dan wij zelf.”

Het spelen van een kind is een bron van inzicht, opvoeders en leraren kunnen daarover meepraten. De concentratie en aandacht waarmee een peuter of kleuter opgaat in zijn spel  is een ontroerend gezicht.

 Een van onze kinderen maakte graag muziek met zelfbedachte instrumenten en  we dachten er toen wijs aan te doen om een speelgoedgitaar voor hem te kopen, maar daar had hij totaal geen belangstelling voor. Het plezier zat juist in de fantasie om van niets iets te maken.

God  verliest zichzelf door spelenderwijs in ons midden te zijn. Uit niets weet de Schepper iets nieuws te maken.

Deze speelse en creatieve wijsheid wens ik je van harte toe voor het nieuwe jaar.

Bij Daniël 2: Martin Buber en het bezoek van de dominee

Martin Buber, bron: historiek.net

Deze weken geeft het leesrooster van de kerken de mogelijkheid om uit het boek Daniël te lezen. Daniël wordt in de christelijke canon tot de profeten gerekend, maar in de Hebreeuwse Bijbel hoort hij bij de wijsheidsgeschriften. Zijn boek mondt uit in een grootse geschiedenisvisie en heeft veel voeding gegeven aan latere apocalyptische ideeën. Daniël beschrijft de opkomst en ondergang van wereldrijken en dat wekt de indruk dat de loop van de geschiedenis door God is vastgelegd. Dat lijkt op determinisme en fatalisme, maar dat is juist niet de bedoeling van dit boek. Dit geschrift getuigt er juist van dat God werkt via de gaven van kennis, wijsheid en inzicht die hij aan mensen geef en dat een groepje van joodse ballingen die volharden in geloof en gebed het messiaanse steentje aan het rollen brengt dat de wereld verandert.

Een verhaal van Martin Buber zette mij aan het denken, hij is een van de grondleggers van het dialogische denken. Ik kwam het tegen in ‘kwaliteit van leven’, geschreven door Theo Witvliet,  een  boeiende introductie op het werk en leven van Martin Buber.

Het  verhaal ik kwestie komt uit Bubers autobiografische schetsen, memoires die hij in 1960 publiceerde, maar het speelt 45 jaar eerder.  De jonge joodse,  humanistisch georiënteerde, filosoof woonde toen in Berlijn  en  kreeg bezoek van een dominee. Buber ontving de dominee beleefd, zoals je dat doet met een dominee, en die predikant vertelde dat hij op basis van de voorspellingen in het Bijbelboek Daniël had berekend dat er een wereldoorlog zou uitbreken. Buber vertelt dat hij dat woord toen voor het eerst hoorde: ‘wereldoorlog’ en dat er een schok door hem heen ging.

Na het gesprek begeleidt Buber de dominee naar het station, zoals je dat doet met een dominee, die bij het afscheid zijn hand op Bubers schouder legt  en zegt: “Beste vriend. We leven in een grote tijd, zegt u mij gelooft u in God?”

Het duurt even voordat Buber de vraag heeft verwerkt. Dan stelt hij de dominee zo goed mogelijk gerust, zoals je doet met een dominee. Maar op de terugweg van het station bekruipt hem de twijfel. Heeft hij de waarheid gesproken? Lange tijd blijft hij staan op de hoek, hij wil niet verder gaan voordat hij antwoord heeft gevonden. Plotseling komt er een antwoord in hem op: hij bedenkt:

“De God die Daniël een zodanige voorkennis zou geven dat hij de gang der tijden kan voorspellen en bepaalt dat er nu een wereldoorlog komt is niet mijn God en is niet God. Maar de God tot wie Daniël in zijn lijden bidt, is de God van mij en de God van ons allemaal.”

Dit is een verhaal dat mij aan het denken zet en helpt om het boek Daniël goed te lezen. Daniël is een ziener, zijn boek loopt uit in een visie op de wereldgeschiedenis, het gaat over oorlogen, wereldoorlogen, de opkomst en ondergang van wereldrijken. En daar zou je voorspellingen aan kunnen koppelen, zoals die dominee deed, en die dominee had het ook nog goed gezien, er  brak in 1914 een wereldoorlog uit, de eerste, hij had de krant goed gelezen en de voortekenen begrepen.  Maar toch had Martin Buber meer gelijk toen hem inviel dat zo’n voorspelling met de God van Daniël weinig te maken heeft. Want de God van Daniël is de God van het gebed. Die je vanuit je ellende aanroept. De God met wie je in gesprek bent. De God die zelf contact zoekt en die je aanspreekt om je tot een verantwoordelijk mens te maken. Zo wordt de messiaanse beweging in gang gezet.

Theo Witvliet, kwaliteit van leven, het humanisme van Martin Buber, 2017

De gewonde levensboom #geendorhout

Olijfgaard, Vincent van Gogh, beeld: Kröller-Muller

Deze week was het 100 jaar geleden dat de dichter Willem Barnard werd geboren en 10 jaar geleden overleed hij. Toen er eens een buste van hem gebeeldhouwd werd, sprak hij over zijn eigen beeltenis als een sukkel op een sokkel.

Deze zondag lezen we in de kerk over de olijfboom uit Romeinen 11, Paulus schrijft daar over wortels en takken die worden afgebroken en weer vastgehecht. Zonder de liederen van Willem Barnard zou het vast een houterige preek geworden zijn. Een dorre boel.

Maar dankzij 2 gezangen over de levensboom die me te binnen schoten, allebei bleken ze dus van Barnard, ging de inspiratie toch stromen. Ten eerste lied 547: Met de boom des levens/ wegend op zijn rug, droeg de Here Jezus/ Gode goede vrucht.

En lied 841: Wat zijn de goede vruchten/ die groeien aan de Geest…  We zingen ook het derde couplet dat streng is en het geloof op scherp zet, maar in het vierde vers komt er weer leven in het dorre hout.

Daar gaat het over enten, een techniek die boomkwekers nog steeds gebruiken en die Paulus als beeldspraak gebruikt om aan te duiden dat de christenen die hij aanspreekt van nature niet tot de messiaanse stam behoren, maar daar vanwege Gods goedheid aan vastgehecht zijn .

Dat het kruis van Christus een bloeiende levensboom wordt, kom je vaak tegen in middeleeuwse kunst. Bijvoorbeeld in de dom van de Noordduitse stad Lübeck,  die ik deze vakantie bezocht.  Het kruis met de lijdende Heer is omgeven door organisch houtsnijwerk met takken die uitlopen in de figuren van profeten en apostelen. Het is de verdienste van Barnard dat hij deze geloofsverbanden die we door de beeldenstorm kwijt waren geraakt, terug heeft gebracht in ons protestantisme.

Triomfkruis in de dom van Lübeck, 1477

Wat ik ook nog ontdekte is dat de inkepingen waar de te enten takken in worden gestoken in de fruitteelt ‘wonden’ worden genoemd. En dat zijn het ook, de boom wordt verwond om de aangroei van andere takken mogelijk te maken. Zo ga ik de verering van de wonden van Christus, die ik altijd wat apart vond beter begrijpen. Doordat de messias zich liet verwonden, mag ik mij hechten aan de levensboom. #geendorhout.

Alle dingen nieuw

Jan van Eijk, zijpaneel van het Lam Gods, bron: artinflanders.be

In de vakantie heb ik een begin gemaakt in ‘alle dingen nieuw’  van Erik Borgman. Hij schrijft daarin dat hij zijn dominicaanse medebroeder Thomas van Aquino probeert te volgen  in het verwoorden van een theologische visie als ‘denkend inzicht in de betekenis en waarheid van het geloof’. Zoals Thomas in zijn tijd een nieuwe kijk op de christelijke traditie formuleerde, zo is het Borgmans inzet om dat voor zijn tijd te doen. Wat mij opvalt in dit eerste deel van zijn theologie is dat hij opkomt voor het goed recht van de theologie om daarbij te putten uit haar eigen bronnen. Het geloof hoeft zich niet te bewijzen tegenover andere instanties, wil alleen getuigen van de hoop die in haar is. Dit maakt zijn uitgangspunt vergelijbaar met dat van de protestantse theoloog Karl Barth.

Borgman laat in dit boek veel verschillende stemmen uit het verre en recente verleden aan het woord. Voor mij als protestant zitten daar nieuwe namen bij. Het is Borgmans intentie om net als zijn voorbeeld Thomas in gesprek te zijn met een veelheid aan geloofsgetuigen. Die veelstemmigheid hoort bij theologie en daarbij verwijst hij naar jazzmuziek om duidelijk te maken dat dit niet per se gemakkelijk in het gehoor ligt

In zijn theologie ‘bespiegelingen van Godt en Godsdienst’ volgde Vondel ook Thomas van Aquino. Uitgebreid berijmt hij de eigenschappen van God die Thomas noemt  en vervolgens maakt Vondel ook gebruik van een muzikale voorbeeld om duidelijk te maken dat we God door zijn scheppingswerk kunnen kennen. Hij vergelijkt de schepping met een stuk  orgelmuziek dat niet door toeval onstaat, maar door een intellect als  door Orlando Lassus is gecomponeerd en door een kundige organist zoals  Sweeling wordt gespeeld.

Wat goddelijcke galm zich spreidde in ieders oor,

En rolde in ’t hoogh gewelf, door kerk, kappel en koor;

Zoveele mengsels van registeren en klancken,

Waarvoor onze eeuwen noch Orlandoos zanglust danken;

Zou hij geloven dat geval die toonen mengt,

Als verwen ondereen, met kunst en geest gesprengt?

Zou hy gelooven dat die maetklanck en getalen

Die, weergalm, rijck van geest, in ’t volgen en herhaelen

Van hoogh en middelbaer en laegh en grof geluit,

Dan staetiger, dan wuft, dan lang, dan kort gestuit,

Zich zonder een vernuft ontvouden ongebonden

En niet door Sweelings hant en zijn doorluchte vonden?

Gewisselijck hij moest bekennen dat verstant

En hant die pijpen stelt en haere keelen spant. (Vondel, Bespiegelingen III 1195-1208)

Het bijzondere van Borgmans boek is dat hij denkers als Simone Weil en Edith Stein volop aan het woord laat als inspiratiebron, maar hun denken toch afzet en afgrenst tegen de thomistische theologie. Weil en Stein vertegenwoordigen  een mystiek die gebaseerd is op overgave, de sprong van het geloof. Voor hen verschijnt de  waarheid  als een negatief van de zichtbare wereld en Borgman heeft daar wel waardering voor, maar hij kiest voor een andere weg. Bij hem is geloof geen negatief, maar een andere belichting van de werkelijkheid: “we leren alles wat bestaat en alles wat er gebeurt in het te zien in het licht  van wat in geloof wordt gevat en geleefd: dat de God die liefde is, de grondslag is van alles wat bestaat, inclusief ons eigen bestaan hier en nu.”  

Borgman geeft toe dat dit wel heel vanzelfsprekend lijkt, inderdaad, hier kan toch geen gelovige het mee oneens zijn. Maar toch is er een verschil in visie en via een preek van Thomas over contemplatie legt hij dat uit.  “Anders dan Simone Weil en Edith Stein suggereren is het volgens Thomas niet door een act van volledige overgave en concentratie op God alleen, met uitsluiting van al het andere dat het innerlijke heiligdom van de ziel tot een plaats wordt waar Gods licht kan schijnen…” Met een beroep op Thomas verzet hij zich tegen een spiritualiteit die eenkennig is, een eentweetje tussen God en de ziel. De protestantse variant is het piëtisme, waarin de persoonlijke relatie met God een beleving wordt waarin de gelovige zich terugtrekt.

Toch wijkt Borgman ook af van zijn voorbeeld Thomas?  Het wereldbeeld van Thomas is harmonieus. Alles komt uit God voort en is op God gericht. In Vondels berijmingen klinkt het nog welluidender.   Borgman echter heeft, juist door de tegenstemmen die hij kiest, alle aandacht voor de dissonanten, God laat zich vinden in de marge, daar openbaart  zich de genade.

Het is interessant om Borgmans lezing van Thomas te vergelijken met wat Andreas Kinneging schrijft in ‘de onzichtbare maat’, een apologie van de christelijke traditie. Kinneging is vooral geïnteresseerd in de deugdenleer van Thomas, die wat hem betreft blijvende waarde heeft, omdat Thomas laat zien waarom die deugden, verstandigheid, rechtvaardigheid, zelfbeheersing en moed niet arbitrair zijn,  maar op waarheid gebaseerd zijn, er is een universele orde. Vervolgens komt Kinneging  op de 3 theologische deugden (van Paulus in 1 kor. 13): geloof, hoop en liefde, maar die komen er bij hem bekaaid van af, met name geloof en hoop. Dat heeft er mee te maken dat Kinneging bij alle waardering voor de christelijke traditie geloofsmatig een agnost is. Bij Borgman hebben we met God zelf te maken, ‘tot stervens toe afdalend in de door hem geschapen  wereld afdalend en er uit opstaand, in solidariteit met en met medeneming van al het andere dat ten onder lijkt te gaan’.

Treurdag

Boog van Titus in Rome, de voorwerpen uit de tempel, waaronder de kandelaar worden in triomf meegedragen

Het Jodendom gedenkt gedurende drie weken in de zomer de verwoesting van de tempel, zowel die van Salomo door Nebukadnezar, als de tweede tempel die in het jaar 70 door de Romeinse legioenen onder leiding van Titus met de grond werd gelijk gemaakt.  Vanaf de eerste bres in de stadsmuur van Jeruzalem tot de ontheiliging en verwoesting van de stad drie weken later. Op deze datum die  op de joodse kalender Tisja Beav heet (in 2020 29 juli), wordt er gevast en in de synagoge leest met het boek klaagliederen van Jeremia. Er wordt geen echter niet aan Tora-studie gedaan, want dat zou vreugde brengen en dit is een dag van rouw.

Over deze treurdag heeft Vondel een toneelstuk geschreven, ‘Jeruzalem verwoest’, op basis van het ooggetuigeverslag van Josephus. Het is een van Vondels vroegste werken, hij schreeft het in 1619 en qua thematiek is het een echt treurspel. Er is echter nauwelijks een plot, wat je bij Vondel vaker mist, er wordt weinig toneel ‘gespeeld’ en vooral (nogal wijdlopig) verteld.

De verwoesting van de stad wordt na afloop beschreven door Titus, Josephus en de andere betrokkenen. Dat zijn met name drie  reien (koren) van joodse vrouwen, kennelijk had Vondel beschikking over een overtal aan zangeressen. Een hoofdrol is er voor  dochter Sion, in Jesaja een metafoor voor de stad Jeruzelem, in het toneelstuk van Vondel een zelfstandig personage.

De enige handeling die feitelijk op het toneel plaats vindt is dat deze dochter Sion zich verstopt om te ontkomen aan de Romeinse gevangenis en slaverij. De dialoog die dan plaats vindt tussen de Romeinse generaal en de vrouwen die haar willen beschermen is het hoogtepunt van het werk. De emoties en over elkaar buitelende argumenten zijn prachtig verwoord. Zo smeken de vrouwen:

Wat is ’t dat u ontstelt. Wat is ’t dat gij begaet?

Waar eer is ’t dat ghy dees verdruckte vrouwen slaet?

Een troosteloozen hoop. Tert liever uws gelijcken.

Gaet uwen vyand toe zoo zal uw vroomheyd blijcken. (1851-1854)

Minder fraai zijn de anti-joodse uitspraken waar je bij Vondel niet om heen kan. Dat maakt dat je dit werk met verlegenheid leest en dat je het niet  zomaar op kan voeren. In zijn voordeel spreekt wel dat de joodse personages geen karikaturen zijn,  de sympathie ligt meer bij hen dan bij de romeinse tegenspelers. De wapenfeiten van de soldaten worden met ironie beschreven. Zo laat hij Titus zcih beroemen op het plegen van oorlogsmisdaden. Voor Vondel is het platbranden van  de heilige stad allesbehalve een heldendaad.

Laat tuygen van mijn deugd de opgegraven straten

Laat tuygen van mijn deugd de roof van mijn soldaten etc (263-264)

Vondel schreef dit werk in 1619, het jaar van de synode van Dordrecht, toen de contraremonstranten met behulp van legerleider Maurits de strijd wonnen. Ik vermoed dat de gelofte die prins Titus doet om in Rome een offer te brengen een impliciete kritiek is op stadhouder  Maurits die partij had gekozen in het debat en de beslissing met geweld afdwong door Johan van Oldenbarnevelt vast te zetten. Vondel was van mening dat de strenge calvinisten het noodlot vereerden en dat laat hij merken in een (expres?) cryptische passage.

En wordt geliefkoost van het noodloth allerdingen:

En dreight ten Hemel met opsteygren in te dringen.

Die Godheyd, door wiens gunst ons jonge manschap rypt,

Die onze speeren smeert, ons stalen degens slypt, (487-490)

Vondel treurt in ‘Jeruzalem verwoest’ echt om de verwoesting van de stad, ook al is het aardse Jeruzalem in zijn optiek slechts een schaduw van het hemelse . Hij is werkelijk begaan met het lot van de vrouwen die als sexslaaf van hun veroveraars moeten gaan dienen.

Zijn anti-joodse uitspraken zijn vooral theologisch. Maakt dat ze minder gevaarlijk? Vondels uitleg is dat de verwoesting een goddelijke wraak is voor de dood van Christus. Deze gedachte vindt geen steun in het Nieuwe Testament, maar was helaas een vast item geworden in de christelijke polemiek. Wat je bij Vondel gelukkig niet tegenkomt is de idee dat joodse tijdgenoten hiervoor zouden moeten boeten, wel roept hij hen op zich tot Christus te bekeren.  Zou Vondel het mogelijk geacht hebben dat leden van de toenmalige synagoge in Amsterdam zijn ‘Jeruzalem verwoest’ zouden lezen? Wat zou ik graag geloven dat Vondel als lid van de doopsgezinde gemeenschap  sympahtie heeft gehad voor een andere religieuze minderheid, maar eigenlijk is daar geen aanwijzing voor. Ook dat is betreurenswaardig.

Nabijheid

Vincent van Gogh- de Barmhartige Samaritaan

Toen sprak de Heer: ‘Er is een plaats op de rots waar je dichtbij mij kunt komen staan.’(Exodus 33:21)

Het mooiste wat je iemand kan toewensen is misschien wel de nabijheid van God. Iemand zou daarop de vraag kunnen stellen: ‘Wat bedoel je daar nu precies mee, ik voel het wel ongeveer aan, maar wat ervaar je dan?’ Daarover gaat het als Mozes de berg opgaat om de Heer te ontmoeten.

Als God in Exodus neerdaalt op de berg Sinaï, het Pinksterverhaal van het Oude Testament, dan gaat het eerst over afstand houden, het volk Israël moet eerbiedige afstand houden tot de berg, God sluit dan een verbond met zijn volk.

Daar kunnen we ons in deze tijd iets bij voorstellen, dat je ondanks dat je niet bij elkaar kunt komen toch verbonden bent. Zo ervaren we momenteel onze kerkdiensten, zo ervaar je het als je gebeld wordt, als je een lief berichtje krijgt.

Toch blijf je iets missen. Het echte contact, de spontane aanraking, de daadwerkelijke nabijheid van vrienden, even bij iemand langsgaan, het elkaar ontmoeten in de kerk. Daar kan geen videoverbinding tegen op. Denk aan de uitspraak van Jezus: Waar 2 of 3 in mijn naam verenigd zijn ben ik in hun midden.

Je mist het contact, met een mooi woord wordt dat wel ‘huidhonger’ genoemd of ‘aanrakingsverlangen’. Van Jezus wordt een aantal keren gezegd dat hij mensen aanraakte, juist degenen  waar iedereen met een boog van anderhalve meter of meer om heen ging, omdat ze melaats waren of ziek of onrein. En hij voelde het ook als hijzelf werd aangeraakt.

Ik  merk ook aan mezelf dat ik door gebrek aan persoonlijk contact uit mijn doen raak, eerst dacht ik dat ik daar wel tegen kon en wat extra ruimte voor mezelf  wel prettig vond, maar steeds sterker besef ik dat je de nabijheid van je naaste niet kunt missen. Niet dat ik iedereen een hug wil geven,  maar het raakt je als je nooit wordt aangeraakt.

God vraagt Mozes een aantal keer om de berg op te komen, ze zijn vertrouwelijk met elkaar in gesprek. Dan vraagt Mozes of hij de heerlijkheid van de Heer mag zien. Een gewaagd verzoek, maar  God gaat daarin mee. Hij zegt:  “Je kunt mijn gezicht niet zien, dat kan geen mens, maar je zult wel mijn nabijheid ervaren. Ik ga bij je langs en Ik bescherm je met de binnenkant van mijn hand.”

Kun jij dat nu ook ervaren, de nabijheid van God?  Niet iedereen heeft natuurlijk zo’n ervaring als Mozes. Maar je hebt ergens wel hetzelfde aanrakingsverlangen, dezelfde behoefte aan nabijheid.

 In de zegenbede van de kerk, vaak aan het einde van de dienst, zegent de predikant de gemeente met de gemeenschap van de Heilige Geest, dat is de nabijheid van God door zijn geest. Ik geloof dat die kracht van God dan met ons en in ons is, dichtbij aanwezig. Dat is Pinksteren.

ook verschenen als meditatie in Contactruimte, kerkblad van de Protestantse Gemeente Fijnaart, Heijningen en Standdaarbuiten

Wat is vrijheid?

Rembrandt, Mozes verbrijzelt de tafelen der wet, bron: statenvertaling.net

Het zal deze meimaand goed merkbaar zijn dat we 75 jaar bevrijding moeten vieren ten tijde van een lock down (een goede nederlandse term ben ik nog niet tegengekomen). Herdenkingen en festiviteiten kunnen niet doorgaan of alleen via tv en internet. Het is stil op straat, velen zitten min of meer gedwongen thuis.  Het lijkt wel oorlog was een gedachte die opkwam, maar dat gaat te ver, want toen werden Joden, onderduikers en verzetsstrijders met voorbedachte rade onderdrukt  en vermoord.

Toch, we voelen nu aan den lijve wat het is om min of meer opgesloten te zitten, we zijn minder vrij dan anders in onze bewegingsmogelijkheden, we ervaren onzekerheid die beklemmend is. Het virus benauwt ons. In de Bijbel, met name in de Psalmen is benauwdheid een term die vaak wordt gebruikt om angst en onzekerheid uit te drukken, lichamelijk en geestelijk word je in het nauw gedreven.

Dit jaar werd in de periode voor en na Pasen in veel kerken uit het Bijbelboek Exodus gelezen. Dat heeft een dubbele reden. Ten eerste omdat Pasen en Pinksteren hun oorsprong hebben in Exodus. Ten tweede omdat het thema van dit Bijbelboek bevrijding is. En die bevrijding heeft 2 kanten, ook nu. Het is enerzijds bevrijding uit de slavernij, uit de ellende en de benauwdhed van het angstland Egypte, dat gedenken we. En het is anderzijds bevrijd worden om op weg te gaan naar het beloofde land, om verantwoordelijkheid te dragen. Er is dus a:de bevrijding uit die wordt herinnerd en herdacht, en er is b: de  roeping en het perspectief van de bevrijding tot.. Vandaar de 10 geboden en andere leefregels die het volk via Mozes ontvangt. De Israëlieten worden verbondspartner van God en dankzij Jezus geldt dat ook voor ons christenen.

Veel inspiratie heb ik opgedaan in het boek van de Engelse rabbijn Jonathan Sacks: ‘Exodus, boek van de bevrijding’.  Hij laat zien dat in de weg van Mozes en het volk Israël steeds die beide kanten van bevrijding aanwezig zijn. God openbaart zich als ‘Ik Zal Er Zijn’, (andere vertalingen: de Ene, de Eeuwige)  en tegelijkertijd leert het volk wat hun eigen rol is in Gods bevrijdingswerk. Zo zijn er 2 beschrijvingen van veldslagen, de eerste keer, tegen de Farao, strijdt de Ene voor het volk, de tweede keer, tegen de Amalekieten, moeten ze, met Gods hulp, zelf vechten. En de eerste keer schrijft God de 10 geboden op de stenen tafelen, de tweede keer moet Mozes dat doen en is er dus menselijke inbreng.

Ook bij de bouw van de tabernakel, de draagbare tempel oftewel ontmoetingstent in de woestijn,  speelt iets dergelijks. Wie dat gedeelte leest vraagt zich vast af waarom dit zo uitgebreid en, eerlijk gezegd, langdradig wordt beschreven. En bovendien 2 keer. Eerst vertelt God hoe het moet gebeuren (hoofdstuk 25-30) en daarna hoe het volk het uitvoert (35-40).  Daartussen wordt de geschiedenis met het gouden kalf verteld.  De reden daarvoor is dat God, ook als wij onwillig zijn, er voor kiest  om met zijn volk mee te gaan en in ons midden te wonen.  En dat vervolgens aan ons gevraagd wordt om daar uitvoering en medewerking aan te geven.

De tabernakel staat daarbij model voor een vrije en open samenleving. In deze ‘coronatijd’ staan we opnieuw voor de uitdaging om die op te bouwen en in te richten. Een heel werk dat veel uithoudingsvermogen vraagt. Dat de Eeuwige daarin bij ons zal zijn en wij zijn bondgenoten.

(ook gepubliceerd in contactruimte, kerkblad van de Protestantse Gemeente Fijnaart, Heijningen en Standdaarbuiten)

Goede Vrijdag

Isenheimer Altaar, bron: Statenvertaling.net

Goede Vrijdag

Vondel publiceerde in 1660 een tweeluik over het bijbelse koningsdrama van David en diens opstandige zoon Absalom. ‘David in Ballingschap’ en ‘Koning David hersteld’.  In zijn biografie  stelt Piet Calis dat Vondel hier het tragische conflict met zijn weerspannige zoon  Joost jr.  verwerkte, die vanwege hoge schulden naar Indië afreisde en tijdens de scheepsreis stierf. Hij zal zich hebben kunnen inleven in het verdriet van David die weende toen hij het bericht van Absaloms dood vernam: “Mijn zoon Absalom, Absalom, mijn zoon, mijn zoon.”

In het toneelstuk  brengt Joab de tijding aan David dat hij Absalom gedood heeft toen die op de vlucht met zijn haren aan een boom bleef hangen  en Joab rechtvaardigt zijn daad dan alsvolgt:

De wet vervloeckt ze, die aen ’t hout ter straffe hangen:

Zo most hy aen een’  boom verdiende straf ontfangen,

Vondel  maakt hier een toespeling op de dood van Gods Zoon op Goede Vrijdag en dan met name de betekenis die de apostel Paulus er aan geeft in zijn brief aan de Galaten:

“Christus heeft ons vrijgekocht uit de vloek der wet door voor ons een vloek te worden omdat geschreven  staat: vervloekt is al wie hangt aan een stuk hout.”  (Galaten 3:13)

Paulus op zijn beurt citeert hier de Tora, namelijk Deuteronomium 21:23

Wanneer iemand  een zonde begaat, waarop de doodstraf staat en hij wordt ter dood gebracht  en gij hangt hem aan een paal (het hout), dan zal zijn lijk niet gedurende de nacht niet aan de paal (het hout) bljven, maar gij zult hem dezelfde dag nog begraven, want een gehange is een vloek van God.

In het pas verschenen boek ‘Parabels’ kom ik een rabbijnse midrash tegen bij deze tekst: Rabbi Meïr zei: wat bedoelt de Schrift met ‘een gehangene is door God vervloekt?’ Het lijkt op 2 tweelingbroers die erg op elkaar leken. Eén werd koning van de hele wereld en de ander wendde zich tot roverij. Na een tijdje werd degene die rover was geworden gevangengenomen en men kruisigde hem aan een paal. En ieder die voorbij kwam en even ging zitten zei: Het lijkt er wel op dat de koning is gekruisigd! Zo ook is gezegd: ‘Want een gehangene is door God vervloekt.’ (Tosefta Sanhedrin 9:7, vertaling Eric Ottenheijm) [1]

De tekst in de Tora stelt dat een ter dood veroordeelde voor zonsondergang begraven moet worden. Hij krijgt ondanks het misdrijf waarvoor hij is gestraft een behoorlijke begrafenis.  Wat niet vanzelf sprak. In de tijd van Vondel moesten de familieleden van de Johan en Cornelis de Witt de twee gelynchte broers ’s nachts van het hout halen om ze te kunnen begraven.

Volgens de Tora maak het laten hangen van een misdadiger het land onrein, want een gehangene is een vloek van God.  Paulus past deze tekst op Christus toe, nogal gewaagd. Door aan het kruishout te sterven heeft Jezus onze vloek op zich genomen.

De midrash van rabbi Meïr opent nog een mogelijkheid, de rabbijnen probeerden in hun teksten de doodstraf te vermijden en het Romeinse gebruik om opstandelingen en weggelopen slaven te kruisigen zagen ze als inhumaan. Met zijn gelijkenis  laat rabbi Meïr zien dat marteling mensonwaardig is. De vloek van God wordt in zijn korte vertelling een genitivus subjectivus. Met de kruisiging van deze koningszoon wordt God zelf vervloekt en onteerd.

Goede Vrijdag. Het lijkt er wel op dat de koning is gekruisigd.


[1] Eric Ottenheijm en Martijn Stoutjesdijk (redactie), Parabels, onderricht van Jezus en de Rabbijnen, p. 193

Geluk

Thomas van Aquino omringd door engelen- Diego Velázquez, bron: historiek.net

De bergrede van Jezus in het Matteusevangelie opent met  de zaligsprekingen: Zalig de armen van Geest, want  hunner is het Koninkrijk der hemelen etc. In totaal 9 spreuken waarin Christus  de minderbedeelden een hart onder de riem steekt. Dit gedeelte is de klassieke lezing voor Allerzielen, een  aanwijzing dat de zaligheid die Jezus belooft door de traditie op het hiernamaals, Gods eeuwigheid, wordt betrokken. Wij associeren ziel en zaligheid van oudsher met de hemel.

In de Bijbelvertaling  van 2005 die in veel kerken wordt gebruikt is ‘zalig’ vervangen door ‘gelukkig’.  De Bijbel in Gewone taal vertaalt met  ‘Het echte geluk is voor…’. Dat maakt de aanduiding zaligsprekingen minder herkenbaar, je zou ook van felicitaties kunnen spreken, maar dat klinkt in onze oren waarschijnlijk veel te plat.

In recente vertalingen  is het woord ‘geluk’ in opmars, niet alleen in de bergrede, maar bijvoorbeeld ook in de psalmen (1,119 etc). Dat lijkt een gevolg te zijn van onze tijd, waarin gelukkig zijn vaak het belangrijkste levensdoel wordt gezien. Psychologen en filosofen wijzen ons op de paradoxale situatie dat die velen nogal wat  stress en ongeluk bezorgt, wanneer dit doel niet dagelijks wordt gehaald (de cursus omgaan met teleurstellingen gaat wederom niet door) .

Vondel liet mij zien dat de term ‘geluk’ toch niet zo modieus is als je misschien zou denken. In zijn bespiegelingen van Godt en Godtsdienst, zet hij eerst de redelijke godsbewijzen die  Thomas van Aquino bespreekt in zijn Summa Theologiae op rijm en vervolgens de eigenschappen van God. Culminerend in  een prachtige passage over Gods liefde, nog zo’n woord dat misschien heel modern en vrijzinnig overkomt, maar dus diep wortelt in de christelijke theologie. Maar waar ‘God is liefde’ in onze tijd wel eens soft kan klinken, is het voor Vondel een dynamisch wezenskenmerk en   ‘brant de liefde in Godt met een volkomen gloet’.

Godts liefde, door den wil genegen zich te paeren

Wort zwanger door dien gloet, en wil ten leste baeren

Dit wonderlijck heelal, wat leeft, en niet en leeft,

Daaer Godst gelijckenis of in of meer in zweeft.  (II 1279-1282)

De Schepper komt uit liefde om laegh zijn schepsel tegen.

Wat evenredigheit valt hier te overweegen

Der waerdigheit van ’t en ’t ander! ’t Hemelsch hof

Verheerlijckt hier het niet, of iet uit assche, en stof.. (II1287-1290)

Op de bespiegelingen over God volgens die over de Godsdienst. Dat doet hij bepaald niet kort en bondig, Vondel maakt er een lange preek van, maar toch minder saai dan je zou denken.Als een cultureel antropoloog avant la lettre gaat Vondel de verschillende religieuze riten bij de volkeren na om te concluderen dat de mens van nature een verlangen heeft naar God, ons hoogste goed  waar de mens het geluk vindt. Ook hier baseert Vondel zich grotendeels op Thomas van Aquino en zijn definitie van felicitas; waar word je wel en niet gelukkig van. En dan heeft Vondel het over aards geluk. Hij neemt geen genoegen met alleen een deugdzaam leven, zoals de stoïcijnen leerden, maar reikt  hoger.

De Godtheit zelf gelijck te worden, is de gront

Daer ons geluck op rust, zoo nu ons heil bestont

In ’t middel dat ons leit naar ’s hemels eigenschappen

Men hoefde Godt niet, noch oock hoger op te stappen. (IV 821-824)

Aan de Godtheit zelf gelijck te worden is een uitdrukking die wel doet denken aan de unio mystica, mystieke vereniging (niet eenwording) met God. Vondel verwerkt hier de notie van visio beatifica dei, het zalige aanschouwen van God. Vandaar de titel van dit gedicht dat hij  op zijn oude dag publiceerde: Bespiegelingen. God kennen is het grootste geluk.

De Wijzen slooten dan: men kan niet hooger rennen

Naer heilgenot dan Godt in zijn natuur te kenen. (IV 855-856)

Doop van de Heer

Andrea del Verrochio, de doop van Christus, bron: statenvertaling.net

Mijn ampt reickt verder niet, dan dat ick God ten prijs,

Elck van my af alleen naer Godt den heilant wijs

In zijn epos getiteld  ‘Joannes de Boetgezant’ legt Vondel deze woorden in de mond van Johannes de Doper die van zich zelf af naar Jezus wijst, zoals De Doper ook doet op het beroemde Isenheimer Altaar in Colmar.

Maar je kunt je afvragen of Vondel deze verwijzing van Johannes de Doper wel opvolgt, want hij schreef dus een gedicht van meer dan 3000 regels over Johannes.  6 boeken waarin hij de beperkte informatie die de evangelieën bieden uitbreidt tot een vertelling over het optreden van deze wegbereider van Christus. Geen toneelstuk (omdat hij de rol van Christus niet door acteurs wil laten spelen?), wel verschillende personages die aan het woord komen in de directe rede.

Vondel wijst niet van Johannes af, maar geeft hem alle aandacht. Mijn vermoeden is dat dit samenhangt met zijn keuze voor de katholieke kerk, de doperse en zeker ook de calvinistische theologie was te verwijzend geworden. Liturgie moet niet alleen maar verwijzen en verwoorden, maar ook representeren en verbeelden.  

Vondel dramatiseert en hij demoniseert ook, de polemiek van Johannes vs. de farizeeën en schriftgeleerden (volgens Matteüs) werkt hij om tot een hetze van de joodse leiders die alles in het werk stellen om Johannes gevangen en gedood te krijgen, terwijl die daar in de evangeliën geen aandeel in hebben. Het anti –judaïsme van Vondel is  hier virulent. Vondels verwijten zijn theologisch,  het rabbijnse jodendom heeft in zijn ogen een verkeerde lezing van het Oude Testament, daarnaast is er sprake van een typische vorm van guilt by association. Vondel projecteert zijn eigen slechte ervaringen met calvinistische predikanten op de joodse kerkleiders. Dat Herodes er in zijn hervertelling relatief goed vanaf komt hangt samen met Vondels gezagsgetrouwheid ten opzichte van de wereldlijke overheid.

Vondel daalt in dit werk af tot in de onderwereld om Lucifer en Apollion weer eens aan het werk te zetten  en neemt Dantes middeleeuwse beeld van de onderwereld met verschillende ringen over. Modern-mechanisch is daarentegen zijn beschrijving van de psyche van Johannes’tegenstanders die er  ’s nachts wakker van liggen hoe ze hem zullen kunnen uitschakelen. De gelijkenis van dit woelen en malen met de verschillende raderen van een uurwerk is prachtig.

Gelijk een uurwerkwigth het sneckradt ommedrijft,

Het sneck- het bodemradt: het bodemradt gestrijft

In zijner sneller vaert, het kroonradt komt beroeren;

En ’t strijkradt d’onrust drijft geduurigh heene en weer

Zo houdt de staetzorgh nu den koningklijcken heer,

En ’t priesterlijcke hooft in onrust en het woelen

Gaat nacht en dagh zijn’gangk.elck raetslaeght om zijn stoelen

Voor ’t naeckende gevaer, dat hij zich innebeelt. (IV, 122-129)