interreligieuze dialoog

Hans Memling, reliekschijn heilige Ursula (1482-1489), Hospitaalmuseum Brugge, foto lucasweb.be

‘Ik bedoel dat er niet zoveel verschil is tussen jou en mij. Dat bekeren is helemaal niet nodig. ‘‘Wij bidden ook, we vasten, we doen aan liefdadigheid. Laat me liever gewoon christen blijven.’ ‘Je weet pas wat je mist als je het ware geloof leert kennen. Vertrouw me maar.’.. ‘We doen zo ons best om elkaar te overtuigen dat je bijna zou vergeten dat het daar helemaal niet om gaat.’ ‘O nee, waarom gaat het dan wel?’’Om de liefde mijn ziel.’ Zo praten de christelijke Jacomien en de islamitische Mohammed met elkaar in de roman ‘Turkenliefje’ van Lydia Rood. Zij heeft haar boek gebaseerd op historische documenten uit de 17e eeuw, maar ik vraag me sterk af of er in de Gouden Eeuw mannen en vrouwen waren die zo dachten. In haar vertelling overwint de liefde de verschillen in godsdienst, zie bovenstaand citaat dat vooral heel postmodern en cultuurrelativistisch aandoet. Als Vondel als 17e-eeuwer zo’n dialoog al voor mogelijk hield, dan kiest hij voor een heel andere dramatiek. Voor hem lag de waarheid niet in het midden en was religie geen bijzaak.

In Vondels toneelstuk ‘Maegden’ is het de heilige Ursula, die bijgestaan door maar liefst 11.000 andere maagden, buitgemaakt wordt door de heidense vorst Atilla (de Hun). Atilla wil haar tot zijn vrouw maken. Zijn priester Beremond wijst hem erop dat zij dan haar christelijk geloof moet afzweren:

O onverwinbre Vorst, bedenck eens wie ghy zyt,

Wat Ampt ghy nu bekleed, noch laat ons dit verwyt

Niet snyden in het hart, dat Attila aan ’t suffen,

Zich van een Christe non in ’t bedde laat verbluffen. (537-540)

Dat is Ursula niet van plan. Natuurlijk is Vondel op haar hand. Naar eigen zeggen wilde hij zijn geboortestad Keulen, de plaats waar het stuk zich afspeelt, eren met deze tragedie, het is ook een van zijn eerste werken waarin hij duidelijk zijn liefde voor de rooms-katholieke moederkerk en haar heiligen belijdt.

Dat er voor Vondel zelf ook wat op het spel stond, blijkt uit het vuur waarmee Ursula haar geloof verdedigt in een interreligieuze dialoog, waarin ook het standpunt van haar tegenspeler overtuigend wordt neergezet. Zo houdt Vondel de spanning er in.

Ursul: ‘Wy roemen eenen God, die alles heeft gebouwt.

Beremond: Dien blooden, dooden God, gehecht aan ’t schendigh hout?

Ursul: Dien oock, die alle maght door ’t sterven heeft verworven.

Beremond: Den Scythen Goôn zijn nooit begraven, noch gestorven. (565-568)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s