’t Spoock

De Heks van Endor roept voor Saul de geest van Samuël op, Gaspar de Crayer, 1617, Groeningemuseum Brugge.
Beeld wikipedia

Bij Vondel spookt het opvallend vaak. In veel van zijn toneelstukken verschijnen geesten ten tonele. Boze Geesten, dat wil zeggen demonen of  dode zielen die erop uit zijn om onheil te stichten en, maar ook heiligen en engelen die met een troostende  of waarschuwende boodschap komen. 

Dat roept bij mij de vraag op of Vondel een liefhebber zou zijn geweest van Halloween, deze verbastering van Allerheiligen. Ik vermoed dat Vondel deze geesten opriep om suspence te creëren en zijn publiek lekker te laten griezelen. Dit ludieke karakter van spookachtige taferelen is kennelijk ook wat mensen aantrekt in horror (mij niet gezien).  Aan de andere kant  was het bestaan van deze geestenwereld voor Vondel een realiteit, waar hij gewetensvol  mee omging. Kenmerkend is dat de boze geesten zich wel aan het publiek laten zien, maar niet aan de personages in het toneelstuk. Ze behoren tot een andere wereld, proberen wel om het plot te beïnvloeden, maar slagen daar niet in. Ze zijn machteloos en spelen niet echt een rol van betekenis.

Typisch is bijvoorbeeld dat de schimmen van Simon Magus en Elymas die in het Bijbelboek Handelingen bij leven optreden als tegenspelers van Petrus en Paulus,  Vondels toneelstuk over de 2 apostelen in Rome openen. De twee trawanten willen zich wreken op de hoofdapostelen, maar ze figureren vooral als het komisch duo van de lamme en de blinde. (Elymas werd door Paulus ooit met blindheid geslagen, Simon Magus maakte bij een van zijn toverkunsten een smak en brak zijn heup.) In het stuk komen ze verder niet voor, ondanks hun dreigende taal:

“Maer toef, waer blijft al ’t spoock, gereet om op te trecken?

‘k Zal stampen, dat het dreunt, en al den drommel wecken.” (127-128)

De goede geesten verschijnen daarentegen vaak aan het einde van zijn toneelstukken. Vondel hield strak vast aan de eenheid van tijd, plaats en handeling, maar engelen en heiligen zetten die plaats- en tijdgebonden vertelling in het perspectief van Gods voorzienigheid. In Vondels toneelstuk over de Jezuïeten in China (Zungchin 1667) is daar de geest van  de heilige Franciscus Xaverius, die profeteert dat de ondergang van de keizer niet het einde is van de christelijke missie: “Altaergenoten, mijn gebroeders, wilt niet vreezen/ In deze overgangk van ’t rijxhof der Sinezen.”

In het zelfde jaar  publiceerde Vondel zijn toneelstuk over Noach (Noah of ondergang der Eerste Weerelt). Het stuk opent met een monoloog van Apollion, koning van de afgrond, waar de grimeurs het nodige werk aan gehad hebben en ook een 17e eeuwse rookmachine aan te pas zal zijn gekomen:

“Mijn stinkende adem is alree den hemel tegen,

Die schuw van helschen stank, de sterren trekt om hoogh.

Met smook bezwalkende, berooft van zijnen luister

Mijn blikken branden als twee  koolen in het duister

Een dikke duisternis, met eenen rooden gloet.

De pekstok blaekt, en stut mijn twijfelenden voet.”

Apollion probeert samen met zijn ‘verdoemde spoocken’ tevergeefs brand te stichten in de ark waar Noach 100 jaar aan gewerkt heeft.

“Vaer voort, mijn helsche stoet, steekaen: gij kunt niet doolen.

Laet branden voor den wint, en warm u by de koolen.” (20-21)

Volgens de biografie van Piet Calis is dit stuk eeuwenlang niet uitgevoerd. Wellicht waren brave predikanten en verlichte stadsbestuurders niet gediend van zoveel duivels op het toneel, maar het kan ook op last van de brandweer geweest zijn.

Adam in Ballingschap (vervolg)

Lucas Cranach de oudere, Adam en Eva, Kunsthistorisches Museum Wenen

Wanneer het mensenpaar geproefd heeft van de verboden vrucht, schamen ze zich voor hun ‘snoeplust’, het speelse woord dat Vondel voor de oerzonde gebruikt. Ze ontdekken ze dat ze naakt zijn en verstoppen zich. Lucifer verheugt zich over hun ongeluk, Adam en Eva hebben een stevige echtelijke ruzie. Een dialoog die Vondel met humor brengt, omdat de liefde en zorg die de echtgenoten voor elkaar koesteren er in doorklinkt.

Want ‘t lust me zonder uw genootschap niet te leven.

‘k ontken geenszins dat ik dit misdrijf heb gesteven.

Mijn snoeplust u vervoerde in deze droeven staat.

Zo laat ons t’samen dan de schuld van zulk een kwaad

Ook boeten, woud ge door de doodschuld mij behagen?

‘ k zal haar verdiende straf gewillig leren dragen. (1578-1583)

Dan verschijnt God op het toneel. Niet een deus ex machina die het plot opheft, maar een personage die het drama verhevigt door te vragen ‘ mens waar ben je?.’ Vondel heeft dit ingezien en noemt het scenario van de zondeval het ‘ treurspel der treurspelen’.

In Genesis 3 staat dat zij de stem van de Heere God hoorden, wandelende on den hof, aan den wind des daags.’ (Statenvertaling). In nieuwe vertalingen is sprake van ‘de koelte van de avondwind’, maar Vondel interpreteert het als een flinke storm:

Wat hoor ik daar? Een storm begint hier op te steken.

De donk’re en zwang’re lucht onstuimig uit te breken.

De bladers ruisen uit 4 hoeken heen en weer.

De bulderende wind smijt bos en bomen neer.

Hoe breng je in beeld dat God verschijnt? De Bijbel gebruikt antropomorfe taal, maar zo naïef als Lucas Cranach de zondeval schilderde (zie foto onder) zag Vondel het niet voor zich. Een moderne bewerking zou zich vermoedelijk bedienen van een voice over. Vondel gebruikt een andere truc. Hij laat een van de engelen, Uriël genaamd, de boodschap namens God overbrengen:

Wie openbaarde u toch dees naaktheid, al te naakt?

Heeft ook uw mond de vrucht der kennisse gesmaakt?

Beken de misdaad vrij, ontzie ze niet te noemen.

Verschoon uw schuld niet: want hier baat nu geen verbloemen.

Lucas Cranach de oudere, het Paradijs, Kunsthistorisches Museum Wenen

Pinxterzang De wind in de zeilen

bron: http://www.grotekerknaarden.nl

De schilderingen op de gewelven in de grote kerk van Naarden vormen steeds een tweeluik, bij ieder heilsfeit hoort een nieuwtestamentische en een oudtestamentische voorstelling. Bij Pinksteren staat naast het verhaal van de uitstorting van de Heilige Geest volgens Handelingen 2, de verbondsluiting op de Sinaï, de gave van de Thora, bezegeld met de overhandiging van de 10 geboden aan Mozes. Dit is inderdaad wat de synagoge met Pinksteren viert. In ben benieuwd in hoeverre dit bekend was toen deze schilderingen in 1518 werden gemaakt.

In de 2 Pinksterliederen die Vondel 100 jaar later schreef voor het liedboek van zijn doopsgezinde gemeente, komt deze oudtestamentische betekenis van Pinksteren niet voor. Wel spreekt hij van de wet die Christus in de harten van de gelovigen schrijft, in overeenstemming met de doperse traditie. En Christi wet die eeuwich blijft/ In ons ghemoet en sinnen schrijft.

De eerste Pinxterzang van Vondel is een verhalend gedicht naar Handelingen 2, het tweede een gebed tot de Heilige Geest, gemakkelijk mee te zingen op de wijs van Psalm 100. In dit lied verwerkt hij verschillende metaforen en namen voor de Heilige Geest die hij ontleent aan de christelijke traditie: Tortel-duyf, Vertrooster, vinger Gods, hemeldauw, Fontein, Goddelijk vuur. In het laatste couplet wordt de Geest ‘Wind des Heeren’, genoemd. Dat is een beeldspraak die uit de Bijbel komt, het Hebreeuwse ‘ruach’ betekent ‘wind, adem, geest’, maar die ik dan weer niet tegen kom in de oudchristelijke hymnen. Heeft Vondel dit ergens vandaan of is dit beeld ingegeven door de opkomst van de zeevaart in zijn Amsterdam?

Ghy Wint des Heeren weest doch mee

Ons zielen schip in swerelts Zee

Op dat wy vry van schipbreuk dan

Landen in ’t hemels Canaan.

Een wonderlijk bestaen

Rubens, St. Michael verdrijft Lucifer uit het paradijs, wikipedia.org

In zijn voorwoord op zijn treurspel ‘Lucifer’ geeft Vondel toe dat hij voor het dramatische effect gebruik maakt van een theologische opvatting die door sommige, maar niet door alle godgeleerden gedeeld wordt. Hij laat de engelen namelijk voorkennis van de incarnatie (menswording van God in Christus) hebben. Als Gabriël dit aan de opstandige engelen meedeelt, is hun rebellie niet meer te stoppen. In zijn ‘disclaimer’ zegt Vondel voor de zekerheid dat dit gebruik niet betekent dat hij positie kiest in deze discussie. Hij vermoedde zomaar dat dit wel eens gevoelig zou kunnen liggen.

Vondel betoogt ter verdediging van zijn toneelstuk over  de val van een deel van de engelen, dat dit in de  Heilige Schrift wordt beschreven. Omdat deze Bijbelteksten heel summier zijn, ziet Vondel ruimte om zelf motieven en redenen aan te voeren voor hun afvalligheid. Hij noemt hoogmoed en jaloezie als 2 kanten van dezelfde zaak. Lucifer  en zijn medestanders zijn jaloers op de mens die naar Gods beeld geschapen is.  Deze gedachte komt hij tegen bij de kerkvader Cyprianus. Vondel gaat nog verder en laat de engel Apollion die in het paradijs het pasgeschapen mensenpaar heeft geobserveerd afgunstig zijn op hun lichamelijkheid en intimiteit.

Dan kuste hy zyn bruit, en zy den bruidegom

Dan ging de bruiloft in, met eenen wellekom

En brant van liefde, niet te melden, maer te gissen,

Een hooger zaligheit, die d’Engelen noch missen. (135-138)

Helaes! Wy zyn misdeelt; wy weten van geen trouwen,

Van gade of gading, in een hemel, zonder vrouwen. (141-142)

Het idee dat de engelen ondergeschikt zijn aan de mens komen we ook in het Jodendom tegen: Israël is meer geliefd bij God dan de engelen (Babylonische Talmoed Choelien).

Vondel maakt van zijn engelen personages met een eigen psychologie, die met de blik van de buitenstaander het mens-zijn becommentariëren:

Den mensch, in top van Staet en maght, zoo trots verheven,

Dat wy, als slaven, voor zyn heerschappye beven (Lucifer790-91)

Hoe wy, door ’t nieuw bevel, van onze staet vervielen

In eene slaverny der aerde, en zoo veel zielen

Als uit een luttel bloets en zaets te spruiten staen.

Wat is by ons alree mishandel, of misdaen,

Dat Godt een waterbel, vol wint en lucht geblazen

Verheft om d’Engelen, zyn zonen,te verbazen?

Een basterdy verheft, gevormt uit klay, en stof?

Wy waren pas gewyt tot pylers van zyn hof. (842-848)

De gereformeerde predikanten in Amsterdam hebben pogingen gedaan om dit toneelstuk van Vondel te verbieden. Dat God al voor en los van de val van engelen en mensen besloten had om zich te verenigen met de mens, werd door de calvinistische theologen namelijk algemeen afgewezen. Zo lees ik in een artikel van Nico den Bok. (In ‘Wat God bewoog om mens te worden’, gedachten over de incarnatie, 2003)

 In een levendige dialoog tussen de aanhangers van Lucifer en een rei (koor) van trouw gebleven engelen drijft Vondel de discussie op de spits.

Luciferisten: Men had ons nutter dees geheimenis gezwegen.

Rey: De Godtheit openbaert haer hart, tot u genegen.

Luciferisten: Noch milder tot den mensch: zy zet hem boven aen:

Rey: Verknocht met Godts natuur: een wonderlijk bestaen. (890-993)

Eerder schreef ik dat dit een gedachte is die pas veel later in de theologie is uitgewerkt, maar Den Bok laat zien dat Duns Scotus, een middeleeuwse denker hier al heel scherp over heeft nagedacht. Dat het van den beginne Gods plan is geweest om mens te worden, zonde of geen zonde. Menswording is het doel van de schepping. Dat is een theologie waar ik vrolijk van word en waar Vondel God alle eer voor geeft.

Luciferisten: Hoe wil de mensch de kroon der Engelen verdooven!

Rey: Alle engelen zullen Godt in ’t lichaem zien, en loven.

Luciferisten: Zy zullen slyck en stof aenbidden in het stof?

Rey: Bewieroocken Godts naem, met geur, en prys, en lof. (988-91)