De Wandelaar

Verstaat ge wat ge leest?

Een van de mooie kanten van vakantie is dat je (als het goed is) meer tijd hebt om lekker te lezen. Deze zomer las ik ‘De wandelaar’ van Adriaan van Dis. Leuk omdat het in Parijs speelt, waar op het moment van lezen de Olympische Spelen gaande waren. Een impressie: Het gaat over een Nederlander, Mulder geheten, die zich heeft teruggetrokken in de lichtstad en eigenlijk niets anders doet dan dagelijks een wandeling maken, waarbij hij eigenlijk met niemand contact heeft. Tot het moment dat hij zich ontfermt over een hond, of de hond over hem, die na een woningbrand zonder baasje is geraakt. Nu hij met de hond wandelt, krijgt hij contact met allerlei mensen en  wordt zijn (zelfgekozen?) eenzaamheid doorbroken. Hij raakt betrokken bij het politieonderzoek naar de brand en leert de slachtoffers kennen. Hij woont een christelijke, islamitisch en een boeddhistische uitvaart bij.  De armoede, ellende en ongelijkheid die hij tegenkomt stellen vragen aan zijn eigen positie.

Ondanks de ontkerkelijking is er veel religie aanwezig in de hedendaagse literatuur. Van Dis heeft een goed oog voor de religieuze veelkleurigheid van een wereldstad als Parijs. In ‘De wandelaar ’is er een belangrijke rol weggelegd voor een Franse priester en zijn kerk. Op youtube kwam ik een film tegen waarin Van Dis op deze plek geïnterviewd wordt, de St. Sulpice. Daar bevindt zich een wandschildering van Eugene Delacroix die het gevecht van Jacob met de engel in Genesis 32 weergeeft (zie afbeelding). Wel lijkt het me dat het beeld dat Van Dis heeft/ schetst van het christelijk geloof  nogal statisch is.

De wandelaar is in dit boek op  zoek naar zingeving, terwijl de priester vaste standpunten heeft. Maar zou het ook bij in God geloven niet gaan om de open vraag wat mens zijn en goed doen is en hoe je als eenling met de ander verbonden raakt?

Metaforen verschuiven

Boekbespreking

Het is jaren geleden dat ik het eerste deel van ‘De moord op de commendatore’ van de Japanse schrijver Haruki Murakami las. Destijds bedacht ik om deel 2 (met als komische ondertitel ‘metaforen verschuiven’), maar niet te lezen, omdat ik geen liefhebber ben van magisch realisme. Maar het bleef me toch trekken, de wederwaardigheden van een kunstenaar die vanwege een echtscheiding tijdelijk in het huis woont van een bejaarde beroemde schilder, die zelf is opgenomen in een verzorgingstehuis.

Op zolder van dat huis ontdekt hij een schilderij en vervolgens komen er bovennatuurlijke krachten vrij. Ook een meisje dat hij tekenles geeft krijgt er mee te maken en dan is er nog een succesvolle doch ongrijpbare buurman Menshiki (zijn naam betekent in het Japans ‘vrij van kleur’) aan de andere kant van het bergdal die duidelijk een eigen agenda heeft.

Behalve het surrealisme zijn er ook de soap-achtige plotwendingen en de aanhoudende verwijzingen naar klassieke en populaire muziek die het verhaal kitcherig dreigen te maken. Maar nu ik jaren later het tweede deel in handen had, wilde ik toch weten hoe het verder ging met de tobbende hoofdpersoon, het puberende meisje en de intrigerende buurman. En dan nog de personages uit het tot leven gekomen schilderij en niet te vergeten de man in Subaru Forester (auto’s worden uitgebreid beschreven).

Wat is er dan toch interessant aan de wereld die Murakami schept? Het perspectief van de hoofdpersoon is geloofwaardig. Hij wil zich bij de feiten van zijn vastgelopen leven neerleggen, maar dat lukt hem niet helemaal. Je gaat graag in zijn gedachtegang mee. Hij is een agnost en de onverklaarbare dingen die hij meemaakt neemt hij laconiek op. Als lezer heb je wel door dat de verschijningen waar hij getuige van is voornamelijk voortkomen uit zijn eigen psyche. Het is echter meer dan inbeelding, de werkelijkheid genereert een surplus aan betekenis, zoals een nieuwe generatie theologen dat thematiseert. Ik heb het gelezen als een pleidooi voor religie in een technocratische wereld. De onttovering wordt verbroken.

‘Is een religieus personage interessant?’, werd er aan een schrijver gevraagd in een radioprogramma. ‘Daar heb ik geen oordeel over’, was het vlakke antwoord. De teneur in de Nederlandse literatuurkritiek is dat een gelovig persoon iemand is met vaststaande overtuigingen en een bekrompen wereldbeeld. Maar zou religie je juist niet extra ontvankelijk maken en de meerduidigheid en gelaagdheid van onze ervaringen van kleur voorzien? En is ‘suspension of disbelief’ niet de kern van wat literatuur doet?

Het laatste hoofdstuk van ‘De moord op de commendatore’, heet ‘Als een vorm van genade’. Verzoening en redding bestaan echt. En het boek sluit af met een uitspraak van de hoofdpersoon die volgens mij tevens een raadgeving van de auteur aan de lezer is:  ‘Dat kun je maar beter geloven’.

Regieaanwijzingen voor de liefde

Gerard van Honthorst, portret van stadhouder Willem II en Maria Stuart (1647)

De Gouden Eeuw mag dan als term in ongenade gevallen zijn, in de boekhandel lijkt dit tijdvak populairder ooit. Over deze periode verschijnt de ene naar de andere historische roman. Al eerder noemde  ik in een blog  de  ‘De Advocaat’ van Nicolaas Matsier, over het proces tegen Johan van Oldenbarnevelt, dat  Vondel bracht tot het schrijven van Palamedes, zijn creatieve doorbraak. Jean-Marc vanTol publiceerde Musch (2018), dat speelt in 1650, het jaar dat stadhouder Willem II zijn aanslag op Amsterdam pleegde, aan de hand van correspondentie van Johan de Witt en anderen.

Van Simone van der Vlugt las ik  ‘wij zijn de Bickers’ (2019), over een Amsterdamse regentenfamilie. Ook dit jaar verscheen van Lydia Rood het eveneens op archiefonderzoek gebaseerde boek ‘Turkenliefje’ over de Schiedamse vrouw Jacomijn Stout, die als jong meisje met haar ouders en broertje naar Suriname emigreert, maar het schip wordt gekaapt door piraten en ze worden op de slavenmarkt van Algiers verkocht. Ze raakt verliefd op de onderkapitein Mohamed, maar dan wordt het gezin vrijgekocht door de remonstrantse diakonie en keert het gezin terug naar Schiedam. Jaren later ontvangt Jacomien een brief van haar geliefde met een hernieuwd huwelijksaanzoek.

De verteller maakt van Jacomien een onafhankelijke en verlichte geest, zodat hun relatie veel weg krijgt van een mediterrane vakantieliefde. Deze romance wordt afgezet tegen het kille klimaat in Schiedam, waar de kerk streng is en de poëzie belerend. Thuis hangen er wandtegeltjes met suffe dichtregels van Jacob Cats, waarin de vrouw haar plaats moest kennenn. De verteller had er echter ook voor kunnen kiezen om het interieur te sieren met gedichten van tijdgenoot Vondel, die weliswaar rolbevestigend, maar toch ook speels, ‘met verrukking en tederheid’  (zo het huwelijksformulier in het dienstboek) over de eros  schreef. Zie bijvoorbeeld zijn beschrijving van de aardse liefde in het paradijs.https://eenwonderlijkbestaan.blog/2019/05/18/een-wonderlijk-bestaen/

Vondel stelt zich levendig voor hoe de raadspensionaris Johan de Wit door zijn vrouw  gesteund zal worden in zijn politieke werk.

Wanneer myn wachter zit beschanst in zijn papieren

Of worstelt in den Raet, en nacht en dag van stieren (besturen, FdR)

Vermoeit wort, kan een vrouw door vriendelyk onthael

Verquicken ’s mans gemoet…

Deze regels komen uit een gelegenheidsgedicht. Simone van der Vlugt verwijst er naar in haar boek, aangezien Johan de Witt trouwde met een dochter uit het geslacht Bicker, Wendela. Nogal eens werd Vondel door regentenfamilies gevraagd een vers te maken  om een bruiloft op te luisteren. Dat werd dan, neem ik aan, voorgedragen tijdens het feest ter vermaak van de aanwezigen. Vondel blijft toch vooral een toneeldichter, dus geeft hij in zijn gedicht voor Johan de Witt en Wendela Bicker ook wat regieaanwijzingen, waarbij hij kennelijk op de performatieve kracht van zijn taal vertrouwde om de bruid te laten blozen.

Zij zal hem afgeslaeft des middernachts verpoozen,

Daar ghy de ledekant bestroit met geur van roozen,

Die op haar kaeken reede ontluicken van de schaemt,

En ’t schaemroot, eene verf die zulck een Bruidt beteamt.