Een van de mooie kanten van vakantie is dat je (als het goed is) meer tijd hebt om lekker te lezen. Deze zomer las ik ‘De wandelaar’ van Adriaan van Dis. Leuk omdat het in Parijs speelt, waar op het moment van lezen de Olympische Spelen gaande waren. Een impressie: Het gaat over een Nederlander, Mulder geheten, die zich heeft teruggetrokken in de lichtstad en eigenlijk niets anders doet dan dagelijks een wandeling maken, waarbij hij eigenlijk met niemand contact heeft. Tot het moment dat hij zich ontfermt over een hond, of de hond over hem, die na een woningbrand zonder baasje is geraakt. Nu hij met de hond wandelt, krijgt hij contact met allerlei mensen en wordt zijn (zelfgekozen?) eenzaamheid doorbroken. Hij raakt betrokken bij het politieonderzoek naar de brand en leert de slachtoffers kennen. Hij woont een christelijke, islamitisch en een boeddhistische uitvaart bij. De armoede, ellende en ongelijkheid die hij tegenkomt stellen vragen aan zijn eigen positie.
Ondanks de ontkerkelijking is er veel religie aanwezig in de hedendaagse literatuur. Van Dis heeft een goed oog voor de religieuze veelkleurigheid van een wereldstad als Parijs. In ‘De wandelaar ’is er een belangrijke rol weggelegd voor een Franse priester en zijn kerk. Op youtube kwam ik een film tegen waarin Van Dis op deze plek geïnterviewd wordt, de St. Sulpice. Daar bevindt zich een wandschildering van Eugene Delacroix die het gevecht van Jacob met de engel in Genesis 32 weergeeft (zie afbeelding). Wel lijkt het me dat het beeld dat Van Dis heeft/ schetst van het christelijk geloof nogal statisch is.
De wandelaar is in dit boek op zoek naar zingeving, terwijl de priester vaste standpunten heeft. Maar zou het ook bij in God geloven niet gaan om de open vraag wat mens zijn en goed doen is en hoe je als eenling met de ander verbonden raakt?
Verkorte weergave verslag voor de cursus ‘van U is de aarde’
Ter Inleiding: Groene Theologie
Een aantal jaar geleden ging ik naar Gent om het ‘Lam Gods’ te zien, het meesterwerk van Jan van Eijk. Ik kende het van afbeeldingen, maar in het echt viel mij pas op hoe groen het centrale tafereel is en hoe nauwkeurig de bloemen, kruiden en bomen geschilderd zijn. Er spreekt een schat aan botanische kennis uit die dus onderdeel is van de aanbidding van het Lam als bron van de liturgie van de gemeente en de verwachting van de nieuwe hemel en aarde.
Gebr. Van Eijk – de aanbidding van het Lam Gods (middenpaneel)
Dit bloeiende grasland contrasteert met de armoede van menig hedendaags gazon en weiland die verworden zijn tot een ‘raaigraswoestijn’. De schrikbarende teruggang van insecten is daar m.i. een gevolg van. Bij het werkbezoek aan de biologische boerderij in Friesland heb ik geleerd dat onderdeel van de nieuwe bedrijfsvoering is dat er gewerkt wordt met een diversiteit aan kruiden in het grasland en dat dit niet alleen boven de grond natuurvriendelijker is, maar ook veel beter voor de bodemkwaliteit en uiteindelijk voor de productie. Ook voor gangbare boeren is dit trouwens steeds meer een zorg. Met de profeet Jesaja hoop ik daarom dat ook deze woestijnen weer gaan bloeien.
Voorafgaand aan de cursus
In de zomer van 2022 ben ik van gemeente gewisseld, van het agrarisch georiënteerde Fijnaart naar het verstedelijkte Barendrecht. Ten tijde van de intake was ik nog erg met de grondproblematiek van de vorige gemeente in Fijnaart bezig. Daar ligt een groot gazon rondom het kerkgebouw met behalve wat struikperkjes alleen gras en een ringgracht met waterkanten die door een hovenier heel kort gemaaid worden. En verder was de Protestantse Gemeente Fijnaart in het bezit van 2 begraafplaatsen.
Met dat referentiekader keek ik naar de grond rondom de Dorpskerk in Barendrecht en daarbij was mij opgevallen dat het gazon aan de zuidzijde van de kerk dat door de burgerlijke gemeente wordt beheerd nogal eentonig is, maar dat er achter het bijgebouw een heuse kerktuin is met bomen en planten die in de Bijbel voorkomen of een Bijbelse naam hebben. Vanuit de vergaderzaal heb je een mooi uitzicht op deze tuin en in de zomer wordt er koffie gedronken. Deze kerktuin wordt elke woensdagmorgen bijgehouden door een team vrijwilligers. Dit gebeurt heel toegewijd, zo wordt er op toegezien dat planten die slecht tegen de kou kunnen in winter in een kas worden ondergebracht.
Waar ik echter helemaal niet op gelet had is dat er een stuk grond ligt aan de achterzijde van het bijgebouw ‘de oude pastorie’. Dit was voorheen de voortuin, maar nu een stuk grond dat op het oog braak ligt. Dit onopvallende onbekende terrein blijkt voor mijn onderzoek juist interessant te zijn.
olijfboom uit de kerktuin die voor de winter verplant werd
Start Onderzoek
Bij het zoeken naar een project voor deze cursus heb ik via een stukje in het Barendrechtse kerkblad mijn onbekendheid met de gemeente ingezet. Als ‘vreemdeling in Jeruzalem’ heb ik gevraagd wie er mee wil denken over het onderwerp ‘groene kerk’, omdat deze term ook in het beleidsplan wordt genoemd.
De eerstvolgende zondag melden zich twee gemeenteleden die hier graag aan mee willen werken, niet toevallig de twee vrouwen die de vrijwilligers van de werkgroep kerktuin aansturen. We maken een afspraak. Ze vertellen over hoe de kerktuin ruim 10 jaar geleden tot stand gekomen, mede met hulp van studenten van een hoveniersopleiding en nu wekelijks wordt bijgehouden door vrijwilligers. Een van hen verzorgt bovendien al jaren een vaste rubriek in het kerkblad, waarin iedere keer een plant uit de kerktuin met Bijbelse of kerkhistorische wortels wordt belicht.
Ze vertellen verder dat buren van de ‘oude pastorie’ geklaagd hebben over bomen in de voortuin die voor overlast zorgen, omdat ze licht wegnemen en veel zaailingen verspreiden. Daar was vanuit de werkgroep kerktuin en de wijkraad van rentmeesters begrip voor en daarom is besloten dat een aantal van deze esdoorns (met van die propellertjes) gekapt mag worden, als de buren daar zelf voor zorgen.
Eerst schrik ik ervan en ik spreek de wens uit dat niet alle bomen worden gerooid en daar zijn ze het mee eens. Een drietal bomen blijft staan. Maar ze hebben ook al verder gedacht. In plaats van de te kappen bomen willen ze voor gevarieerde begroeiing zorgen die aantrekkelijk is voor vogels. Dit komt dan achter de bijenstrook die er al is met diverse bloemen. (Idee: haal het zondagse boeket ‘als groet van de gemeente’ hiervandaan). Het bijbehorende grasveld blijft ongemoeid want dat moet misschien ooit nog als parkeerterrein gaan dienen.
Ze vertellen dat ze het jammer vinden dat er weinig aandacht is van gemeenteleden voor de kerktuin. Voor één van hen is het ideaal een voedselbos, een moestuin of boomgaard waarin gasten zelf groente en fruit kunnen oogsten, maar openstelling van dit stuk tuin is niet haalbaar. Er staat een hek omheen, dus laat het dan een voedselbos voor de vogels worden.
Onderzoeksvraag
Het onbekende terrein dat ik ga verkennen is: hoe draagt mijn betrokkenheid bij dit tuinproject bij aan de volgende intenties:
A: vergroten van de biodiversiteit.
B: meer betrokkenheid van de gemeenteleden bij hun grond.
C: aandacht voor een aardse spiritualiteit waarin verbondenheid met de schepping wordt ervaren.
Praktijken
Eind november zijn de esdoorns in de voortuin van de ‘oude pastorie’ gekapt, dit is gedaan door het hoveniersbedrijf, waar een van de buren werkzaam is. Drie esdoorns waren gemerkt om te laten staan. De kerkrentmeester die ook in de werkgroep kerktuin zit, heeft met haar knowhow bedongen dat het snoeihout versnipperd wordt en uitgestrooid over de grond ter verbetering van de bodemkwaliteit.
De gerooide tuin, links de esdoorns die zijn blijven staan, op de achtergrond de oude pastorie
In januari kom ik nog een keer met de twee initiatiefnemers van het project bijeen te kom. Er is lijst gemaakt van planten die geschikt zijn voor het voedselbos met daarin verschillende (fruit)bomen, struiken, klimmers en lage planten. We bespreken onze voorkeuren en hoe de nieuwe beplanting te verkrijgen. Niet alles hoeft bij een tuincentrum gekocht te worden en er dient zich nog een verrassende mogelijkheid aan, waarover hieronder meer.
Tot mijn vreugde zijn we het erover eens dat het best rommelig mag zijn, zodat het ook geschikt is voor kleine zoogdieren zoals muizen en egels.
Verder komen we tot de ontdekking dat de kerktuin best leeft in de gemeente, want toen in de laatste plantenrubriek in het kerkblad stond dat de hulst nog ontbrak, werd die van meerdere kanten aangeboden.
Ontmoetingen
In de periode van de cursus spreek ik naast de 2 initiatiefnemers ook andere vrijwilligers en gemeenteleden die actief zijn rondom de kerktuin.
1 Wat opvalt is dat de vrijwilligers ook van buiten de wijkgemeente komen, soms hebben ze ook een specifieke binding met de grond (bv ‘mijn vader was hier vroeger kerkvoogd’). Ze zijn gehecht aan de tuin rondom de kerk en dat hangt mogelijk samen met de weemoed die ik in veel gesprekken met oud-Barendrechters bespeur over hoe het dorp veranderd is in de afgelopen decennia door het volbouwen van het land en het verdwijnen van de open ruimte.
2 In een overleg met de kerkrentmeesters over het project stel ik naast het zakelijke verzoek om hier geld voor te reserveren ook de vraag of ze bij het beheer van deze ‘heilige grond’ van de kerk iets van zorg voor Gods schepping ervaren.
3 Van september tot januari leid ik een maandelijkse Bijbelkring en daarin hebben we Genesis 1 t/m 4 gelezen en besproken. Teksten die veel reacties oproepen over wat (goede) schepping is, welke taak de mens krijgt en wat ‘heersen over’ de andere schepselen betekent. Over dat laatste zegt een deelnemer cynisch: ‘daar zijn we goed in geslaagd .’ Maar ook de verwondering komt naar voren, bijvoorbeeld dat er in een hand vol aarde miljoenen organismes leven. En daarnaast vinde er goede discussie plaats, over wat duurzaam landgebruik is.
samen met de collega van de r.k. parochie plant ik tijdens de vredesweek een olijfwilg
Experimenten: de struikrovers in beeld
Bij het opstellen van de lijst van plantensoorten die geschikt zijn om aan te planten in de kerktuin stuiten we op een actiegroep die landelijk actief is en die zich struikrovers noemen. Wat zij doen is bij stadsrenovaties planten ‘redden’ uit buurten die gesloopt worden en ze een nieuwe bestemming bezorgen.
Het toeval wil dat de buurt achter de kerktuin gesloopt gaat worden. In deze ‘zeeheldenbuurt’ waren tijdelijk statushouders en Oekraïners gevestigd. Ik realiseer me dat ik hier weinig kom, maar deze wijk grenst wel direct aan de grond van de Dorpskerk. Vanwege de afgeslotenheid van de kerktuin is er geen doorgang. Het experiment dat we willen aangaan is om samen met de struikroversbeweging en de huidige bewoners van de zeeheldenbuurt een deel van de beplanting uit deze tuinen te halen. Zo worden er planten gered, kosten bespaard en creëren we een opening naar de buurt.
In de dienst van 12 februari heb ik het verhaal van de struikrovers gebruikt als opening van mijn preek over Deuteronomium 30, waar Mozes spreekt over Gods gebod dat heel dichtbij is. Je hoeft het niet van ver te halen. Zo heeft dit onderzoek mij als voorganger geholpen om meer oog te krijgen voor de werkzaamheid van Gods woord in mijn directe omgeving.
Na de dienst blijkt dat er juist in die week een brief vanuit de gemeente is bezorgd aan de bewoners van de Zeeheldenbuurt over een in maart te houden tuinruim-dag, waarbij alle bewoners van Barendrecht de mogelijkheid krijgen om gratis groen uit de tuinen van de te slopen woningen te halen. Het experiment is dus al in gang gezet.
“De geboden zijn heel dichtbij u, in uw mond en in uw hart: u kunt ze volbrengen” (Deut. 30:14)
Theologische reflecties
De kerktuin blijkt een plek te zijn waar de zorg om en voor de schepping gelokaliseerd kan worden, ook als je zelf geen groene vingers hebt. De noties van ‘heilige grond’ en ‘gewijde aarde’ zijn hier bruikbaar. Dat de esdoorns zo gemakkelijk gekapt werden heb ik als het lijden van de schepping beleefd (Romeinen 8), tegelijkertijd blijkt herschepping mogelijk, dat het gelaat van de aarde zich vernieuwt. (Psalm 104)
Het gegeven dat de kerktuin een afgesloten plek is, geeft te denken. Deze relatieve afgeslotenheid past ergens bij de ervaringswerkelijkheid van heilige grond. Dit stukje aarde is onttrokken aan de rationalisering die beslag legt op onze leefomgeving. Zo creëert de ‘hortus conclusus’ van oudsher veilige ruimte voor mens, dier en plant. De ervaring leert dat deze bescherming nodig is. Het rooien van de bomen in de kerktuin die er in tientallen jaren over gedaan hebben om te groeien is door de inzet van groot materieel binnen een ochtend gebeurt. Het heilig houden van deze grond vraagt dus ook om actieve toewijding en oplettendheid van kerkelijke grondwerkers en dan wordt herschepping een geloofspraktijk.
Ik lees ‘De Grote Stad’ het recent door Marianne van Reenen vertaalde werk van de Franse milieuactivist en theoloog Jacques Ellul. Hij merkt op dat in de Bijbel het bouwen van steden hét symptoom is van menselijke hoogmoed en opstand tegen God. De stad is volgens hem ‘anti-schepping’. Niet voor niets is het Kaïn die de eerste stad bouwt. Bij de Bijbelkring over Kaïn en Abel was een van de gespreksvragen of de deelnemers dat herkennen. Zij zijn grotendeels autochtone Barendrechters die hun woonplaats in de loop van hun leven hebben zien veranderen in dichtbebouwd verstedelijkt gebied.
Bij nadere beschouwing gaat het Jacques Ellul niet om de tegenstelling tussen stad en platteland zoals die nu politiek te gelde wordt gemaakt, maar om de techniek en mechanisatie die de mens vervreemden van zijn omgeving en dat speelt juist in de landbouw.
In het filmhuis van Rotterdam zie ik de film ‘Wildport of Europe’ over natuur in het havengebied van de Regio Rijnmond. Juist in deze stedelijke context waarin elk stukje grond door mensen is ontworpen, opgespoten, aangelegd en ingericht, blijkt er verrassend veel biodiversiteit te zijn. Weliswaar is deze film mede gefinancierd door het havenbedrijf en dus bepaald niet belangeloos. Maar toch herken ik dat de natuurrijkdom in de stad overvloedig is als je er oog voor hebt. Ik kom in Barendrecht niet minder vogelsoorten tegen dan in het agrarische Fijnaart.
Dit brengt mij ertoe om de scheppingsopdracht om (met de Schepper) de aarde te dienen en te bewaren als een gebod te lezen dat haalbaar is, het is te doen zoals Deut. 30 zegt. Al blijf ik met Ellul grote zorgen hebben over het wereldwijd en lokaal verdwijnen van biodiversiteit.
Conclusies
Mijn onderzoeksvraag is wat mijn betrokkenheid bij het tuinproject aan bijdrage oplevert op een drietal punten.
1 Als het gaat over de inrichting zelf dan is mijn bijdrage beperkt, het initiatief en de knowhow zijn aanwezig bij de leden van de werkgroep kerktuin.
2 Door over het project te schrijven in het kerkblad, het in vergaderingen in te brengen en er aandacht aan te geven in kerkdiensten, heb ik bijgedragen aan de zichtbaarheid van de kerktuin en herinrichting ervan.
3 Mijn betrokkenheid bij dit project werkt als een voedingsbodem voor een meer aardse spiritualiteit in verbondenheid met de schepping. In de Bijbelkring over Genesis 1-4 en preken kon ik dat toepassen en ik merk dat dit onderzoek vooral mijn eigen blik scherpt hoe we omgaan met onze grond, ten goede en ten kwade. Dat versterkt mijn betrokkenheid bij de zorg die de Heer van de schepping heeft om en voor de aarde. Zo word ik in mijn geloofspraktijken meer gevoed en geraakt door wat er in de directe omgeving gebeurt en ik heb ontdekt dat ik dit met veel mensen in en om de kerk kan delen.
Franc de Ronde, Februari 2023
Bronnen
Jacques Ellul, De grote stad, een Bijbels perspectief, 2020
Het is jaren geleden dat ik het eerste deel van ‘De moord op de commendatore’ van de Japanse schrijver Haruki Murakami las. Destijds bedacht ik om deel 2 (met als komische ondertitel ‘metaforen verschuiven’), maar niet te lezen, omdat ik geen liefhebber ben van magisch realisme. Maar het bleef me toch trekken, de wederwaardigheden van een kunstenaar die vanwege een echtscheiding tijdelijk in het huis woont van een bejaarde beroemde schilder, die zelf is opgenomen in een verzorgingstehuis.
Op zolder van dat huis ontdekt hij een schilderij en vervolgens komen er bovennatuurlijke krachten vrij. Ook een meisje dat hij tekenles geeft krijgt er mee te maken en dan is er nog een succesvolle doch ongrijpbare buurman Menshiki (zijn naam betekent in het Japans ‘vrij van kleur’) aan de andere kant van het bergdal die duidelijk een eigen agenda heeft.
Behalve het surrealisme zijn er ook de soap-achtige plotwendingen en de aanhoudende verwijzingen naar klassieke en populaire muziek die het verhaal kitcherig dreigen te maken. Maar nu ik jaren later het tweede deel in handen had, wilde ik toch weten hoe het verder ging met de tobbende hoofdpersoon, het puberende meisje en de intrigerende buurman. En dan nog de personages uit het tot leven gekomen schilderij en niet te vergeten de man in Subaru Forester (auto’s worden uitgebreid beschreven).
Wat is er dan toch interessant aan de wereld die Murakami schept? Het perspectief van de hoofdpersoon is geloofwaardig. Hij wil zich bij de feiten van zijn vastgelopen leven neerleggen, maar dat lukt hem niet helemaal. Je gaat graag in zijn gedachtegang mee. Hij is een agnost en de onverklaarbare dingen die hij meemaakt neemt hij laconiek op. Als lezer heb je wel door dat de verschijningen waar hij getuige van is voornamelijk voortkomen uit zijn eigen psyche. Het is echter meer dan inbeelding, de werkelijkheid genereert een surplus aan betekenis, zoals een nieuwe generatie theologen dat thematiseert. Ik heb het gelezen als een pleidooi voor religie in een technocratische wereld. De onttovering wordt verbroken.
‘Is een religieus personage interessant?’, werd er aan een schrijver gevraagd in een radioprogramma. ‘Daar heb ik geen oordeel over’, was het vlakke antwoord. De teneur in de Nederlandse literatuurkritiek is dat een gelovig persoon iemand is met vaststaande overtuigingen en een bekrompen wereldbeeld. Maar zou religie je juist niet extra ontvankelijk maken en de meerduidigheid en gelaagdheid van onze ervaringen van kleur voorzien? En is ‘suspension of disbelief’ niet de kern van wat literatuur doet?
Het laatste hoofdstuk van ‘De moord op de commendatore’, heet ‘Als een vorm van genade’. Verzoening en redding bestaan echt. En het boek sluit af met een uitspraak van de hoofdpersoon die volgens mij tevens een raadgeving van de auteur aan de lezer is: ‘Dat kun je maar beter geloven’.
Genadestoel, God de Vader, Christus en de Heilige Geest, ca. 1420, Rijksmuseum
‘En ze hadden alles gemeenschappelijk’ (Handelingen 4)
Vorige week zag ik de film ‘Adam, waar ben je’ over een grieks-orthodoxe kloostergemeenschap op de heilige berg Athos. Gemaakte door een oekraiense filmmaker trouwens. Wat vooral in beeld werd gebracht is hoe de monniken samen werken, bijna alles samen doen, olijven oogsten, vissen, metselen, bidden, eten en lachen. Ze hebben immers alles gemeenschappelijk. En tegelijkertijd is er groot respect voor het individu, voor het eigene van ieder mens, dat is heilig, heilige grond mag je zeggen.
De tekst uit Handelingen is van grote invloed geweest op het ontstaan van kloosters, de leefgemeenschappen van monniken die zoveel hebben bijdragen aan de vorming van ons culturele landschap. Het huis waar wij wonen staat in de predikherenstraat, genoemd naar de kloosterorde van de dominicanen, bedelmonniken die predikheren werden genoemd, zij zouden vreemd opkijken van een koophuis in hun straat
Toch hoef je dit prille begin van het christendom niet te lezen als een afwijzing van prive-bezit en persoonlijk eigendom, een communisme avant la lettre. Geinspireerd en vervuld door de Heilige Geest beschouwen de gelovigen hun spullen, huizen, grond en geld als gemeenschappelijk, als iets om te delen en door te geven. Het gaat om dat gezamenlijke leven. Niet om hebben, maar om zijn. Ik denk dat het te maken heeft met de economie van het genoeg waar de pas geleden overleden Bob Goudzwaard vele jaren geleden al voor pleitte.
Gewoon durven vragen: Mag ik iets van je lenen. De econoom Paul Schenderling die schrijft over leven van genoeg vertelt in een interview hoe hij besluit om geen nieuwe tuinset te kopen, maar als hij bezoek krijgt en het is mooi weer vraagt hij aan een buurman of hij tuinstoelen kan lenen en die is maar wat blij dat hij kan helpen. ‘Alles gemeenschappelijk.’
En is het goed en is het nodig, vroegen wij ons af, dat we deze zomer een zwembad optuigen en vullen met water, terwijl het voor kinderen veel leuker is om bij een vriendje of vriendinnetje af te spreken met ook zo’n zwembad in de tuin.
Jan Peter Balkende heeft net een boek geschreven ‘kapitalisme opnieuw verbonden’, dat gaat ergens ook over dit thema. Moet hij dan maar de nieuwe premier worden? dat is een andere discussie.
De menigte, de aanwezigen worden vervuld met de heilige geest, net als vorige week met Pinksteren vindt er in de lezing een uitstorting van de geest plaats. De Geest is iets gemeenschappelijks, de geest deelt gaven uit aan ieder, en de Geest overstijgt de discussie over particulier en collectief bezit, mijn en dijn, want het is de geest van God, van boven, hij komt uit de hemel staat er.
En dat wil zeggen, wat hier gebeurt is niet mijn menselijke initiatief, mijn vermogen, maar wat God geeft en gunt. Zoals Jaap Zijlstra het met humor heeft gedicht in zijn Pinksterlied: wij leven van de wind
Het Bijbelse grondwoord daarvoor is genade. Dat wat je niet kunt kopen of verkopen. In de NBV-vertaling staat: God begunstigde allen rijkelijk. Een grote genade was op hen allen.
De adem van God, de lucht die we inademen is niet van mij of van ons, en toch gaat die door mij en door ons heen.je
Dankzij die genade getuigen de apostelen van de opstanding van Jezus de Heer. De Heer Jezus, Jesous Kurious hoe de gevoelswaarde daarvan goed weer te geven? Het betekent niet de opstanding van meneer Jezus, het is meer de opstandig van Jezus als Heer, tot Heer. Hij is opgewekt, hij leeft, wil zeggen. De dood is niet de laatste macht over ons leven, het kwaad is niet de eindbaas in deze wereld. Dankzij Jezus ga je vertrouwen, geloven, dat het goede, de kleine goedheid om met Levinas te spreken, recht van spreken heeft, doorzettingsmacht zal hebben, de weerloze overmacht van de liefde.
Dus als ik me inleef in het verhaal van Handelingen, dan zie ik dat zo voor me, dat die gemeenschap van diverse vrouwen en mannen met allerlei achtergronden, arm en rijk, allochtoon en autochtoon, dat ze allemaal geraakt zijn door het lijden van Jezus, die kansloos de dood werd ingejaagd, het toppunt van willekeur en cynisme en wreedheid, dat beneemt je de adem, dat ontneemt je alle vertrouwen, hoe kun je geloven dat het goedkomt met deze wereld.
Dan rest er niets dan maar voor jezelf te leven. En dan die verrassende apotheose, God draait het om, maakt van die moord op Jezus een nieuw begin, hij leeft en zijn geest komt in ons. Hij staat ook in ons op.
Dat heeft op die eerste gelovigen het bijzondere effect dat ze hun bezittingen, hun huizen en grond verkopen en de opbrengst ter beschikking stellen van de gemeenschap. En 1 persoon wordt er dan uitgelicht, Jozef, bijgenaamd Banabas, de latere metgezel en reisgenoot van Paulus.
Hij was een Leviet, net als Mozes, en hij kwam uit Cyprus. Dat is niet gek, het Jodendom was toen al verspreid over de gehele wereld. En Cyprus is niet ver van Israël, ook nu liggen daar de hulpgoederen klaar van de internationale gemeenschap om naar Gaza verscheept te worden.
Toch prikkelt het mijn verbeelding, wat moet een Leviet op Cyprus, vakantie-eiland, belastingparadijs. En belangrijker, hij heeft grond om te verkopen, maar volgens de Tora beschikten de levieten niet over eigen grond, geen eigen land, want staat er, ze doen dienst in de tempel en hebben de Eeuwige als hun erfdeel. God is de grond van hun bestaan. Dat is hun roeping.
Dat was natuurlijk een utopie, een ideaal, en Levieten konden toch niet allemaal in de tempel werken en je moest toch ergens van leven, maar dankzij de boodschap van de apostelen, dankzij de komst van de heilige geest, wordt het ideaal nieuw leven ingeblazen. Wij leven van de wind: Adem van God, vernieuw ons bestaan.
De Eeuwige zelf is hun erfdeel. Dankzij Pinksteren, komt God in ons. De brandende braamstruik op de Sinaï kan daarvoor een beeld zijn. God stelt zich voor aan Mozes, maakt zich bekend. Ik ben er. Ik zal er zijn. De Naam die niet wordt uitgesproken. Het is een heilig moment. Mozes moet niet te dichtbij komen, het is voor mensen niet te vatten.
Toch wil deze God er zijn, voor ons, en de gloed van die aanwezigheid vuurt je aan, maar verteert je niet. De adem van God vervult je, gaat door je heen, maar je wordt er niet minder mens van.
Barnabas kan zijn akker verkopen omdat hij het niet meer als zijn persoonlijke bezit beschouwt, niet van z’n eigen. Maar van en voor de Heer. Ook als geloofsgemeenschap in Barendrecht mogen we zo naar ons kerkelijke bezit kijken en onze grond, heilige grond?
Een mooi voorbeeld vind ik toch de groenstrook achter de oude pastorie, ingericht als een voedselbos voor onze medeschepselen. Prachtig die foto’s van de egeltjes die daar zijn uitgezet en op hun manier de Schepper loven door rond te scharrelen, ook zij getuigen van Gods Geest die in ons ademt.
Op de zondag van de Drie-Eenheid vieren we dat God gemeenschap is in zichzelf, verbinding, onderlinge saamhorigheid van Vader, Zoon en Heilige Geest die alles gemeenschappelijk hebben en in dat leven van dienen en delen mogen wij meedoen en er zelfs van vervuld raken. Adem van God, vernieuw ons bestaan!
Christus en Johannes, museum Mayer van den Bergh Antwerpen
Ik ben de deur, wanneer iemand door mij binnenkomt, zul je gered worden, in en uitlopen en weidegrond vinden. (Johannes 10:9)
Het is vandaag roepingenzondag in veel kerken, in navolging van de roepstem waarmee Jezus Petrus roept: hoed mijn schapen, weid mijn lammeren. De kerk heeft herders nodig, voorgangers, priesters, ambtsdragers en op veel plaatsen is er een tekort aan pastores. Maar geroepen wordt je vooral als gemeente, als kudde. Zoals in Jesaja de sterren tevoorschijn worden geroepen, als leger van de Heer, in het gelid. Bij name genoemd en gekend.
Maar willen we nog bij een kudde horen of zijn we liever autonoom en soeverein. Onafhankelijk en zelfredzaam. De toverwoorden van deze tijd.
Om die gemeenschap is het in Johannes 10 te doen, maar schapen zijn in de regel niet zo volgzaam, ze gaan hun eigen gang, ze dwalen af, ze raken van het pad. De Goede Herder kent ze, weet hoe ze zijn.
Een samenleving heeft herders nodig, aan wie het wordt toevertrouwd om ons in goede banen te leiden. Zorgverleners, onderwijzers, politiemensen, hulpdiensten hebben een herderlijke taak, eigenlijk heeft ieder beroep wel een pastorale kant. Als het goed is wordt er naar hen geluisterd als ze hun taak uitoefenen.
Als er niet geluisterd wordt gaat het mis. Als hulpverleners worden gehinderd of erger nog aangevallen. Vorig weekend is er een conducteur mishandeld in de trein. Dat schaadt de veiligheid, het veiligheidsgevoel van alle reizigers.
In mijn eerste gemeente was ik een keer op bezoek bij iemand in het ziekenhuis, het was een man die vroeger schapen had gehad en toen het daar over ging, wilde ik als dominee het gesprek op de goede herder brengen. Maar hij was meer gefascineerd door de wolf, want hij had ooit meegemaakt, vertelde hij, hoe een dolle hond meerdere van zijn schapen had doodgebeten. De baas van de hond ontkende dat, maar hij de hond had de wol nog in zijn bek. Ik hoor het hem nog zeggen.
En daar heb ik van geleerd dat de gelijkenis die Jezus hier vertelt geen ideaalplaatje is, geen idyllisch beeld, maar een harde, gevaarlijke werkelijkheid. Je ziet de wolf aankomen, de huurling laat de schapen achter en vlucht, er ontstaat paniek bij de schapen, de wolf grijpt ze en jaagt ze uiteen.
Een uiteengeslagen, opgejaagde en op hol geslagen samenleving. Mensen zijn bang, want ze zien een wolf op zich afkomen, de dreiging van gevaar. Het zijn
de minder goede herders, die de angstbeelden aanwakkeren en de schapen in de steek laten. Ik denk dan aan leiders die de rechtstaat niet hoeden, bij wie de democratie niet veilig is en die verdeeldheid zaaien.
Het is een gelijkenis die Jezus vertelt, een gelijkenis heeft meerdere betekenislagen. Voordat hij zich als goede herder presenteert, omdat de schapen zijn roepstem herkennen, omdat hij ze kent en om ze geeft, ze liefheeft, legt hij de nadruk op de poort van de schaapskooi, het hek in de omheining, de deur.
En dan is het beeld in eerste instantie niet dat de schapen door die poort naar binnen gaan, maar de herder. Die zoekt toegang tot wie hem toebehoren. Niet door over de muur te klimmen of een tunnel te graven zoals een rover en een dief doen die de schapen komen stelen. Maar door de poort, dat lijkt misschien een open deur, maar juist die deur is bewaakt, beveiligd. In de gelijkenis staat daar een poortwachter, daar kom je niet zo maar langs. Kafka heeft daar een verhaal over geschreven.
Jezus zegt daarmee dat het hem moeite kost om zijn kudde te bereiken, om bij ons binnen te komen, zo lees ik dat, want wij hebben ons verschanst en een extra slot op de deur gedaan. Maar omdat hij ze kent, herkennen de schapen zijn stem. Hij kent ze zelfs bij name, eigenlijk een opmerkelijk gegeven in de gelijkenis. Op de boerderij van mijn opa hadden de koeien een naam, maar de schapen niet. Hier wel. De herder roept ze bij hun naam.
En hij roept ze naar buiten
Ook op deze roepingenzondag hoeven we er niet over in te zitten hoe we zoveel mogelijk schapen binnen krijgen in de kerk, daar is Jezus niet mee bezig, er is 1 kudde, die bij de ene herder hoort.
De schapen hoeven hier niet naar de schaapskooi te worden geleid, nee ze worden uitgeleid, naar buiten geroepen, dat is wat de stem van de herder doet, de buitenwereld in, daar vinden ze leven en overvloed, ook al zijn daar ook wolven.
Ja, hoe komen deze woorden van Jezus binnen in een wereld waarin mensen zich ontheemd en onveilig voelen, als schapen zonder herder. En aan de andere kant ook ongebonden willen zijn, hun eigen pad uitstippelen. Autonoom en Soeverein.
Jezus heeft het over gered worden. Van de wolf die op je afkomt. Die verscheurt en uit een jaagt. Van rover die steelt en slacht. Ik ben de goede herder. Die zich met zijn leven, met lichaam en ziel inzet, het leven laat, om jou te redden van de dood. Gered word je ook van je eenzaamheid en zelfredzaamheid.
Redding waardoor je je veilig voelt. Om in en uit te lopen en weide te vinden. Naar binnen en naar buiten, de wei in. Naar binnen, omdat je als mens ook een binnen nodig hebt, een gemeenschap waar je thuis bent, een omheining waarbinnen je veilig bent, dat er herders en poortwachters zijn die dat bewaken, ook in de kerk, vertrouwenspersonen, kosters en herbergiers die je verwelkomen en gastvrij opvangen. Gastadressen die hun huis openstellen voor groothuisbezoek.
Naar binnen gaan betekent ook dat je een binnenwereld hebt, een geweten waarin je de stem van de herder hoort, de mystieke kant van het geloof, bevinding.
En dan ook naar buiten, uit je comfort zone heet dat, dat je niet louter wolven en beren op de weg ziet, dat je je niet bang laat maken, omdat je weet dat de goede herder er ook in die buitenwereld is, omdat er leven en overvloed is en daar horen ook schapen van andere kuddes bij, dan denk ik aan andere kerken, de oecumene, maar ook aan andere religies en culturen.
Luisteren naar de goede herder betekent zowel de weg naar binnen als naar buiten gaan. En om met Jesaja te spreken, dan wordt je niet moe en moedeloos, dan sla je vleugels uit en dan ontvang je nieuwe kracht.
Wat tenslotte opvalt in de profetie van Jesaja is dat hij het opneemt tegen een ervaring van moedeloosheid en onmacht en dat die ervaring voortkomt uit een gevoel van miskend worden. Het volk zegt namelijk: ‘mijn weg blijft voor de Heer verborgen, mijn God heeft geen oog voor mijn recht.’ En dat is universeel, als mensen zich miskend en ongezien voelen dan willen we geen onderdeel meer zijn van de kudde, dan haken ze af, dan worden ze soeverein of autonoom, willen ze geen herder of hoeder voor elkander zijn. Laat dat de roeping voor ons zijn als gemeente en geloofsgemeenschap, om oog te krijgen voor wie onrecht lijdt, om een reisgenoot te zijn voor wie een moeilijke weg heeft te gaan, omdat we weten van een herder die ieder bij name kent. Die zijn leven geeft om jou te redden.
Peter Paul Rubens, Nederdaling van de Heilige Geest, KMSKA, artinflanders.be
“Blijf de aarde trouw, broeders”, zo spreekt de filosoof Friedrich Nietzsche in een van zijn werken, hij bedoelde dat anti-christelijk, want het hemelgeloof van zijn tijdgenoten nam hij maar wat graag op de korrel. Maar het zou zomaar kunnen dat dit devies ‘blijf de aarde trouw’ heel sterk overeenkomt met de betekenis van het Pinksterfeest, want wat er met Pinksteren gebeurt is dat God de aarde trouw blijft, zijn vurige liefde betoont. Niet voor niets heet de Pinkstercantate van Joh. Seb. Bach ‘o Ewiges Feuer, o Ursprung der Liebe’. Pure hartstocht.
Blijf de aarde trouw, dat is eigenlijk al het thema van Hemelvaart. . Het voorprogramma van Pinksteren, want als de Heer is opgestegen, krijgen de leerlingen te horen dat ze niet naar boven moeten blijven staren: “Galileeërs, wat staan jullie naar de hemel te kijken, Jezus die uit jullie midden in de hemel is opgenomen, zal op dezelfde wijze terugkomen.” De blik van de discipelen wordt zo weer terug geleid naar de aardse realiteit.
En met Pinksteren wordt duidelijk dat het waar is dat God de wereld liefheeft, heel de aarde komt in beeld, alle volken en talen, God laat niet langer op zich wachten, maar komt als heilige geest over de discipelen en de vonk slaat over naar allen die daar in Jeruzalem aanwezig zijn, vanwege het Pinksterfeest.
Want dat werd dus al gevierd, en die joodse oorsprong van Pinksteren is van belang, het is niet van joods in een christelijk feest veranderd, het is een samenhangend Bijbels gebeuren. Het wordt wel eens verzucht:‘wat vieren we nu eigenlijk met Pinksteren, wat moet ik me voorstellen bij de Heilige Geest?’
Dan moet je eerst bedenken waarom in het Nieuwtestamentische boek Handelingen allen bijeen zijn op dat Pinksterfeest, 50 dagen na Pesach en waarom al die mensen in Jeruzalem verzameld zijn. Dat is om te vieren dat de Eeuwige een verbond heeft gesloten met zijn volk bij de berg Sinaï, als ze Egypte ontvlucht zijn en in de woestijn beland. Op voorspraak van Mozes hebben ze zich laten meenemen, in naam van een hen onbekende God en daar bij de berg Sinaï, daar leren ze deze God echt kennen, want de Eeuwige daalt af, komt naar de aarde toe.
Met Pinksteren wordt in de synagoge gelezen, uit Exodus 19 en 20 waar de Eeuwige neerdaalt op de berg Sinaï om het volk een verbond (met de 10 leefregels!) aan te bieden. Een regeerakkoord waardoor je zult leven.
Maar als God verschijnt, daar op de berg, is dat een heftig incident, om het zomaar te noemen. De aarde schudt op haar grondvesten, donder en bliksem, een angstaanjagend natuurgeweld, God daalt af in vuur, alles in lichterlaaie, mensen die hier in Barendrecht de brand bij ‘de Kleine Duiker’ hebben gezien, kunnen invoelen hoe overweldigend dat is.
De aanwezigheid van God is wel eens omschreven als fascinerend en vreeswekkend tegelijkertijd. Je staat te trillen op je benen.
Maar let op, God verschijnt, daalt af, om een verbond aan te bieden, om zijn volk te vragen het met zijn geboden te wagen, om voortaan samen op te trekken. En je zou kunnen denken, als God dat wil, dan zit zijn verschijning hem wel wat in de weg. Als die zoveel schrik aanjaagt.
Dus daar zat ik over na te denken, als het God te doen is om dat verbond, waarom dan fascinerende en vreeswekkende natuurverschijnselen, die je de stuipen op het lijf jagen bij dat Pinkstergebeuren, de uitstorting van de Geest, zowel in Exodus als in Handelingen.
Daar zat ik over na te denken en toen was ik afgelopen woensdag hier in de kerk bij de voorstelling ‘de kleine goedheid’ van Pauline Seebrechts en zij vertelde hoe overweldigend, hoe schokkend het is… om een medemens (in nood) werkelijk te zien. Om het lijden van een ander tot je door te laten dringen. Kijk en laat je raken, was haar samenvatting van het denken van de Joodse filosoof Levinas.
Met God mee gaan ademen…
Want de aarde trouw blijven, de medemens zijn toegedaan, dat is geen eenvoudige opgave, daar zit spanning op, de vonken springen ervan af, dat de volken elkaar werkelijk gaan verstaan, dat is allerminst vanzelfsprekend, dat knettert en dat knalt.
Dus ik denk dat het vuur en de bevingen en de donderslagen bij dat neerdalen van God, dat is meer dan decor, dat laat zien dat het in die vurige hartewens van God om met zijn mensen op te trekken, om iets ontzettend spannends gaat, dat God daar zelf in vrees en beven aan begint, het is gevaarlijk terrein.
Het vuur dat uit de hemel neerdaalt, dat is Gods Geest en die zet je er toe aan om een coalitie aan te gaan met deze God, en dat is ergens spelen met vuur. Om in een moeilijke situatie je geweten te volgen. Om de schokkende ervaring dat een medemens je vraagt om recht te doen. Om te blijven geloven in een wereld waarin de volken elkaar verstaan.
Er is een rabbijnse legende die vertelt dat toen Mozes opsteeg naar de hemel om de Tora te ontvangen, die dienende engelen protesteerden bij God. “waarom geeft U het kostbaarste bezit aan stervelingen en niet aan ons.” God vroeg aan Mozes om antwoord te geven: Mozes keerde zich naar de engelen en zei: Er staat in de Tora: ‘neem de sabbat in acht, want het is een heilige dag”. Werken jullie, engelen, zodat jullie een rustdag nodig hebben? Er staat in de Tora ‘Toon eerbied voor jullie vader en moeder.’ Hebben jullie ouders die eer behoeven? Er staat in de Tora: ‘pleeg geen overspel.’ Hebben jullie, engelen, een neiging tot overspel zodat een dergelijk gebod noodzakelijk is?’ Daarop hielden de engelen op om bezwaar te maken.
Deze legende vertelt dat het deze aardse werkelijkheid van pijn en moeite, van zorg en spanning is, waar God zich mee verbindt, waar hij zijn regeerakkoord voor heeft geschreven, waarin zijn Geest afdaalt. Om bondgenoten en geestverwanten te zoeken.
God bllijft de aarde trouw. En Pinksteren roept je op om met God mee te gaan ademen.
Wanneer Petrus tijdens dit feest dankzij de uitstorting van de geest de menigte toespreekt, wordt hij geïnspireerd door de profetie van Joël: “Ik zal mijn geest (Hebreeuw ‘Ruach’: adem, wind) uitstorten op al wat leeft’.
God daalt af, wil wonen in onze werkelijkheid. Ik zal mijn Geest uitstorten op al wat leeft. Preciezer vertaalt staat er ‘op elk vlees’. Alle vlees staat er in oudere vertalingen, onze sterfelijke realiteit. Dat lastige leven van ons.
Blijf de aarde trouw, zusters en broeders, want God blaast zijn geest over je heen om op deze aarde daadwerkelijk zijn bondgenoot en geestverwant te zijn. Amen
Hendrick ter Brugghen, de Annunciatie, 1629, stedelijk museum Diest, beeld artinflanders.be
Onze krant opende deze week met een minder leuke kerstboodschap. Het christendom inspireert nog amper stond er op de voor. Een op de 5 Nederlanders vindt Jezus nog relevant. Dat blijkt uit een onderzoek van de EO. ‘Een levensbeschouwelijke ramp’ wordt het genoemd.
Nu zal je dat misschien niet verrassen en de uitkomst van de enquête heeft wellicht ook met de insteek van de Evangelische Omroep te maken die erg op het zenden van een boodschap is gericht, op relevant en zichtbaar zijn, terwijl het in het geloof toch echt van de andere kant moet komen en het er juist om gaat dat God in het verborgene werkt.
Toch voel ik wel iets van pijn, als ik het lees, vooral omdat ik het herken, om me heen, ergens toch ook bij mezelf. Ik ervaar het als verlies dat Jezus het aflegt tegen de influencers en trendsetters van onze tijd.
En het helpt ook niet echt als een nieuw verkozen 2e kamervoorzitter met een op zich oprecht gebed van Gerard Reve afsluit. Daar wordt je als kerk ook weer op aangekeken en afgerekend.
Maar, eigenlijk is het zo logisch, want als Maria zich al afvraagt ‘hoe kan dit’ en wat heeft dit te betekenen’, wat zouden wij er dan mee kunnen? Want het is zo’n apart verhaal en er zitten ook denkbeelden in over relaties en seksualiteit die niet per se de onze zijn. Dat Gabriël Maria komt vertellen wat er gaat gebeuren en zij moet zich daar dan maar in schikken. Vreemde geschiedenis.
Hebben we meer Maria nodig? dat zou kunnen. Een jonge vrouw die het heil draagt en bewaart in haar hart, die met een mooi Duits woord Hoffnungsträger wordt. Gezegend onder de vrouwen. Zij zegt, hier ben ik, stapt uit de schaduw, hier komt een mens aan het licht, waar de gangbare geschiedschrijving aan voorbij was gegaan. Zij inspireert, juist omdat ze zelf niet zo nodig relevant wil zijn.
Dat gedicht van Reve heet trouwens dagsluiting, het gaat zo:
Eigenlijk geloof ik niets en twijfel ik aan alles,
maar soms wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft,
dan denk ik dat Gij liefde zijt en eenzaam
en dat in zelfde wanhoop, Gij mij zoekt, als ik U.
Toch niet alleen maar ironie dit gebed, meer dan nostalgie. Ergens is dit de boodschap van Kerst, dat God onze eenzaamheid doorbreekt.
Hier ben ik, de Heer wil ik dienen en dat uit zich in dat prachtige gedicht dat wij hebben gezongen als de lofzang van Maria, is in kloosters de dagsluiting/ het avondgebed. ‘Mijn ziel maakt groot de Heer.’
Daarvoor hoeft ze zelf niet uit te blinken en te excelleren, God heeft haar gezien in haar lage staat, in haar netelige positie, juist als ongehuwde moeder, dan stond je maatschappelijk niet hoog in aanzien, dan wilde je je misschien het liefst verstoppen. Maar Maria stapt naar voren. Alle generaties zullen haar gelukkig prijzen. Dus niet dat ze klein of min denkt over zich zelf, maar de lofprijzing haalt haar uit haar isolement.
En dan komt heel de geschiedenis van het volk Israël mee. Het verbond van deze God die bondgenoten zoekt, verbondspartners die zeggen: ‘hier ben ik’. Zoals Abraham deed en Mozes.
‘De Heer wil ik dienen, mij geschiedde naar uw woord’, zegt Maria tegen Gabriël, laat met mij gebeuren zoals u heeft gezegd. ‘Fiat’, staat er in de latijnse vertaling, laat gebeuren, zij geeft haar fiat. Dat is meer dan ‘het zij zo’. Ook al is ze totaal overrompeld, ze is er helemaal bij, zij doet mee. De God van het verbond handelt niet zonder zijn mensen erbij te betrekken.
Vandaar dat de kerk bij deze Adventszondag de tekst uit Jesaja heeft uitgekozen. Over de samenwerking tussen hemel en aarde. Dauwt hemelen. Een beeld uit de natuur, bij natuurkunde moet je dat leren wat condenseren is. En laat de aarde zich openen, zodat redding zal ontkiemen. In een traditioneel commentaar wordt de betekenis hiervan gezocht in de zekerheid dat dit gaat gebeuren.
Zo zeker als de akker gewas voortbrengt wanneer het regent, zo zeker komen Gods beloften uit. Volgens mij ligt de gelijkenis meer in de wisselwerking, de interactie. De redding die God brengt komt van boven, maar ook van beneden. Laat de aarde en daar zijn wij aardbewoners mee bedoeld, gerechtigheid voortbrengen. Dat is volgens Jesaja Gods gebed aan ons. Laat er in deze wereld iets van terecht komen….
De engel Gabriël zegt tegen Maria: Je zult hem Jezus noemen: Jeshua in het Hebreeuws .Redder of redding. Het is de redding waar God om bidt en naar verlangt in Jesaja 45: laat er redding ontkiemen.
Wat Jezus in onze tijd een beroerde uitgangspositie lijkt te geven, is nog het meest de afwezigheid van reddingsbehoefte. Waar hebben wij Jezus eigenlijk voor nodig. Hoe zou Jezus ons kunnen redden en waarvan eigenlijk? Een levensbeschouwelijke ramp voelt niet als een echte ramp. We denken het wel te redden en we zien wel waar we onze inspiratie vandaan halen.
Miskotte noemt dat al in 1936 het ontzettende geheim van deze tijd, in een kerstbrief aan zijn gemeente, Haarlem: “Wij hebben God niet meer nodig.(…) deze hartverscheurende en zalige krampachtigheid vieren wij de zinloosheid van het mens-zijn als had het tóch een zin: de dappere eenzaamheid, de dappere dood.”
Maar lees Jesaja 45: dauwt hemelen: er is een God die vurig naar redding verlangt, voor wie opgesloten zitten in het duister, vluchtelingen in hun kampen, vervolgde christenen, Oekraïeners in hun schuilkelders, Russische soldaten die naar het front worden gestuurd, Israëliers die gegijzeld zijn, inwoners van Gaza die geen kant op kunnen.
En die ook jou en mij wil bevrijden van je onvrede, je onbehagen, je zelfgenoegzaamheid. Open je daarvoor. Dat is Gods gebed.
Meester van Alkmaar – Werken van Barmhartigheid (1504), Rijksmuseum
We bevinden ons in de tijd van voleinding. De zondagen na Allerheiligen heten in het kerkelijk jaar namelijk de zondagen van de voleinding. Dat klinkt als een afronding, een afsluiting, een laatste ronde, de blessuretijd. (mooi woord eigenlijk, blessuretijd). Eind goed, al goed of de apocalyps, het einde der tijden, dag der wrake….
Maar van oorsprong zijn deze zondagen van de voleinding bedoeld als een voorbereiding, een aanloop, een warming up voor de zondagen van Advent, de tijd van Christus die aanbreekt, de komst van de messias.
In Matteüs 25 spreekt Jezus over de komst van de mensenzoon. Een messiaans figuur die in het vroege Jodendom verwacht werd en die zou komen om de wereld te richten, orde op zaken te stellen. Jezus deelt die verwachting en het evangelie laat in het midden of Jezus daarmee zichzelf bedoelt, in de christelijke geloofsbelijdenis is het wel zo opgevat. Jezus zal op een dag als rechter verschijnen om het laatste oordeel te vellen.
Laatste oordeel, dat is het kopje dat traditioneel boven dit gedeelte staat. Maar wat me nu opviel, het woord oordeel gebruikt Jezus hier niet, terwijl dat wel voor de hand zou liggen, Jezus heeft het in ander verband zeker over oordelen en geoordeeld worden. Maar hier gaat het meer over van elkaar scheiden, uit elkaar houden. Maar is het dan wel een laatste uitspraak? In de zin van laatste halte, ‘eindpunt van deze trein’.
In zijn theatervoorstelling ‘in Gods naam’ van Bastiaan Ragaz die ik afgelopen woensdag heb bijgewoond, laat hij bijbelverhalen de revue passeren, David, Job, de verloren Zoon, ik vond het knap gemaakt, humoristisch, zonder dat het lacherig word.
Bastiaan Ragaz noemt dan ook het laatste Avondmaal en hij zegt, hoezo laatste avondmaal, het gaat om de Pesachviering, de herbeleving van de doortocht, en niet de laatste, want Jezus zegt juist dat ze die moeten blijven vieren. En dat Pascha volgt direct op onze evangelielezing uit Mt 25. De Mensenzoon die hier nog de rechter en koning van alle volken is, wordt 2 verzen later overgeleverd om gekruisigd te worden.
Zoals het laatste avondmaal in feite geen laatste avondmaal is, zo hoeft het laatste oordeel geen laatste oordeel te zijn als je goed leest. Je kan deze tekst ook als een soort van jurisprudentie zien, dit is waar deze rechter op let, of beter gezegd, deze herder.
Het is een ontspannend element uit de christelijke traditie dat je het eindoordeel over je leven aan en dat van een ander aan God mag overlaten. Je hoeft je eigen leven geen cijfer te geven.
Dat het de Heer is die als scheids-rechter optreedt, dat is een troost. Er is een ultieme beroepsinstantie die recht zal doen. ‘Een goede scheidsrechter valt niet op,’ zeggen ze in het voetbal, maar hij laat de zware overtredingen niet lopen, hij grijpt tenslotte in.
Dat zit in deze tekst, maar er is meer dan dat. Het is meer dan het eindstation en de slotconclusie van de geschiedenis. Deze woorden van Jezus doen recht aan je leven hier en nu.
We hebben het als 1 schriftlezing gelezen, zo staat het ook te boek, maar ik raak er steeds meer van overtuigd dat het eigenlijk om 2 gelijkenissen zijn die Jezus vertelt. De eerste gelijkenis gaat over de Mensenzoon, voor wie de volken verschijnen. Let op, er staat niet de mensen, maar de volken. Die volken worden uit elkaar gehaald, zoals een herder schapen en bokken van elkaar scheidt. Schapen en geitebokken die door elkaar geweid worden, maar als ze te drinken worden de bokjes apart gezet omdat ze de schapen met hun hoorns verdringen en aan de kant drukken. Het schijnt trouwens dat schapen ook behoorlijk bokkig kunnen zijn.
Wat doet deze mensenzoon dus. Vrede stichten. De volken die met elkaar in de clinch liggen, die elkaar verdringen en wegduwen worden uit elkaar gehaald. Het visioen van de shalom, van leeuw en het lam die tezamen weiden. De strijdende partijen ontwapend. Hij is de goede herder die de verzwakte en gewonde dieren in bescherming neemt en de agressievelingen in toom houdt en apart zet.
Wanneer zal het vrede zijn, hoe lang moet je daar op wachten? De mensenzoon verschijnt in het bijzijn van zijn engelen, hij heeft dienaren, helpers. Engelen, bijzondere hemelse wezens. Ik probeer me daar wat in te verplaatsen, want bij de komende kerstwandeling in Barendrecht mag ik de engel Gabriël spelen.
Deze mensenzoon is niet zonder zijn engelen, zou dat een aansporing kunnen zijn om zelf ook daadwerkelijk zijn dienaar en helper te worden, een vredestichter. Ja, die engelen mogen ook nu actief worden om de volken tot vrede te bewegen. In Gods naam.
Dat is de eerste gelijkenis, het eerste scherm, in de tweede gelijkenis, op het tweede scherm is de herder een koning geworden. Dat loopt in elkaar over, want een goede koning is Bijbels gezien een herder. David was ook eerst herder en toen koning, er is dus overlap, maar het is wel een nieuw gezichtspunt.
De koning zegt tegen degenen aan zijn rechterzijde: jullie zijn gezegend, kom binnen want jullie hebben mij gevoed toen ik hongerig was en te drinken gegeven. En gekleed en gehuisvest, verzorgd en bezocht.
Wanneer hebben we u dan gezien? Het antwoord: “Wat jullie aan een van deze geringen hebben gedaan, heb je voor mij gedaan.”
Deze gelijkenis is symmetrisch, het is een tweeluik, zo is het in de kunstgeschiedenis ook op altaarstukken veel verbeeld. Tot degenen aan de linkerzijde zegt de koning: ga weg, want jullie hebben mij niet gevoed toen ik hongerig was, mij niet te drinken gegeven, mij niet gekleed, mij als vreemdeling niet opgenomen, mij als gevangene niet bezocht.
Wanneer dan Heer? Het antwoord: Wat jullie aan een van deze geringen niet gedaan hebben, heb je voor mij niet gedaan.
Het indrukwekkende van dit tweeluik is dat Jezus hier een koning is die niet vanuit de hoogte regeert, maar vanuit de diepte. Jezus had ook heel goed kunnen spreken van een koning die boven de partijen staat en ieder geeft wat hij of zij verdient in de trant van: dit is mijn uitspraak en daar moet u het mee doen.
Maar Jezus heeft het hier over een koning die zich schaart bij de hongerigen en de dorstigen, bij de daklozen en de zieken en zelfs bij de criminelen, de gevangenen.
Dat is precies wat er in het lijdensevangelie gebeurt, dan is Jezus de koning der Joden die tot de misdadigers wordt gerekend, die ontkleed wordt, die te drinken vraagt omdat hij dorst heeft.
Deze mensenzoon is één met de minsten der mensen, ze zijn zijn broeders en zusters, hij draagt hun oordeel, is solidair met wie hulpeloos en haveloos zijn. Hij staat aan hun kant. Degenen aan de linkerkant van deze gelijkenis willen van deze relatie niet weten, zij antwoorden wel, maar niet tot de koning. Ze praten voor zich uit en sluiten zich af. Ze hebben de communicatie verbroken.
Deze woorden van Jezus staan niet voor niets vlak voor zijn lijden en sterven. Daar zijn ze al tot vervulling gekomen. Een koning die vanaf het kruis geregeert, de herder die zijn leven geeft. En die je toespreekt in de mens die gebrek heeft, aan voedsel of kleding, aan warmte of gastvrijheid, die opgesloten zit in eenzaamheid. Kortom de naaste die je nodig heeft. En die voelt heel goed het verschil of je uit de hoogte doet of dat je echt geïnteresseerd bent.
Ik sluit daarom af met een rabbijns verhaal dat mogelijk een joods commentaar is op deze woorden van Jezus. Van rabbi Joshua wordt gezegd dat toen hij het graf van zijn vader bezocht en dat hij daar op een dag de profeet Elia ontmoette. Hij vroeg aan Elia: ‘Wanneer komt de messias’. Elia zei, ‘ik weet het niet, maar vraag het hem zelf.’ Hij zit namelijk bij de stadspoort tussen de bedelaars en degenen die daar hun wonden verzorgen. (Blessuretijd voor de scheidsrechter) Oke, dus Joshua naar de stadspoort en daar zit inderdaad de messias.
Wanneer komt U? De messias antwoordt: ‘Vandaag’. Later komt Joshua Elia weer tegen. ‘Heb je de messias ontmoet?’ ‘Ja, maar het klopte niet, want hij zei ‘vandaag’.’ Waarop Elia zegt. Hij bedoelde het zoals in de Psalm staat. ‘Vandaag…, indien je naar mijn stem luistert.’
Preek 19 november over Matteus 25:31-46 de komst van de Mensenzoon
Werkers in de Wijngaard, Byzanthijns – 11e eeuw (bron: parabel project)
Een van de leukste cantates van Johan Sebastian Bach, als ik dat zo oneerbiedig mag zeggen, is geschreven bij de gelijkenis van de werkers in de wijngaard. De titel van de cantate is ‘Nim was dein ist und gehe hin’ . Neem wat van jou is en ga heen. De woorden van de eigenaar tot de morrende ontevreden werkers van het eerste uur, als ze merken dat ze hetzelfde loon ontvangen als de werkers van het elfde uur.
In het vervolg van Bachs cantate word je dan ook vooral aangesproken om niet ontevreden te zijn.
Mor niet, beste christen,
als er iets gebeurt wat niet naar je zin is,
maar wees tevreden met dat
wat God je heeft toebedeeld,
hij weet wat nuttig voor je is.
De cantate geeft naast vrolijke muziek ook een duidelijke uitleg van de gelijkenis, waarin het accent ligt op tevredenheid, genügsamheit in het Duits en het vertrouwen dat Gods voorzienigheid je zal geven wat je nodig hebt, of je nu arm bent of rijk. Daar moet je niet tegen in willen gaan, maar je van harte bij neer leggen.
Tevredenheid
is een schat in dit leven,
die vreugde kan geven
in de grootste droefheid;
want in alles kan men vrede hebben
met Gods beschikking. Tevredenheid.
Een uitleg die past bij de theologie van de tijd van Bach. Gezagsgetrouw, vroom, de vreugde wordt gezocht in de overgave aan Gods beschikking. Maar beleven wij dat zo?
In andere tijden ontdekt men weer andere aspecten in deze gelijkenis van Jezus. Juist het belang van sociale gerechtigheid. De rol van goed werkgeverschap, de waarde van solidariteit, de onderhandelingspositie van de arbeider, de ellende van massale werkloosheid, aandacht voor de arbeidsomstandigheden van wie zwaar, belastend werk doen in de hitte van de dag.
Bestaanszekerheid, terecht dat dit onder de aandacht en op de agenda is gekomen en in verkiezingsprogramma’s. Het is onrecht als er armen zijn die geen boodschappen kunnen betalen, die in onzekerheid verkeren of ze hun vaste lasten nog kunnen voldoen, als de huren stijgen en de lonen en uitkeringen blijven achter. Het zijn vaak degenen die zware werk doen die bij inflatie het eerst in de problemen komen.
De eigenaar komt 1 drachme overeen met de arbeiders van het eerste uur en geeft dit vervolgens ook aan degenen die later zijn begonnen. Een drachme staat gelijk aan een dagloon, het is wat je nodig hebt om van te kunnen leven, te kunnen bestaan. De Tora van Mozes schrijft voor dat de dagloner dat loon ook dezelfde dag krijgt. Hij mag niet arm en afhankelijk worden gehouden.
In het personeelsbeleid van deze wijngaard krijgen alle arbeiders een menswaardig inkomen, waar ze met hun gezin van kunnen bestaan. Dat je genoeg krijgt om van te leven. Ja, het minimumloon moet genoeg zijn om je huur te kunnen betalen en je lidmaatschap van de sportvereniging en om je verjaardag te vieren
Dat je genoeg krijgt, dat zit in dat dagloon van 1 drachme. En dat je er genoeg aan hebt? Toch iets van die Genügsamkeit van Bach. Dat je kunt genieten van genoeg. Niet meer, meer, meer willen dan een ander, maar je zegeningen tellen. Daar houden we een oogstdienst voor.
Tot 5 maal toe gaat de landheer op zoek naar arbeidskrachten en 5 keer vindt hij ze. ‘Kom binnen’, zegt hij steeds ‘in mijn wijngaard’. 5 boeken zijn er van Mozes, die samen de Tora vormen met het steeds terugkerende thema ‘God zoekt de mens.’
Ik werd getroffen door de woorden van de werkers van het 11e uur. Tegen hen zegt de landheer. Waarom staan jullie hier de hele dag zonder werk. En dan antwoorden ze. Niemand heeft ons ingehuurd. Niemand heeft ons nodig gehad.
Dat is pijnlijk en schrijnend. Dat je letterlijk aan de kant staat, dat ze je laten staan, dat niemand je kan gebruiken. Nergens goed voor. Geen passend werk te vinden. Overbodig. Overtollig.
Dat laat deze landheer niet gebeuren. Dat komt in zijn koninkrijk niet voor, dat je niet nodig zou zijn. ‘Kom in mijn wijngaard’ zegt hij telkens. De rabbijn Abraham Heschel spreekt van the need is to be needed. Een mens wil heel graag iets zinvols bijdragen, iets betekenen, al is het dat ene uurtje bij het scheiden van de markt, te elfder ure.
Ook in de levensavond, oudere mensen willen natuurlijk niet doelloos terzijde staan. Sta op voor grijze haren, staat er in Leviticus 19. Niet zozeer uit beleefdheid, maar omdat generaties van elkaar leren. Denk niet dat je als oudere niet toe doet of dat jong zijn alles is, er bestaat niet zoiets als voltooid leven, als ik dat zo mag zeggen.
Aan het einde van de gelijkenis ontstaat er zoiets als een arbeidsconflict tussen de landheer en de werkers van het eerste uur. Ze hadden op meer gehoopt. De landheer zegt: ik behandel jullie toch niet onrechtvaardig?
Of is jullie oog boos omdat ik goed ben? Dat was ook de vraag aan Jona weet je nog: is het terecht dat je boos bent? Ben je jaloers? We begrijpen die werklieden die voor dag en dauw zijn opgestaan toch wel een beetje. Werken moet toch lonen, dat is voor onze economie ook een vraagstuk, een puzzel en het cpb rekent dat allemaal door.
Dat doet de gelijkenis niet, het beleid van de landheer helemaal doorrekenen. Jezus stelt je de vraag, met welke maat meet je? Gebruik je Gods gerechtigheid als maatstaf, waarbij geen mens in armoede aan de kant staat, of is je maatstaf wat de ander meer of minder heeft dan jij, zodat je nooit genoeg hebt. Zodat het nooit genoeg is.
Gods gerechtigheid als maatstaf. Leviticus heeft het heel praktisch over rechtvaardige lengtemaat, een rechtvaardig gewicht en een rechtvaardige inhoud. Dat je bij het kopen en verkopen de ander niet oplicht. Een onsje minder merken ze toch niet, krimpflatie noemen ze dat, is aan de orde van de dag in de supermarkt.
Zuiver meten en wegen, met Gods gerechtigheid, dat houdt in dat ieder genoeg krijgt en dat je kunt genieten van genoeg. Dat je je werk na gedane arbeid kunt laten rusten, dat was het voor vandaag, genoeg gedaan, voor jezelf en voor je werkgever.
Jezus nodigt je uit om zijn wijngaard binnen te gaan. Om mee te werken aan zijn oogst. Kom erin. Ga mee. Doe mee. Werk genoeg en ook als je alleen dat ene uur in de week in de kerk bent draag je bij, ben je nodig.
En je krijgt er nog iets voor terug ook. Dat je mag leven van Gods gerechtigheid. Het is zijn goedheid dat hij je nodig heeft, want God zoekt de mens.
Preek voor dankdag voor gewas en arbeid, november 2023
Hans Memling – Johannes op Patmos (1479), St. Jans-hospitaal-Brugge (bron: Statenvertaling.net)
En God zal iedere traan uit de ogen afwissen (Openbaring 7)
Psalm 126. Deze week zag ik een lesauto door Barendrecht rijden met als naam van de rijschool, Psalm 126. Ik vroeg me natuurlijk af wat voor een verwijzing dat zou kunnen zijn en ik zocht psalm 126 op. Daar staat: “wat met tranen werd gezaaid, zal met gejuich worden gemaaid. Wie in tranen op weg gaat, dragend de buidel met zaad, zal thuiskomen met gejuich.”
Ja, dat slaat wel een beetje op de rijlessen die ik indertijd volgde, maar iPsalm 126 is vooral een diepzinnige tekst over verdriet en troost. Het is de gelijkenis van de zaaier die zijn laatste voorraad graag prijsgeeft aan de aarde in de hoop op een nieuwe oogst, maar dat kost heel wat tranen. In tranen op weg gaan, over die tranen gaat het in Openbaring 7, de lezing die we zojuist hebben gehoord..
In dat laatste Bijbelboek, de Openbaring van Johannes, krijgt de apostel Johannes visioenen te zien. Waarvan hij niet alles begrijpt, maar de Heer die hem dit alles laat zien, geeft hem de opdracht het op te schrijven. Zoals hij het voor zich ziet. Johannes vertelt er bij dat het hem raakt, dat het hem emotioneert wat hij ziet, de verdrukking waar de mensen onder te lijden hebben, hij moet er om huilen, tot tranen geroerd. Ja, hij kijkt in die visioenen door zijn tranen heen.
Wat Johannes in hoofdstuk 7 ziet is de hemel, de troon van God, engelen en hemelse wezens erom heen, en tegelijkertijd ziet Johannes in zijn visioenen ook hoe God naar de wereld kijkt. Er zit dus ook een wisseling van perspectief in, zoals dat vaker gebeurt in een droom.
Die beide perspectieven, kijkrichtingen wil ik graag met jullie verkennen.
Eerst de blik in de hemel, hoe zie je dat voor je? Ja, de hemel. De meeste mensen die ik spreek zeggen eerlijk dat ze het niet weten, hoe dat zal zijn. Degenen die ik spreek zeggen meestal niet: zoals het in Openbaring getekend wordt, zo is het, dat is de zintuigelijk waarneembare werkelijkheid. Als iemand aan Johannes vraagt om te identificeren wat hij ziet, dan durft hij dat niet aan. U weet het, zeg het maar.
Het is dan ook een visioen, een beeld. Maar probeer dat beeld even vast te houden. In Openbaring 7 zijn er engelen en mensen verenigd om een troon. Het zijn mensen die uit de verdrukking komen, zo worden ze geïdentificeerd.
Uit de verdrukking, de benauwdheid komen ze. Verdrukten die niet zonder kleurscheuren door het leven zijn gekomen, ze zijn beschadigd en berooid, afgemat en uitgeput, en als ze dan bij God komen roepen ze om hulp. De redding komt van God en van het lam is een gebed om redding, een noodkreet, breng toch bevrijding Heer. Maar hun noodkreet wordt een danklied, ze dienen God, het is thuiskomen met gejuich.
Het beeld dat Johannes krijgt van de hemel is de hemel als wachtkamer. Min of meer de wachtkamer van een ziekenhuis waar mensen met allerlei kwalen en ziektegeschiedenissen verzameld zijn om geholpen te worden. Daar worden ze opgelapt en verzorgd en getroost. Daar zijn ook tranen. ‘Tears in heaven’. En God zal iedere traan uit de ogen wissen. Ja iedere traan staat er dus, heel persoonlijk. God zal zich naar hen toebuigen, ziet Johannes, om ieder te troosten.
Hoe zie je dat dan voor je met een ontelbare menigte, onnoemelijk veel, daar gaat het juist om, dat die al die mensen die naamloos ten onder gingen, ook degenen die eenzaam zijn gestorven, die vergeten zijn geraakt, voor God verschijnen en dat Hij hun tranen heeft geteld. Would you know my name. Ja, God kent ieder mens bij name.
Ik denk dan aan Arash. Een man die hier in Barendrecht in ons midden woonde. Een Iraanse asielzoeker, statushouder. Die onder tragische omstandigheden eenzaam was gestorven. Maar de kerk in Rotterdam die hem eerder had opgevangen zorgde voor een waardige uitvaart, waarin hem recht werd gedaan en er waren ook buren en andere betrokkenen bij. En ik voelde, dit is intens verdrietig, maar hier gebeurt ook iets bijzonders. Hier ben je kerk voor, om een medemens niet anoniem te laten, zijn naam te noemen.
De hemel is in dit beeld ook een wachtkamer omdat het nog niet klaar is. Juist in de hemel wordt er vol verlangen uitgekeken naar de komst van Gods rijk op aarde, naar herschepping, alle dingen nieuw. Daar wordt met hartstocht om geroepen. De redding komt van God en van het lam. De redding komt.
Met het lam wordt Christus aangeduid. Als een paaslam is hij verwond en gedood, dat ons de vrije doortocht. Dat de menigte hun kleren hebben gewassen in het bloed van het lam, wil zeggen, met Christus gestorven en opgestaan. Dat je mag leven dankzij Hem die het Leven zelf is. En die witte klederen zijn feestkleren, ze zwaaien met palmtakken, het is blijde verwachting. Een vreugdevol uitkijken naar de redding die God brengt. En daarom toch ook het leven dankbaar ontvangen en vieren, al is het door je tranen heen.
En als we het perspectief wisselen, vanuit de hemel, vanuit Gods oogpunt zicht krijgen op onze werkelijkheid….
Kijkt God met tranen in de ogen naar zijn wereld? Ja voor God geldt ook dat hij met tranen heeft gezaaid, zijn zoon die in ons midden is komen wonen is en gestorven en begraven. En zo heeft God verdriet om al die mensen die niet aan leven toekomen, die in de verdrukking zitten, die in duisternis wonen. Iedere traan in Gaza en in Israël. Gelukkig, dat God mee kan huilen, dat hij er weet van heeft, ook van jouw verdriet. Tears in heaven.
Psalm 126 zegt: “Zij die in tranen zaaien, zullen oogsten met gejuich. Wie in tranen op weg gaat, dragend de buidel met zaad, zal thuiskomen met gejuich.”
Thuiskomen… Het lam wordt ook een herder genoemd, die de kudde de weg wijst naar de waterbronnen van het leven. Het beeld van de levensweg, een reis, waarbij je het zwaar te verduren hebt, er is honger en dorst, de hitte van de zon, maar je gaat van bron naar bron, van oase naar oase, van rustpunt naar rustpunt. En de herder gaat met je mee, hij geeft de route aan, hij draagt je als het nodig is, hij brengt je thuis.
‘Hij die zetelt op de troon zal bij hen wonen’. Zal zijn tent over hen uitspannen zegt een andere vertaling. Dat past bij dat op weg zijn, God die zijn trekkerstentje in ons midden heeft opgezet. Om je nabij te zijn en je te troosten, iedere traan.