Adam in Ballingschap

Jan Breugel de Oude en Peter Paul Rubens, Adam en Eva in het paradijs, Mauritshuis.nl

“De voorstelling is een humoristisch en rauw theaterstuk waar mogelijk soms aanstootgevende tekst en ruw taalgebruik in zit.” Ik ben gewaarschuwd als ik tijdens het Zeeland Nazomerfestival de voorstelling ‘Wie is Bang’ bezoek, geschreven door de Vlaamse schrijver Tom Lanoye, uitgevoerd door de NT Gent. Voor een gemeenteraadslid van de SGP in Middelburg is het taalgebruik reden om tegen de uitvoering te protesteren, aldus een artikel in het Reformatorisch Dagblad.https://www.rd.nl/vandaag/binnenland/toneelstuk-met-vloeken-kwetst-zeeuw-1.1590156

Ik ben een liefhebber van de teksten van Tom Lanoye, hij is een meester van de polemiek, de tirades van de grofgebekte personages zijn creatief en vermakelijk. Tegen vloeken kan ik niet goed, maar niet iedere vloek is ijdel gebruik van Gods Naam. Een predikant heeft wel eens beargumenteerd dat er zoiets is als functioneel vloeken, al zal het SGP-raadslid er bij blijven dat een vloek ieder doel mist. Dat de voorstelling beledigend voor christenen zou zijn zoals in het RD-artikel wordt gesuggereerd, is echter niet aan de orde.

Hoort Adam nu vast vloeken, zingen de engelen, als de mens in Vondels toneelstuk ‘Adam in Ballingschap’ van de verboden vrucht heeft geplukt. Verder geen onvertogen woord in de tekst van Vondel, toch waren er 17e eeuwse staatkundig gereformeerden die aanstoot namen aan zijn toneelstukken. Voor hen zal het wat al te fantasierijk geweest zijn dat Vondel engelen aanwezig laat zijn tijdens de bruiloft van Adam en Eva in het paradijs en dat ze bovendien samen met mensenpaar een echte huwelijksdans inzetten.

Gunt uw gasten dat ze om strijd,

God en u ter ere, trippelen,

En rondom u hene hippelen.

Laat ons dus de bruiloftstijd

Vieren, want de feestgenoden

Voegt geen stilte, op ’t hoge feest,

Maar een dans , van God geboden. (861-867)

Galant is trouwens hoe Vondel in dit stuk over Adam en Eva in het paradijs de kwestie van het functionele naakt oplost. Blote acteurs zal Vondel niet overwogen hebben, maar juist in zijn toneelbewerkingen van Bijbelverhalen wilde hij realistisch zijn. Hij kleedt het mensenpaar in kleren van witte zijde, het kleed der gerechtigheid, maar wel zo dat door de zijde heen: De schoonheid van het lijf, uitschijnen kan en gloeien (109): Zo blijft hij trouw aan de Bijbeltekst waar staat dat zij beide naakt waren (Genesis 2.25) en weet hij met behoud van de goede zeden de zinnen te prikkelen.

Maria?

Voor de liturgie van de Rooms-Katholieke kerk heb ik grote achting. De toewijding waarmee daar de eucharistie wordt beleefd bezie ik als protestant met enige jaloezie. Ik kan het ook slecht hebben wanneer er geringschattend wordt gesproken over het rooms-kahtolicisme. Mijn oecumenische intenties hebben het echter moeilijk met de rol van Maria. Ook al is de katholieke leer helder dat zij geen goddelijke status heeft en dus niet aanbeden wordt. Ook al verdedigt de protestantse hoogleraar Bram van de Beek de voorspraak en bemiddeling van Maria omdat wij medegelovigen mogen vragen om voor ons te bidden, of ze nu in de hemel zijn of op de aarde. Voor de Mariavroomheid ben ik nog niet gewonnen, al doet Vondel nog zo zijn best: ’t Orakel, naar wiens stem het al moet horen/ dronk met die melk der kuise moeder in/ haar liefde die geworteld in zijn zin/ zijn hart nog raakt in ’t hoogste koor der koren. (uit ‘opdracht aan de Heilige Maagd’)

This image has an empty alt attribute; its file name is img_20190723_124017760952231340.jpg

In Limburg maak ik de vespers mee in een Benedictijnerklooster waarin traditiegetrouw de lofzang van Maria wordt gezongen (het Magnificat) en in een protestantse eredienst een paar kilometer verderop wordt een Marialied aangeheven, ik zing mee, nog niet geheel overtuigd, maar toch…

Niet alle afbeelding van Maria kunnen mij bekoren, maar ik raak onder de indruk van een Piëta in een aan ‘Onze-Lieve-Vrouwe’ gewijd kloosterkerkje in de Elzas. Niet ver daarvandaan, in Sarrebourg bezoek ik de voormalige Franciscaner kerk waarvoor de Marc Chagall een groot glas-in-loodraam ontwierp, getiteld la Paix (de Vrede). Centraal staat een veelkleurige boom des levens met daarin Adam en Eva als geliefden afgebeeld (zie bovenste foto). Daarom heen verschillende taferelen uit het Oude en Nieuwe Testament. Schitterend!

Helemaal onderaan het raam, bijna wegvallend in de blauwe achtergrond, zien we een vrouw met kind, wat ons meteen doet denken aan Maria met Jezus. Geen hemelkoningin, maar een Maria die zich dicht bij de wortels van de levensboom bevindt. Dat spreekt me aan. Hoe zei Vondel dat ook al weer? ‘Haar liefde die geworteld in zijn zijn zin, zijn (en mijn, FdR) hart nog raakt…’

This image has an empty alt attribute; its file name is img_20190805_201552736-139098598.jpg

God in Frankrijk

Wie op vakantie gaat in de Elzas, minder ver, deze zomer helaas niet veel minder warm dan de Côte d’Azur, merkt dat godsdienst hier zichtbaarder aanwezig is dan in de rest van Frankrijk. Dat heeft met pluriformiteit te maken, in veel plaatsen zie je zowel een protestantse als een katholieke kerk. Voor welk gebouw de vele ooievaars een voorkeur hebben vraagt om nader onderzoek.

Het heeft ook met wetgeving te maken. Dat komt omdat de Elzas nog Duits grondgebied was toen in de rest van Frankrijk de zogeheten Laicité werd ingevoerd. In de regionale krant vind je dan ook een kerkelijke opiniepagina en de dominee die op zondag een mooie dienst verzorgde, zie je op maandag in een ‘Jesus Marche’ door het stadje fietsen.

Het Jodendom heeft eveneens een lange geschiedenis in de Elzas. Veel plaatsen hebben een synagoge, helaas vaak niet meer in gebruik, de Joodse gemeenschap bevindt zich vooral in Straatsburg. De oorspronkelijke synagoge daar is echter in de oorlog door de Nazi’s verwoest. Onverdraaglijk dat er in Frankrijk recent opnieuw burgers zijn vermoord vanwege hun Jood zijn.

In het stadje Marmoutier bevindt zich behalve een monumentale abdijkerk ook een historisch museum dat gevestigd is in het huis waar voorheen de rabbijn van de joodse gemeenschap woonde. Om Soekot ( loofhutten) te kunnen vieren was er een balkon ingericht met een verstelbare overkapping. In het museum tref je een collectie met voorwerpen uit de synagoge en tekeningen van de 19e eeuwse kunstenaar Alphonse Levi, die het Joodse leven met humor en liefde portretteerde. Alleen zijn karikaturen zouden we nu niet meer onschuldig vinden.

Indrukwekkend is tenslotte de Mikwe, het rituele bad dat bewaard is gebleven. Het laat zien dat de christelijke doop van oorsprong een afdalen is geweest.

De Val

Landschap met de val van Icarus- naar Pieter Breughel de oudere (ca. 1590), wikipedia.org

Is’t Noodlot dat ik val, van eer en staat beroofd:

Laat vallen, als ik val, met deze kroon op ’t hoofd.

( )

Dat vallen strekt tot eer, en onverwelkbare lof

En liever de eerste vorst in enig lager hof

Dan in ’t zalig licht de tweede of nog minder

Zo troost ik mij de kans en vrees nu leed noch hinder.

(Lucifer 438-439, 442-445, hertaling FdR)

‘Laisse tomber’  zeggen de Fransen om duidelijk te maken dat ze ergens niet mee zitten.  Laat vallen, zegt de aartsengel Lucifer over zichzelf in het toneelstuk van Vondel. Hij komt in opstand tegen God, eigenlijk tegen de mens die door de Schepper boven de engelen wordt geplaatst en hij weet dat hij daardoor in ongenade zal vallen. ‘ Dat vallen strekt tot eer’ , zegt hij vooruitlopend op zijn tragiek, in Vondels  ironie klinkt echter mee dat zelfs deze val van Lucifer en zijn trawanten tot eer van God zal zijn.

Zondag lezen we in de kerk hoe Jezus de 72 leerlingen ontvangt die verheugd terugkeren omdat ze zelfs de demonen zich aan hen onderwerpen. (Grappig, in het toneelstuk Lucifer is dat precies wat de opstandige engelen vrezen, dat ze ondergeschikt worden gemaakt aans stervelingen.) Jezus spreekt dan van een visioen dat hij gehad heeft. ”Ik heb Satan als een lichtflits uit de hemel zien vallen.” (Lucas 10:18)

De val van Lucifer en de zijnen is bij Vondel een prequel,  speelt zich af voordat Adam en Eva in het paradijs van de verboden vrucht eten. Voor Jezus gebeurt dat in het heden, als demonische machten het onderspit delven. In de laatste regels van het toneelstuk preludeert Vondel op de komst van de messias:

Wij tellen d’eeuwen, en het jaar, ja dag en uur

dat uw gena verschijnt, de kwijnende natuur

herstelt, verheerlijkt in lichamen en zielen,

stofferende de troon, waar de engelen uit vielen.

(Lucifer 2180-2183, hertaling FdR)

God zoekt de mens

bron: http://www.grotekerknaarden.nl

In het gesprek dat hij in de Paasnacht met Nicodemus heeft, vergelijkt Christus zichzelf (of eigenlijk ‘de Mensenzoon’) met de koperen slang die in het boek Numeri door Mozes op een staak gezet werd. Wanneer de Israëlieten die door giftige slangen werden gebeten daarna keken bleven ze in leven: “De Mensenzoon moet hoog verheven worden, zoals Mozes in de woestijn de slang omhoog geheven heeft, opdat ieder die gelooft in hem eeuwig leven heeft. ” (Johannes 3:14-15). De kerk leest deze tekst op Zondag Trinitatis, een week na Pinksteren.

Vondel heeft deze typologie gebruikt in ‘Altaergeheimenissen’, zijn uitgebreide leerdicht, of is het een loflied, op de eucharistie.

En aen te zien dien lijder, dootsch en bang;

Die, voor elcx oogh gehange, kopre Slang,

Genezende d’aenbidders, onder ’t eten,

Van ‘t moortvergift der helsche slangenbeten; (II 541-544)

In de grote Kerk in Naarden is deze typologie verbeeld door tegenover de schildering van de koperen slang een schildering van de kruisiging te plaatsen (zie de afbeelding boven). Rondom het kruis zweven engelen die het bloed en het water opvangen die uit de wond in de zijde van Christus stromen, beeld van de sacramenten doop en avondmaal waar de kerk van leeft. Jezus zegt immers: ‘niemand kan het koninkrijk van God binnengaan,tenzij hij geboren wordt uit water en geest. ‘ Vondel vindt hier een onuitputtelijke bron van verwondering. Waar geen mens van nature bij kan, gebeurt omwille van de mens.

’t Gevleeschte Woort verandert dus zijn lijf,

Om ’s menschen wil: de mensch blijft even stijf

Verandert nog zijn schubben, noch zijn zinnen

Godt zoeckt den mensch, geen mensch zoeckt Godt te winnen.

(Altaergeheimenissen I 1431-1434)

Pinxterzang De wind in de zeilen

bron: http://www.grotekerknaarden.nl

De schilderingen op de gewelven in de grote kerk van Naarden vormen steeds een tweeluik, bij ieder heilsfeit hoort een nieuwtestamentische en een oudtestamentische voorstelling. Bij Pinksteren staat naast het verhaal van de uitstorting van de Heilige Geest volgens Handelingen 2, de verbondsluiting op de Sinaï, de gave van de Thora, bezegeld met de overhandiging van de 10 geboden aan Mozes. Dit is inderdaad wat de synagoge met Pinksteren viert. In ben benieuwd in hoeverre dit bekend was toen deze schilderingen in 1518 werden gemaakt.

In de 2 Pinksterliederen die Vondel 100 jaar later schreef voor het liedboek van zijn doopsgezinde gemeente, komt deze oudtestamentische betekenis van Pinksteren niet voor. Wel spreekt hij van de wet die Christus in de harten van de gelovigen schrijft, in overeenstemming met de doperse traditie. En Christi wet die eeuwich blijft/ In ons ghemoet en sinnen schrijft.

De eerste Pinxterzang van Vondel is een verhalend gedicht naar Handelingen 2, het tweede een gebed tot de Heilige Geest, gemakkelijk mee te zingen op de wijs van Psalm 100. In dit lied verwerkt hij verschillende metaforen en namen voor de Heilige Geest die hij ontleent aan de christelijke traditie: Tortel-duyf, Vertrooster, vinger Gods, hemeldauw, Fontein, Goddelijk vuur. In het laatste couplet wordt de Geest ‘Wind des Heeren’, genoemd. Dat is een beeldspraak die uit de Bijbel komt, het Hebreeuwse ‘ruach’ betekent ‘wind, adem, geest’, maar die ik dan weer niet tegen kom in de oudchristelijke hymnen. Heeft Vondel dit ergens vandaan of is dit beeld ingegeven door de opkomst van de zeevaart in zijn Amsterdam?

Ghy Wint des Heeren weest doch mee

Ons zielen schip in swerelts Zee

Op dat wy vry van schipbreuk dan

Landen in ’t hemels Canaan.

Hemelvaertzang

 Een mooie verbeelding van Hemelvaart vind ik in de Naardense Bijbelvertaling. Daarin staan de schilderingen die in 1518 op de gewelven van de grote kerk in Naarden zijn aangebracht en 1 daarvan toont Jezus die in de hemel wordt opgenomen. Omdat Christus uit beeld verdwijnt, zien we van hem alleen de voeten. Op de aarde die hij verlaat blijven zijn voetafdrukken achter, voetstappen voor zijn volgelingen om in te treden.  Ze begrepen nu immers de Schriften. Zien we daarom rechtsboven een Thorarol geschilderd? Ik durf dat niet met zekerheid te zeggen, maar het zou heel mooi zijn.

Vondels Hemelvaertzang is van een eeuw later. 6 oupletten te zingen op de wijs van psalm 8, opgenomen in het Boek der Gesangen van de doopsgezinde gemeente waar Vondel toen lid van was. In deze zang is de blik omhoog gericht, evenals bij de apostelen op de schildering. Het loflied begint alsvolgt:

Verblijdt u t’saem en juycht ghy Christen schaeren

Siet hemelwaert u Vorst end’ Heylant varen,

Die onlangs daeld’ in ’t graf na soo veel smaets,

En heerlijck nu gaet nemen d’hoochste plaets.

Opvallend aards is dan weer de huwelijksmetafoor in het laatste couplet, waar Vondel met een verwijzing naar Hooglied dicht over de kerk van Christus die op aarde achter blijft:

Soo mach sy steeds in ’s Bruydgoms liefde blaken,

Soo mach haer kroon noch sond, noch werelt schaken,

Soo blijft haer liefd’ veel stercker als de doot

En erft te loon haers lieven minnaers schoot.

Een wonderlijk bestaen

Rubens, St. Michael verdrijft Lucifer uit het paradijs, wikipedia.org

In zijn voorwoord op zijn treurspel ‘Lucifer’ geeft Vondel toe dat hij voor het dramatische effect gebruik maakt van een theologische opvatting die door sommige, maar niet door alle godgeleerden gedeeld wordt. Hij laat de engelen namelijk voorkennis van de incarnatie (menswording van God in Christus) hebben. Als Gabriël dit aan de opstandige engelen meedeelt, is hun rebellie niet meer te stoppen. In zijn ‘disclaimer’ zegt Vondel voor de zekerheid dat dit gebruik niet betekent dat hij positie kiest in deze discussie. Hij vermoedde zomaar dat dit wel eens gevoelig zou kunnen liggen.

Vondel betoogt ter verdediging van zijn toneelstuk over  de val van een deel van de engelen, dat dit in de  Heilige Schrift wordt beschreven. Omdat deze Bijbelteksten heel summier zijn, ziet Vondel ruimte om zelf motieven en redenen aan te voeren voor hun afvalligheid. Hij noemt hoogmoed en jaloezie als 2 kanten van dezelfde zaak. Lucifer  en zijn medestanders zijn jaloers op de mens die naar Gods beeld geschapen is.  Deze gedachte komt hij tegen bij de kerkvader Cyprianus. Vondel gaat nog verder en laat de engel Apollion die in het paradijs het pasgeschapen mensenpaar heeft geobserveerd afgunstig zijn op hun lichamelijkheid en intimiteit.

Dan kuste hy zyn bruit, en zy den bruidegom

Dan ging de bruiloft in, met eenen wellekom

En brant van liefde, niet te melden, maer te gissen,

Een hooger zaligheit, die d’Engelen noch missen. (135-138)

Helaes! Wy zyn misdeelt; wy weten van geen trouwen,

Van gade of gading, in een hemel, zonder vrouwen. (141-142)

Het idee dat de engelen ondergeschikt zijn aan de mens komen we ook in het Jodendom tegen: Israël is meer geliefd bij God dan de engelen (Babylonische Talmoed Choelien).

Vondel maakt van zijn engelen personages met een eigen psychologie, die met de blik van de buitenstaander het mens-zijn becommentariëren:

Den mensch, in top van Staet en maght, zoo trots verheven,

Dat wy, als slaven, voor zyn heerschappye beven (Lucifer790-91)

Hoe wy, door ’t nieuw bevel, van onze staet vervielen

In eene slaverny der aerde, en zoo veel zielen

Als uit een luttel bloets en zaets te spruiten staen.

Wat is by ons alree mishandel, of misdaen,

Dat Godt een waterbel, vol wint en lucht geblazen

Verheft om d’Engelen, zyn zonen,te verbazen?

Een basterdy verheft, gevormt uit klay, en stof?

Wy waren pas gewyt tot pylers van zyn hof. (842-848)

De gereformeerde predikanten in Amsterdam hebben pogingen gedaan om dit toneelstuk van Vondel te verbieden. Dat God al voor en los van de val van engelen en mensen besloten had om zich te verenigen met de mens, werd door de calvinistische theologen namelijk algemeen afgewezen. Zo lees ik in een artikel van Nico den Bok. (In ‘Wat God bewoog om mens te worden’, gedachten over de incarnatie, 2003)

 In een levendige dialoog tussen de aanhangers van Lucifer en een rei (koor) van trouw gebleven engelen drijft Vondel de discussie op de spits.

Luciferisten: Men had ons nutter dees geheimenis gezwegen.

Rey: De Godtheit openbaert haer hart, tot u genegen.

Luciferisten: Noch milder tot den mensch: zy zet hem boven aen:

Rey: Verknocht met Godts natuur: een wonderlijk bestaen. (890-993)

Eerder schreef ik dat dit een gedachte is die pas veel later in de theologie is uitgewerkt, maar Den Bok laat zien dat Duns Scotus, een middeleeuwse denker hier al heel scherp over heeft nagedacht. Dat het van den beginne Gods plan is geweest om mens te worden, zonde of geen zonde. Menswording is het doel van de schepping. Dat is een theologie waar ik vrolijk van word en waar Vondel God alle eer voor geeft.

Luciferisten: Hoe wil de mensch de kroon der Engelen verdooven!

Rey: Alle engelen zullen Godt in ’t lichaem zien, en loven.

Luciferisten: Zy zullen slyck en stof aenbidden in het stof?

Rey: Bewieroocken Godts naem, met geur, en prys, en lof. (988-91)

Palamedes II –dansen aan zee

zinnebeeldige voorstelling van de synode van Dordrecht

De bestandstwisten gingen over Godsdienst. Het gevaar is dat je daar vanuit het heden meewarig op neerkijkt. Waar maakten ze zich toen druk over.. . Predestinatie pff. In deze val wil Matsier  in zijn boek ‘de Advocaat van Holland’ over de nadagen van Van Oldenbarnevelt, niet vallen, maar of hem dat altijd lukt?  Op de vroomheid van de landsadvocaat dingt hij niet af, maar  zijn oordeel over de Heidelbergse Catechismus ‘dat vreugdeloze handboek der gelovigen’ zal de raadspensionaris niet gedeeld hebben (en ik ook niet).

Van vreugdeloosheid kan Vondel niet beticht worden. Het ongemeen grappige is dat Vondel de rol van de contraremonstrantse predikanten  in dit stuk laat spelen door Griekse priesters die hij  zo ‘gecast’ en aangekleed heeft dat ze sprekend op gereformeerde predikanten lijken. En deze eerwaarde broeders die hij ‘Wichelaers’ en’ Paepen’ noemt,  laat hij alle mogelijke heidense rituelen  uitvoeren.

 Wat Vondel echter het meest in het oog laat springen is hun verwaandheid.

Wier lang-gebaerde kin van hayren hangt vermast:

Wier winckbraeu en gebaer niet lochent, hoe hun past

Een wetteloose macht: die prat op vorstenbanden,

En Keysers-croonen treed: wier hoeden breed van randen, (953-956)

Wij staen met Goden in onbrekelijck verbond

Al wie ons wederspreeckt, die wederspreeckt Gods mond. (973-974) 

Met kennelijk plezier pleegt de dichter hier karaktermoord. In  zijn argumentatie is Vondel echter heel precies. Zijn voornaamste politieke verwijt aan deze godgeleerden is dat ze zich met staatszaken bemoeien. Van Oldenbarnevelt was van mening dat de kerkelijke leer onder verantwoordelijkheid van de Gewesten viel. Door zijn tegenstanders wordt hij daarom als een godloochenaar en vrijdenker neergezet. De hier genoemde ‘voglensang’ is misschien een toespeling  op de nachtegalen van Maurits waar ik in het boek van Matsier over lees.

Verworgt den vryen geest: of stort  hem van een rots:

Dees smaalt op wichlery, en droomen. D’inspraeck Gods

Hy gants in twijfel treckt. Hy zal het heyr verwarren:

Hy acht noch voglensang, noch’ingewant, noch ‘Starren.

Vondels theologisch verwijt is dat deze theologen deterministisch zijn, zij aanbidden in zijn ogen het noodlot, omdat ze vast houden aan de predestinatie. Voor de remonstranten en ook voor Vondel was dit in strijd met me de vrije wil van de mens. De synode van Dordrecht en de daar opgestelde  leerregels betogen het tegendeel, maar voor Vondel hadden ze hun geloofwaardigheid verloren.

Met galgenhumor laat Vondel zien waar dit determinisme toe leidt, aan het eind van de tweede acte laat hij het koor onder aanvoering priester Eurypilus een satirische lofzang zingen aan het noodlot, een genadeloze godin.

Bewaer Godin u kercken oock.

Op datm ‘u tempel pleghtigh smoock:

Op dat uw reuckwerck opwaerts rijs

Na d’eenmael aangenome wijs. (633-636)

O die met ysren scepter heerscht,

En blyfter laetst,en waert’er eerst:

Die Hemel, Aerde, en Hel bestiert

En maeckt dat elck u Godheydt viert. (669-672)

Die op haer beurt de starren riept,

En meerdre, en mindre Goden schiept,

En blyft versteenight en verstockt,

En hebt al ’t noodlijck quaed berockt.  (673-676)

De wandaden van het noodlot worden vervolgens zo uitvoerig bezongen door het zeemanskoor dat Eurypilus het tenslotte ook niet meer kan horen, en zien, want kennelijk werd dit lied uitgevoerd met een dans, destijds een doorn in het oog van menig calvinistisch predikant.

‘Houd op ghy hebt voldaen. Het noodlot heeft volkomen

Uw danssen en gesang goedgunstigh aengenomen’.

Palamedes I – Het Geweten

Jan Luyken, onthoofding van Johan van Oldenbarnevelt, ca. 1696, Rijksmuseum, historiek.net

Die sorgt, en waeckt, en slaeft, en draeft, en ploegt, en sweet

En tot ’s lands oorbaer[i] vast een lastigh ambt betreed,

En waent de menschen aan syn’ vroomheyd te verbinden,

Die sal sich jammerlijck in ’t end bedrogen vinden.

Van ’t wispelturigh volck: dat veel te los van hoofd,

Ghenooten dienst vergeet, en leyder[ii]! ’t quaed  gelooft.

Alleen al vanwege deze magistrale openingszinnen is Vondels toneelstuk ‘Palamedes’  (1625) een subliem werk. Het is bovendien een overtuigende politieke aanklacht tegen de terechtstelling van Johan van Oldenbarnevelt 13 mei 1619. Polemisch, politiek, partijdig, Vondel stak hiermee zijn nek uit.

Vondel schreef op het eerste gezicht een onschuldig stuk over een intrige in het Griekse kamp ten tijde van de Trojaanse oorlog met personages die hij ontleende aan Homerus. Voor de goede verstaander is het echter duidelijk dat het verhaal zich eigenlijk afspeelt op het Binnenhof in Den Haag ten tijde van de Bestandstwisten. Palamedes is dus de raadspensionaris Johan van Oldenbarnevelt en zijn tegenspelers zijn Maurits, diens raadgevers,de contraremonstrantse predikanten en de 24 rechters die  hem tot het schavot veroordeelden waar hij in mei 2019 onthoofd is. (In de openingszinnen zinspeelt Vondel hier al op met de uitdrukking ‘veel te los van hoofd’, waarmee hij aanduidt dat het volk zichzelf onthoofd heeft door de raadpensionaris terecht te stellen.)

Op basis van de verslagen van het proces tegen Van Oldenbarnevelt heeft Nicolaas Matsier nu een boek schreven over de maanden die de raadspensionaris als gevangene doorbrengt. De legitimiteit van zijn gevangenschap weigert  de advocaat van Holland te erkennen.

Heilig is hij ervan overtuigd dat hij zijn macht altijd heeft uitgeoefend binnen de grenzen van zijn bevoegdheden. Natuurlijk heeft hij zich zelf riant beloond, vrienden en familieleden geholpen, persoonlijke vijanden tegengewerkt, kortom politiek bedreven, maar hij heeft zich aan de wet gehouden en het land gediend. In de woorden van Vondel:

Maer ‘tis te schandeloos, en strijd met al myn daden

Dat ick ben omgekocht om ’t leger te verraden. (103-104)

En nu wordt er op last van de Staten Generaal en met medeweten van prins Maurits een schijnproces tegen hem gevoerd. Zijn ambtsopvatting en zijn rechtsstatelijkheid maken dat hij niet kan geloven dat hij in deze situatie is beland.  Wat gebeurt er met iemand die zeker weet ter goede trouw gehandeld te hebben en dan merkt dat het recht nu tegen hem gebruikt wordt. Ook Vondel legt hier de nadruk op.

Ick weet waer op ik steun, mijn ongekreuckt geweten

En is niet quaeds bewust, noch heeft sich noyt vergeten

Aan eenigh schendigh feyt: en soo ick daerom ly,

Soo wasch’ mijn edel bloedt eens anders schelmery.  (163-166)

Matsier presenteert Van  Oldenbarnevelt als een pleitbezorger van tolerantie. Daartoe wilde hij de kerk onder het geestelijk gezag van de overheid. Het is 400 jaar later weer opnieuw een actuele kwestie. Is de vrijheid van geweten daarmee gediend?


[i] Tot voordeel van ‘t land

[ii] Helaas!