Wij zijn de oudste en de jongste zoon

preek bij Genesis 48 en Lucas 15, Dorpskerk Barendrecht zondag Laetare 2025

Iemand had 2 zonen, zo begint de gelijkenis, aan wie denk je dan? Adam met Kaïn en Abel, Abraham met Ismaël en Izaäk, Jacob met Ezau en Jacob, steeds is er sprake van conflict over de opvolging, rivaliteit, animositeit, broedertwist en jaloezie.

Maar ook steeds weer anders, bij Kaïn en Abel gunt de een de ander het licht niet in de ogen en loopt het verkeerd af. Bij Ismaël en Izaäk zijn het vooral de ouders die met elkaar in de clinch liggen. Jacob en Ezau zijn aan elkaar gewaagd, staan elkaar naar het leven en komen ook weer tot elkaar.

En nog weer anders gaat het bij Efraïm en Manasse, de zonen van Jozef die door hun opa Jacob worden gezegend, de een links de ander rechts van hun bejaarde opa. Jacob zegent hen. De een met de linkerhand en de ander met de rechterhand, kruislings en net anders dan je zou verwachten. Heeft Jacob een voorkeur, heeft hij dan niets geleerd van de hele geschiedenis van Jozef en zijn broers, die begon met zijn voorkeursbehandeling? Jozef de verloren zoon die dood gewaand werd en toch leefde. En nu weer Efraïm voor Manasse.

 Toch geloof ik dat de oude Jacob wel iets geleerd heeft, want hij zegt: ze zullen allebei groot worden, ook al wordt de één groter dan de ander en men zal in Israël zeggen: God make je als Efraïm en Manasse. En dat is ook nu in het Jodendom een zegenbede waarmee je elkaar het goede toewenst.  Moge je gezegend worden als Efraïm én Manasse.

God make u als Efraïm en Manasse. (Genesis 48:20) Niet of, maar en. Als allebei. Daar leer ik van dat we de oudste en jongste zoon niet tegen elkaar uit moeten spelen, maar ons in beide moeten proberen te herkennen.

Dus wij zijn de oudste en de jongste zoon. (en de vraag is of we ook de Vader, als de Vader kunnen zijn,  met ontferming bewogen en die je oproept blij te zijn met en voor de ander, ruimhartig) Zondag laetare.

De schriftlezing die ook bij deze zondag hoort is uit de 2e Korinthebrief van Paulus: de liefde van Christus drijft ons. Christus voor allen gestorven, en opgewekt. Pasen, een nieuw begin, je bent een nieuwe schepping. En daar gaat het verder over verzoening, want we leven niet langer voor onszelf. God heeft de wereld met zichzelf verzoend en dus is ook aan ons de dienst, de opdracht van verzoening gegeven, zegt Paulus.

Ja, dat sluit prachtig aan bij de gelijkenis die Jezus in Lucas vertelt. De Vader verzoent zich met de jongste zoon, ziet hem van verre, wordt met ontferming bewogen, valt hem om de hals en ontvangt hem feestelijk. Met een mantel, een ring om zijn vinger, schoeisel om zijn voeten. Ook al had hij de helft van het familiebezit er door heen gejaagd en gedaan alsof zijn vader dood was, nu is hij weer thuis

De Vader verzoent zich tevens met de oudste zoon, die een en al afwijzing is: ‘wat is dit nu weer’, zegt hij, nooit is hij over de schreef gegaan en voor die verkwister wordt nu ook nog eens het gemeste kalf geslacht. Hij kan hem niet als broer zien, ‘die zoon van u’. Maar de Vader spreekt ook de oudste liefdevol aan. “Kind je bent altijd bij me, al het mijne is het jouwe”. Even ruimhartig als richting de jongste.

Maar kunnen de broers elkaar in de armen sluiten? tot elkaar komen, zoals eens Jacob en Ezau. Gaat de oudste zoon naar binnen, kan hij zijn wrok vergeten. Of is het ook aan de jongste zoon om naar buiten te gaan. Zich tot zijn broer te wenden. Wie zet de eerste stap, dat is nogal eens de vraag als familieleden van elkaar verwijderd zijn geraakt.

Wij zijn de jongste en de oudste zoon. En beide hebben verzoening nodig. Beide ontvangen verzoening en beide krijgen de opdracht om ruimhartig te worden.

Als je het zo leest, dan kom je niet in de verleiding, om in de oudste zoon het volk Israël te zien en in de jongste zoon de kerk. Want dat is de anti-joodse lezing die onze blik helaas lang vertroebeld heeft.

Wij zijn de jongste zoon, want we verkwisten wat aan de vader toebehoort, we gaan onverantwoordelijk om met de aarde, alsof God er niet, alsof het van ons is en alsof het niet op kan. Het kan wel op, en er is honger in deze wereld.

We zijn ook de oudste zoon, wij zijn de brave burgers die zich aan de regels houden en hard werken en met lede ogen zien als anderen een voorkeursbehandeling krijgen. Dat gevangenen, asielzoekers, daklozen een bed zouden krijgen om te slapen, verdienen ze dat wel? Kan dat niet soberder. Ik hoor het u niet zeggen, maar misschien hoor je het jezelf wel denken.

Kun je iets met de compassie van de vader uit de gelijkenis, diens gulheid, generositeit? Kun je  je eigen jaloezie, je wrok opzij zetten, je gevoel van miskenning, achtergesteld zijn. En als dat gevoel terecht is? Ja, ik denk dat de oudste zoon recht van spreken heeft, maar ik hoop niet dat hij daarin blijft hangen.

Eerlijk gezegd: Ik denk niet dat alle vetes,  familieruzies en arbeidsconflicten op te lossen zijn. In mijn waarneming is het niet altijd zo dat mensen van elkaar verwijderd raken door een ruzie. Het is vaak andersom. Ze willen zich losmaken, een eigen weg vinden en dan ontstaat er gedoe.

Een kind dat niet meer thuis komt, dat doet verdriet Je begrijpt de vader die jaren wacht, maar het kan helpen om te bedenken, ik zeg het voorzichtig, misschien heeft hij het nodig, misschien is het voor haar beter, ook al zou je je kind met open armen willen ontvangen. Verwijt het jezelf niet, kijk ook ruimhartig naar jezelf.

Verzoening houdt vaak in dat je je verzoent met jezelf, dat je gaat aanvaarden dat je leven zo gelopen is tot dusver. Ben ik te losbandig geweest of te braaf, dan vergelijk je je leven met dat van een ander en ben je nooit tevreden. Maar kun je blij zijn met en voor een ander dan kijk je ook milder, met meer compassie naar je zelf.

Want er is dat nieuwe begin, de kans om het anders te doen. De liefde van Christus drijft ons, de bewogenheid van de Vader. Vergeving.

Iemand had twee zonen.  Broedertwisten domineren het wereldnieuws,  broedervolken die elkaars bestaan bestrijden. Rusland en Oekraiene, Israel en de Palestijnen. Vaak is het Kaïn en Abel, maar er zijn andere verhalen. Verzoening was mogelijk, tussen Jacob en Ezau, tussen Jozef en zijn broers.

Iemand had 2 zonen. En als ik het nog even naar onze  kerkelijke situatie mag halen. De wijkkerkenraden van de Bethelkerk en de Dorpskerk hebben uitgesproken dat ze in de toekomst samen willen gaan. Laat het dan niet zo zijn dat de een over de ander zegt: ze zijn zelf weggegaan, ze hebben op te grote voet geleefd, laten ze nu maar met hangende pootjes terugkeren.

Eigenlijk denk ik niet dat dat op die manier leeft, maar laat het ook niet ook zo ver komen, denk aan de gastvrijheid van de Vader en de oproep, wees blij, wees blij met de ander.

‘Al het mijne is het jouwe’, zegt de Vader. (Eigenlijk tegen alle twee). Deze Vader was veel dichterbij dan ze voor mogelijk hielden, ze dachten allebei dat ze aan de strenge eisen moesten voldoen, de een liep er voor weg, de ander ging er onder gebukt, maar allebei hadden ze het mis. De Vader wilde zijn leven met hen delen, zijn vreugde. Het blijde nieuws met hen vieren. Hij was dood en is weer leven. Hij was verloren en is gevonden. Laten we ons daarop verheugen. Amen.

Herschepping in de praktijk

Verkorte weergave verslag voor de cursus ‘van U is de aarde’

Ter Inleiding: Groene Theologie

Een aantal jaar geleden ging ik naar Gent om het ‘Lam Gods’ te zien, het meesterwerk van Jan van Eijk. Ik kende het van afbeeldingen, maar in het echt viel mij pas op hoe groen het centrale tafereel is en hoe nauwkeurig de bloemen, kruiden en bomen geschilderd zijn. Er spreekt een schat aan botanische kennis uit die dus onderdeel is van de aanbidding van het Lam als bron van de liturgie van de gemeente en de verwachting van de nieuwe hemel en aarde.

Gebr. Van Eijk – de aanbidding van het Lam Gods (middenpaneel)

Dit bloeiende grasland contrasteert met de armoede van menig hedendaags gazon en weiland die verworden zijn tot een ‘raaigraswoestijn’. De schrikbarende teruggang van insecten is daar m.i. een gevolg van. Bij het werkbezoek aan de biologische boerderij in Friesland heb ik geleerd dat onderdeel van de nieuwe bedrijfsvoering is dat er gewerkt wordt met een diversiteit aan kruiden in het grasland en dat dit niet alleen boven de grond natuurvriendelijker is, maar ook veel beter voor de bodemkwaliteit en uiteindelijk voor de productie. Ook voor gangbare boeren is dit trouwens steeds meer een zorg. Met de profeet Jesaja hoop ik daarom dat ook deze woestijnen weer gaan bloeien.

Voorafgaand aan de cursus

In de zomer van 2022 ben ik van gemeente gewisseld, van het agrarisch georiënteerde Fijnaart naar het verstedelijkte Barendrecht. Ten tijde van de intake was ik nog erg met de grondproblematiek van de vorige gemeente in Fijnaart bezig. Daar ligt een groot gazon rondom het kerkgebouw met behalve wat struikperkjes alleen gras en een ringgracht met waterkanten die door een hovenier heel kort gemaaid worden. En verder was de Protestantse Gemeente Fijnaart in het bezit van 2 begraafplaatsen.

Met dat referentiekader keek ik naar de grond rondom de Dorpskerk in Barendrecht en daarbij was mij opgevallen dat het gazon aan de zuidzijde van de kerk dat door de burgerlijke gemeente wordt beheerd nogal eentonig is, maar dat er achter het bijgebouw een heuse kerktuin is met bomen en planten die in de Bijbel voorkomen of een Bijbelse naam hebben. Vanuit de vergaderzaal heb je een mooi uitzicht op deze tuin en in de zomer wordt er koffie gedronken. Deze kerktuin wordt elke woensdagmorgen bijgehouden door een team vrijwilligers. Dit gebeurt heel toegewijd, zo wordt er op toegezien dat planten die slecht tegen de kou kunnen in winter in een kas worden ondergebracht.

Waar ik echter helemaal niet op gelet had is dat er een stuk grond ligt aan de achterzijde van het bijgebouw ‘de oude pastorie’. Dit was voorheen de voortuin, maar nu een stuk grond dat op het oog braak ligt. Dit onopvallende onbekende terrein blijkt voor mijn onderzoek juist interessant te zijn.

olijfboom uit de kerktuin die voor de winter verplant werd

Start Onderzoek

Bij het zoeken naar een project voor deze cursus heb ik via een stukje in het Barendrechtse kerkblad mijn onbekendheid met de gemeente ingezet. Als ‘vreemdeling in Jeruzalem’ heb ik gevraagd wie er mee wil denken over het onderwerp ‘groene kerk’, omdat deze term ook in het beleidsplan wordt genoemd.

De eerstvolgende zondag melden zich twee gemeenteleden die hier graag aan mee willen werken, niet toevallig de twee vrouwen die de vrijwilligers van de werkgroep kerktuin aansturen. We maken een afspraak. Ze vertellen over hoe de kerktuin ruim 10 jaar geleden tot stand gekomen, mede met hulp van studenten van een hoveniersopleiding  en nu wekelijks wordt bijgehouden door vrijwilligers. Een van hen verzorgt bovendien al jaren een vaste rubriek in het kerkblad, waarin iedere keer een plant uit de kerktuin met Bijbelse of kerkhistorische wortels wordt belicht.

Ze vertellen verder dat buren van de ‘oude pastorie’ geklaagd hebben over bomen in de voortuin die voor overlast zorgen, omdat ze licht wegnemen en veel zaailingen verspreiden. Daar was vanuit de werkgroep kerktuin en de wijkraad van rentmeesters begrip voor en daarom is besloten dat een aantal van deze esdoorns (met van die propellertjes) gekapt mag worden, als de buren daar zelf voor zorgen.

Eerst schrik ik ervan en ik spreek de wens uit dat niet alle bomen worden gerooid en daar zijn ze het mee eens. Een drietal bomen blijft staan. Maar ze hebben ook al verder gedacht. In plaats van de te kappen bomen willen ze voor gevarieerde begroeiing zorgen die aantrekkelijk is voor vogels. Dit komt dan achter de bijenstrook die er al is met diverse bloemen. (Idee: haal het zondagse boeket ‘als groet van de gemeente’ hiervandaan). Het bijbehorende grasveld blijft ongemoeid want dat moet misschien ooit nog als parkeerterrein gaan dienen.

Ze vertellen dat ze het jammer vinden dat er weinig aandacht is van gemeenteleden voor de kerktuin. Voor één  van hen is het ideaal een voedselbos, een moestuin of boomgaard waarin gasten zelf groente en fruit kunnen oogsten, maar openstelling van dit stuk tuin is niet haalbaar. Er staat een hek omheen, dus laat het dan een voedselbos voor de vogels worden.

Onderzoeksvraag

Het onbekende terrein dat ik ga verkennen is: hoe draagt mijn betrokkenheid bij dit tuinproject  bij aan de volgende intenties:

A: vergroten van de biodiversiteit.

B: meer betrokkenheid van de gemeenteleden bij hun grond.

C: aandacht voor een aardse spiritualiteit waarin verbondenheid met de schepping wordt ervaren.

Praktijken

Eind november zijn de esdoorns in de voortuin van de ‘oude pastorie’ gekapt, dit is gedaan door het hoveniersbedrijf, waar een van de buren werkzaam is. Drie esdoorns waren gemerkt om te laten staan. De kerkrentmeester die ook in de werkgroep kerktuin zit, heeft met haar knowhow bedongen dat het snoeihout versnipperd wordt en uitgestrooid over de grond ter verbetering van de bodemkwaliteit.

De gerooide tuin, links de esdoorns die zijn blijven staan, op de achtergrond de oude pastorie

In januari kom ik nog een keer met de twee initiatiefnemers van het project bijeen te kom. Er is lijst gemaakt van planten die geschikt zijn voor het voedselbos met daarin verschillende (fruit)bomen, struiken, klimmers en lage planten. We bespreken onze voorkeuren en hoe de nieuwe beplanting te verkrijgen. Niet alles hoeft bij een tuincentrum gekocht te worden en er dient zich nog een verrassende mogelijkheid aan, waarover hieronder meer.

Tot mijn vreugde zijn we het erover eens dat het best rommelig mag zijn, zodat het ook geschikt is voor kleine zoogdieren zoals muizen en egels.

Verder komen we tot de ontdekking dat de kerktuin best leeft in de gemeente, want toen in de laatste plantenrubriek in het kerkblad stond dat de hulst nog ontbrak, werd die van meerdere kanten aangeboden.

Ontmoetingen

In de periode van de cursus spreek ik naast de 2 initiatiefnemers ook andere vrijwilligers en gemeenteleden die actief zijn rondom de kerktuin.

1 Wat opvalt is dat de vrijwilligers ook van buiten de wijkgemeente komen, soms hebben ze ook een specifieke binding met de grond (bv ‘mijn vader was hier vroeger kerkvoogd’).  Ze zijn gehecht aan de tuin rondom de kerk en dat hangt mogelijk samen met de weemoed die ik in veel gesprekken met oud-Barendrechters bespeur over hoe het dorp veranderd is in de afgelopen decennia door het volbouwen van het land en het verdwijnen van de open ruimte.

2 In een overleg met de kerkrentmeesters over het project stel ik naast het zakelijke verzoek om hier geld voor te reserveren ook de vraag of  ze bij het beheer van deze ‘heilige grond’ van de kerk iets van zorg voor Gods schepping ervaren.

3 Van september tot januari leid ik een maandelijkse Bijbelkring en daarin hebben we Genesis 1 t/m 4 gelezen en besproken. Teksten die veel reacties oproepen over wat (goede) schepping is, welke taak de mens krijgt en wat ‘heersen over’ de andere schepselen betekent. Over dat laatste zegt een deelnemer cynisch: ‘daar zijn we goed in geslaagd .’ Maar ook de verwondering komt naar voren, bijvoorbeeld dat er in een hand vol aarde miljoenen organismes leven. En daarnaast vinde er goede discussie plaats, over wat duurzaam landgebruik is.

samen met de collega van de r.k. parochie plant ik tijdens de vredesweek een olijfwilg

Experimenten: de struikrovers in beeld

Bij het opstellen van de lijst van plantensoorten die geschikt zijn om aan te planten in de kerktuin stuiten we op een actiegroep die landelijk actief is en die zich struikrovers noemen. Wat zij doen is bij stadsrenovaties planten ‘redden’ uit buurten die gesloopt worden en ze een nieuwe bestemming bezorgen.

Het toeval wil dat de buurt achter de kerktuin gesloopt gaat worden. In deze ‘zeeheldenbuurt’ waren tijdelijk statushouders en Oekraïners gevestigd. Ik realiseer me dat ik hier weinig kom, maar deze wijk grenst wel direct aan de grond van de Dorpskerk. Vanwege de afgeslotenheid van de kerktuin is er geen doorgang. Het experiment dat we willen aangaan is om samen met de struikroversbeweging en de huidige bewoners  van de zeeheldenbuurt een deel van de beplanting uit deze tuinen te halen. Zo worden er planten gered, kosten bespaard en creëren we een opening naar de buurt.

In de dienst van 12 februari heb ik het verhaal van de struikrovers gebruikt als opening van mijn preek over Deuteronomium 30, waar Mozes spreekt over Gods gebod dat heel dichtbij is. Je hoeft het niet van ver te halen. Zo heeft dit onderzoek mij als voorganger geholpen om meer oog te krijgen voor  de werkzaamheid van Gods woord in mijn directe omgeving.

Na de dienst blijkt dat er juist in die week een brief vanuit de gemeente is bezorgd aan de bewoners van de Zeeheldenbuurt over een in maart te houden tuinruim-dag, waarbij alle bewoners van Barendrecht  de mogelijkheid krijgen om gratis groen uit de tuinen van de te slopen woningen te halen. Het experiment is dus al in gang gezet.

“De geboden zijn heel dichtbij u, in uw mond en in uw hart: u kunt ze volbrengen” (Deut. 30:14)

Theologische reflecties

De kerktuin blijkt een plek te zijn waar de zorg om en voor de schepping gelokaliseerd kan worden, ook als je zelf geen groene vingers hebt. De noties van ‘heilige grond’ en ‘gewijde aarde’ zijn hier bruikbaar. Dat de esdoorns zo gemakkelijk gekapt werden heb ik als het lijden van de schepping beleefd (Romeinen 8), tegelijkertijd blijkt herschepping mogelijk, dat het gelaat van de aarde zich vernieuwt. (Psalm 104)

Het gegeven dat de kerktuin een afgesloten plek is, geeft te denken. Deze relatieve afgeslotenheid past ergens bij de ervaringswerkelijkheid van heilige grond. Dit stukje aarde is onttrokken aan de rationalisering die beslag legt op onze leefomgeving. Zo creëert de ‘hortus conclusus’ van oudsher veilige ruimte voor mens, dier en plant. De ervaring leert dat deze bescherming nodig is. Het rooien van de bomen in de kerktuin die er in tientallen jaren over gedaan hebben om te groeien is door de inzet van groot materieel binnen een ochtend gebeurt.  Het heilig houden van deze grond vraagt dus ook om actieve toewijding en oplettendheid van kerkelijke grondwerkers en dan wordt herschepping een geloofspraktijk.

Ik lees ‘De Grote Stad’ het recent door Marianne van Reenen vertaalde werk van de Franse milieuactivist en theoloog Jacques Ellul. Hij merkt op dat in de Bijbel het bouwen van steden hét symptoom is van menselijke hoogmoed en opstand tegen God. De stad is volgens hem ‘anti-schepping’. Niet voor niets is het Kaïn die de eerste stad bouwt. Bij de Bijbelkring over Kaïn en Abel was een van de gespreksvragen of de deelnemers dat herkennen. Zij zijn grotendeels autochtone Barendrechters die hun woonplaats in de loop van hun leven hebben zien veranderen in dichtbebouwd verstedelijkt gebied.

Bij nadere beschouwing gaat het Jacques Ellul niet om de tegenstelling tussen stad en platteland zoals die nu politiek te gelde wordt gemaakt, maar om de techniek en mechanisatie die de mens vervreemden van zijn omgeving en dat speelt juist in de landbouw.

In het filmhuis van Rotterdam zie ik de film ‘Wildport of Europe’ over natuur in het havengebied van de Regio Rijnmond. Juist in deze stedelijke context waarin elk stukje grond door mensen is ontworpen, opgespoten, aangelegd en ingericht, blijkt er verrassend veel biodiversiteit te zijn. Weliswaar is deze film mede gefinancierd door het havenbedrijf en dus bepaald niet belangeloos. Maar toch herken ik dat de natuurrijkdom in de stad overvloedig is als je er oog voor hebt. Ik kom in Barendrecht niet minder vogelsoorten tegen dan in het agrarische Fijnaart.

Dit brengt mij ertoe om de scheppingsopdracht om (met de Schepper) de aarde te dienen en te bewaren als een gebod te lezen dat haalbaar is, het is te doen zoals Deut. 30 zegt. Al blijf ik met Ellul grote zorgen hebben over het wereldwijd en lokaal verdwijnen van biodiversiteit.

Conclusies

Mijn onderzoeksvraag is wat mijn betrokkenheid bij het tuinproject aan bijdrage oplevert op een drietal punten.

1 Als het gaat over de inrichting zelf dan is mijn bijdrage beperkt, het initiatief en de knowhow zijn aanwezig bij de leden van de werkgroep kerktuin.

2 Door over het project te schrijven in het kerkblad, het in vergaderingen in te brengen en er aandacht aan te geven in kerkdiensten, heb ik bijgedragen aan de zichtbaarheid van de kerktuin en herinrichting ervan.

3 Mijn betrokkenheid bij dit project werkt als een voedingsbodem voor een meer aardse spiritualiteit in verbondenheid met de schepping. In de Bijbelkring over Genesis 1-4  en preken kon ik dat toepassen en ik merk dat dit onderzoek vooral mijn eigen blik scherpt hoe we omgaan met onze grond, ten goede en ten kwade. Dat versterkt mijn betrokkenheid bij de zorg die de Heer van de schepping heeft om en voor de aarde. Zo word ik in mijn geloofspraktijken meer gevoed en geraakt door wat er in de directe omgeving gebeurt en ik heb ontdekt dat ik dit met veel mensen in en om de kerk kan delen.

Franc de Ronde, Februari 2023

Bronnen

Jacques Ellul, De grote stad, een Bijbels perspectief, 2020

http://www.wildportofeurope.nl

http://www.struikroven.nu

Een Scheidsrechter in Blessuretijd

Meester van Alkmaar – Werken van Barmhartigheid (1504), Rijksmuseum

We bevinden ons in de tijd van voleinding. De zondagen na Allerheiligen heten in het kerkelijk jaar namelijk de zondagen van de voleinding. Dat klinkt als een afronding, een afsluiting, een laatste ronde, de blessuretijd. (mooi woord eigenlijk, blessuretijd). Eind goed, al goed of de apocalyps, het einde der tijden, dag der wrake….

Maar van oorsprong zijn deze zondagen van de voleinding bedoeld als een voorbereiding, een aanloop, een warming up voor de zondagen van Advent, de tijd van Christus die aanbreekt, de komst van de messias.

In Matteüs 25 spreekt Jezus over de komst van de mensenzoon. Een messiaans figuur die in het vroege Jodendom verwacht werd en die zou komen om de wereld te richten, orde op zaken te stellen. Jezus deelt die verwachting en het evangelie laat in het midden of Jezus daarmee zichzelf bedoelt, in de christelijke geloofsbelijdenis is het wel zo opgevat. Jezus zal op een dag als rechter verschijnen om het laatste oordeel te vellen.

Laatste oordeel, dat is het kopje dat traditioneel boven dit gedeelte staat. Maar wat me nu opviel, het woord oordeel gebruikt Jezus hier niet, terwijl dat wel voor de hand zou liggen, Jezus heeft het in ander verband zeker over oordelen en geoordeeld worden. Maar hier gaat het meer over van elkaar scheiden, uit elkaar houden. Maar is het dan wel een laatste uitspraak? In de zin van laatste halte, ‘eindpunt van deze trein’.

In zijn theatervoorstelling ‘in Gods naam’ van Bastiaan Ragaz die ik afgelopen woensdag heb bijgewoond, laat hij bijbelverhalen de revue passeren, David, Job, de verloren Zoon, ik vond het knap gemaakt, humoristisch, zonder dat het lacherig word.

Bastiaan Ragaz noemt dan ook het laatste Avondmaal en hij zegt, hoezo laatste avondmaal, het gaat om de Pesachviering, de herbeleving van de doortocht, en niet de laatste, want Jezus zegt juist dat ze die moeten blijven vieren. En dat Pascha volgt direct op onze evangelielezing uit Mt 25. De Mensenzoon die hier nog de rechter en koning van alle volken is, wordt 2 verzen later overgeleverd om gekruisigd te worden.

Zoals het laatste avondmaal in feite geen laatste avondmaal is, zo hoeft het laatste oordeel geen laatste oordeel te zijn als je goed leest. Je kan deze tekst ook als een soort van jurisprudentie zien, dit is waar deze rechter op let, of beter gezegd, deze herder.

Het is een ontspannend element uit de christelijke traditie dat je het eindoordeel over je leven aan en dat van een ander aan God mag overlaten. Je hoeft je eigen leven geen cijfer te geven.

Dat het de Heer is die als scheids-rechter optreedt, dat is een troost. Er is een ultieme beroepsinstantie die recht zal doen. ‘Een goede scheidsrechter valt niet op,’ zeggen ze in het voetbal, maar hij laat de zware overtredingen niet lopen, hij grijpt tenslotte in.

Dat zit in deze tekst, maar er is meer dan dat. Het is meer dan het eindstation en de slotconclusie van de geschiedenis. Deze woorden van Jezus doen recht aan je leven hier en nu.

We hebben het als 1 schriftlezing gelezen, zo staat het ook te boek, maar ik raak er steeds meer van overtuigd dat het eigenlijk om 2 gelijkenissen zijn die Jezus vertelt. De eerste gelijkenis gaat over de Mensenzoon, voor wie de volken verschijnen. Let op, er staat niet de mensen, maar de volken. Die volken worden uit elkaar gehaald, zoals een herder schapen en bokken van elkaar scheidt. Schapen en geitebokken die door elkaar geweid worden, maar als ze te drinken worden de bokjes apart gezet omdat ze de schapen met hun hoorns verdringen en aan de kant drukken. Het schijnt trouwens dat schapen ook behoorlijk bokkig kunnen zijn.

Wat doet deze mensenzoon dus. Vrede stichten. De volken die met elkaar in de clinch liggen, die elkaar verdringen en wegduwen worden uit elkaar gehaald. Het visioen van de shalom, van leeuw en het lam die tezamen weiden. De strijdende partijen ontwapend. Hij is de goede herder die de verzwakte en gewonde dieren in bescherming neemt en de agressievelingen in toom houdt en apart zet.

Wanneer zal het vrede zijn, hoe lang moet je daar op wachten? De mensenzoon verschijnt in het bijzijn van zijn engelen, hij heeft dienaren, helpers. Engelen, bijzondere hemelse wezens. Ik probeer me daar wat in te verplaatsen, want bij de komende kerstwandeling in Barendrecht mag ik de engel Gabriël spelen.

Deze mensenzoon is niet zonder zijn engelen, zou dat een aansporing kunnen zijn om zelf ook daadwerkelijk zijn dienaar en helper te worden, een vredestichter. Ja, die engelen mogen ook nu actief worden om de volken tot vrede te bewegen. In Gods naam.

Dat is de eerste gelijkenis, het eerste scherm,  in de tweede gelijkenis, op het tweede scherm is de herder een koning geworden. Dat loopt in elkaar over, want een goede koning is Bijbels gezien een herder. David was ook eerst herder en toen koning, er is dus overlap, maar het is wel een nieuw gezichtspunt.

De koning zegt tegen degenen aan zijn rechterzijde: jullie zijn gezegend, kom binnen want jullie hebben mij gevoed toen ik hongerig was en te drinken gegeven. En gekleed en gehuisvest, verzorgd en bezocht.

Wanneer hebben we u dan gezien? Het antwoord: “Wat jullie aan een van deze geringen hebben gedaan, heb je voor mij gedaan.”

Deze gelijkenis is symmetrisch, het is een tweeluik, zo is het in de kunstgeschiedenis ook op altaarstukken veel verbeeld. Tot degenen aan de linkerzijde zegt de koning: ga weg, want jullie hebben mij niet gevoed toen ik hongerig was, mij niet te drinken gegeven, mij niet gekleed, mij als vreemdeling niet opgenomen, mij als gevangene niet bezocht.

Wanneer dan Heer? Het antwoord: Wat jullie aan een van deze geringen niet gedaan hebben, heb je voor mij niet gedaan.

Het indrukwekkende van dit tweeluik is dat Jezus hier een koning is die niet vanuit de hoogte regeert, maar vanuit de diepte. Jezus had ook heel goed kunnen spreken van een koning die boven de partijen staat en ieder geeft wat hij of zij verdient in de trant van: dit is mijn uitspraak en daar moet u het mee doen.

Maar Jezus heeft het hier over een koning die zich schaart bij de hongerigen en de dorstigen, bij de daklozen en de zieken en zelfs bij de criminelen, de gevangenen.

Dat is precies wat er in het lijdensevangelie gebeurt, dan is Jezus de koning der Joden die tot de misdadigers wordt gerekend, die ontkleed wordt, die te drinken vraagt omdat hij dorst heeft.

Deze mensenzoon is één met de minsten der mensen, ze zijn zijn broeders en zusters, hij draagt hun oordeel, is solidair met wie hulpeloos en haveloos zijn. Hij staat aan hun kant. Degenen aan de linkerkant van deze gelijkenis willen van deze relatie niet weten, zij antwoorden wel, maar niet tot de koning. Ze praten voor zich uit en sluiten zich af. Ze hebben de communicatie verbroken.

Deze woorden van Jezus staan niet voor niets vlak voor zijn lijden en sterven. Daar zijn ze al tot vervulling gekomen. Een koning die vanaf het kruis geregeert, de herder die zijn leven geeft. En die je toespreekt in de mens die gebrek heeft, aan voedsel of kleding, aan warmte of gastvrijheid, die opgesloten zit in eenzaamheid. Kortom de naaste die je nodig heeft. En die voelt heel goed het verschil of je uit de hoogte doet of dat je echt geïnteresseerd bent.

Ik sluit daarom af met een rabbijns verhaal dat mogelijk een joods commentaar is op deze woorden van Jezus. Van rabbi Joshua wordt gezegd dat toen hij het graf van zijn vader bezocht en dat hij daar op een dag de profeet Elia ontmoette. Hij vroeg aan Elia: ‘Wanneer komt de messias’. Elia zei, ‘ik weet het niet, maar vraag het hem zelf.’ Hij zit namelijk bij de stadspoort tussen de bedelaars en degenen die daar hun wonden verzorgen. (Blessuretijd voor de scheidsrechter) Oke, dus Joshua naar de stadspoort en daar zit inderdaad de messias.

Wanneer komt U? De messias antwoordt: ‘Vandaag’. Later komt Joshua Elia weer tegen. ‘Heb je de messias ontmoet?’ ‘Ja, maar het klopte niet, want hij zei ‘vandaag’.’ Waarop Elia zegt. Hij bedoelde het zoals in de Psalm staat. ‘Vandaag…, indien je naar mijn stem luistert.’

Preek 19 november over Matteus 25:31-46 de komst van de Mensenzoon

Nim was dein ist und gehe hin

Werkers in de Wijngaard, Byzanthijns – 11e eeuw (bron: parabel project)

Een van de leukste cantates van Johan Sebastian Bach, als ik dat zo oneerbiedig mag zeggen, is geschreven bij de gelijkenis van de werkers in de wijngaard. De titel van de cantate is ‘Nim was dein ist und gehe hin’ . Neem wat van jou is en ga heen. De woorden van de eigenaar tot de morrende ontevreden werkers van het eerste uur, als ze merken dat ze hetzelfde loon ontvangen als de werkers van het elfde uur.

In het vervolg van Bachs cantate word je dan ook vooral aangesproken om niet ontevreden te zijn.

Mor niet, beste christen,

als er iets gebeurt wat niet naar je zin is,

maar wees tevreden met dat

wat God je heeft toebedeeld,

hij weet wat nuttig voor je is.

De cantate geeft naast vrolijke muziek ook een duidelijke uitleg van de gelijkenis, waarin het accent ligt op tevredenheid, genügsamheit in het Duits en het vertrouwen dat Gods voorzienigheid je zal geven wat je nodig hebt, of je nu arm bent of rijk. Daar moet je niet tegen in willen gaan, maar je van harte bij neer leggen.

Tevredenheid

is een schat in dit leven,

die vreugde kan geven

in de grootste droefheid;

want in alles kan men vrede hebben

met Gods beschikking. Tevredenheid.

Een uitleg die past bij de theologie van de tijd van Bach. Gezagsgetrouw, vroom, de vreugde wordt gezocht in de overgave aan Gods beschikking. Maar beleven wij dat zo?

In andere tijden ontdekt men weer andere aspecten in deze gelijkenis van Jezus. Juist het belang van sociale gerechtigheid. De rol van goed werkgeverschap, de waarde van solidariteit, de onderhandelingspositie van de arbeider, de ellende van massale werkloosheid, aandacht voor de arbeidsomstandigheden van wie zwaar, belastend werk doen in de hitte van de dag.

Bestaanszekerheid, terecht dat dit onder de aandacht en op de agenda is gekomen en in verkiezingsprogramma’s. Het is onrecht als er armen zijn die geen boodschappen kunnen betalen, die in onzekerheid verkeren of ze hun vaste lasten nog kunnen voldoen, als de huren stijgen en de lonen en uitkeringen blijven achter. Het zijn vaak degenen die zware werk doen die bij inflatie het eerst in de problemen komen.

De eigenaar komt 1 drachme overeen met de arbeiders van het eerste uur en geeft dit vervolgens ook aan degenen die later zijn begonnen. Een drachme staat gelijk aan een dagloon, het is wat je nodig hebt om van te kunnen leven, te kunnen bestaan. De Tora van Mozes schrijft voor dat de dagloner dat loon ook dezelfde dag krijgt. Hij mag niet arm en afhankelijk worden gehouden.

In het personeelsbeleid van deze wijngaard krijgen alle arbeiders een menswaardig inkomen, waar ze met hun gezin van kunnen bestaan. Dat je genoeg krijgt om van te leven. Ja, het minimumloon moet genoeg zijn om je huur te kunnen betalen en je lidmaatschap van de sportvereniging en om je verjaardag te vieren

Dat je genoeg krijgt, dat zit in dat dagloon van 1 drachme. En dat je er genoeg aan hebt? Toch iets van die Genügsamkeit van Bach. Dat je kunt genieten van genoeg. Niet meer, meer, meer willen dan een ander, maar je zegeningen tellen. Daar houden we een oogstdienst voor.

Tot 5 maal toe gaat de landheer op zoek naar arbeidskrachten en 5 keer vindt hij ze. ‘Kom binnen’, zegt hij steeds ‘in mijn wijngaard’. 5 boeken zijn er van Mozes, die samen de Tora vormen met het steeds terugkerende thema ‘God zoekt de mens.’

Ik werd  getroffen door de woorden van de werkers van het 11e uur. Tegen hen zegt de landheer. Waarom staan jullie hier de hele dag zonder werk. En dan antwoorden ze. Niemand heeft ons ingehuurd. Niemand heeft ons nodig gehad.

Dat is pijnlijk en schrijnend. Dat je letterlijk aan de kant staat, dat ze je laten staan, dat niemand je kan gebruiken. Nergens goed voor. Geen passend werk te vinden. Overbodig. Overtollig.

Dat laat deze landheer niet gebeuren. Dat komt in zijn koninkrijk niet voor, dat je niet nodig zou zijn. ‘Kom in mijn wijngaard’ zegt hij telkens. De rabbijn Abraham Heschel spreekt van the need is to be needed. Een mens wil heel graag iets zinvols bijdragen, iets betekenen, al is het dat ene uurtje bij het scheiden van de markt, te elfder ure.

Ook in de levensavond, oudere mensen willen natuurlijk niet doelloos terzijde staan. Sta op voor grijze haren, staat er in Leviticus 19. Niet zozeer uit beleefdheid, maar omdat generaties van elkaar leren. Denk niet dat je als oudere niet toe doet of dat jong zijn alles is, er bestaat niet zoiets als voltooid leven, als ik dat zo mag zeggen.

Aan het einde van de gelijkenis ontstaat er zoiets als een arbeidsconflict tussen de landheer en de werkers van het eerste uur. Ze hadden op meer gehoopt. De landheer zegt: ik behandel jullie toch niet onrechtvaardig?

Of is jullie oog boos omdat ik goed ben? Dat was ook de vraag aan Jona weet je nog: is het terecht dat je boos bent? Ben je jaloers? We begrijpen die werklieden die voor dag en dauw zijn opgestaan toch wel een beetje. Werken moet toch lonen, dat is voor onze economie ook een vraagstuk, een puzzel en het cpb rekent dat allemaal door.

Dat doet de gelijkenis niet, het beleid van de landheer helemaal doorrekenen. Jezus stelt je de vraag, met welke maat meet je? Gebruik je Gods gerechtigheid als maatstaf, waarbij geen mens in armoede aan de kant staat, of is je maatstaf wat de ander meer of minder heeft dan jij, zodat je nooit genoeg hebt. Zodat het nooit genoeg is.

Gods gerechtigheid als maatstaf. Leviticus heeft het heel praktisch over rechtvaardige lengtemaat, een rechtvaardig gewicht en een rechtvaardige inhoud. Dat je bij het kopen en verkopen de ander niet oplicht. Een onsje minder merken ze toch niet, krimpflatie noemen ze dat, is aan de orde van de dag in de supermarkt.

Zuiver meten en wegen, met Gods gerechtigheid, dat houdt in dat ieder genoeg krijgt en dat je kunt genieten van genoeg. Dat je je werk na gedane arbeid kunt laten rusten, dat was het voor vandaag, genoeg gedaan, voor jezelf en voor je werkgever.

Jezus nodigt je uit om zijn wijngaard binnen te gaan. Om mee te werken aan zijn oogst. Kom erin. Ga mee. Doe mee. Werk genoeg en ook als je alleen dat ene uur in de week in de kerk bent draag je bij, ben je nodig.

En je krijgt er nog iets voor terug ook. Dat je mag leven van Gods gerechtigheid. Het is zijn goedheid dat hij je nodig heeft, want God zoekt de mens.

Preek voor dankdag voor gewas en arbeid, november 2023

Tranen in de Hemel

Hans Memling – Johannes op Patmos (1479), St. Jans-hospitaal-Brugge (bron: Statenvertaling.net)

En God zal iedere traan uit de ogen afwissen (Openbaring 7)

Psalm 126. Deze week zag ik een lesauto door Barendrecht rijden met als naam van de rijschool, Psalm 126. Ik vroeg me natuurlijk af wat voor een verwijzing dat zou kunnen zijn en ik zocht psalm 126 op. Daar staat: “wat met tranen werd gezaaid, zal met gejuich worden gemaaid. Wie in tranen op weg gaat, dragend de buidel met zaad, zal thuiskomen met gejuich.”

Ja, dat slaat wel een beetje op de rijlessen die ik indertijd volgde, maar iPsalm 126  is vooral een diepzinnige tekst over verdriet en troost. Het is de gelijkenis van de zaaier die zijn laatste voorraad graag prijsgeeft aan de aarde in de hoop op een nieuwe oogst, maar dat kost heel wat tranen.  In tranen op weg gaan, over die tranen gaat het in Openbaring 7, de lezing die we zojuist hebben gehoord..

In dat laatste Bijbelboek, de Openbaring van Johannes, krijgt de apostel Johannes visioenen te zien. Waarvan hij niet alles begrijpt, maar de Heer die hem dit alles laat zien, geeft hem de opdracht het op te schrijven. Zoals hij het voor zich ziet. Johannes vertelt er bij dat het hem raakt, dat het hem emotioneert wat hij ziet, de verdrukking waar de mensen onder te lijden hebben, hij moet er om huilen, tot tranen geroerd. Ja, hij kijkt  in die visioenen door zijn tranen heen.

Wat Johannes in hoofdstuk 7 ziet is de hemel, de troon van God, engelen en hemelse wezens erom heen, en tegelijkertijd ziet Johannes in zijn visioenen ook hoe God naar de wereld kijkt. Er zit dus ook een wisseling van perspectief in, zoals dat vaker gebeurt in een droom.

Die beide perspectieven, kijkrichtingen wil ik graag met jullie verkennen.

Eerst de blik in de hemel, hoe zie je dat voor je? Ja, de hemel. De meeste mensen die ik spreek zeggen eerlijk dat ze het niet weten, hoe dat zal zijn. Degenen die ik spreek zeggen meestal niet: zoals het in Openbaring getekend wordt, zo is het, dat is de zintuigelijk waarneembare werkelijkheid. Als iemand aan Johannes vraagt om te identificeren wat hij ziet, dan durft hij dat niet aan. U weet het, zeg het maar.

Het is dan ook een visioen, een beeld. Maar probeer dat beeld even vast te houden. In Openbaring 7 zijn er engelen en mensen verenigd om een troon. Het zijn mensen die uit de verdrukking komen, zo worden ze geïdentificeerd.

Uit de verdrukking, de benauwdheid komen ze. Verdrukten die niet zonder kleurscheuren door het leven zijn gekomen, ze zijn beschadigd en berooid, afgemat en uitgeput, en als ze dan bij God komen roepen ze om hulp. De redding komt van God en van het lam is een gebed om redding, een noodkreet, breng toch bevrijding Heer. Maar hun noodkreet wordt een danklied, ze dienen God, het is thuiskomen met gejuich.

Het beeld dat Johannes krijgt van de hemel is de hemel als wachtkamer. Min of meer de wachtkamer van een ziekenhuis waar mensen met allerlei kwalen en ziektegeschiedenissen verzameld zijn om geholpen te worden. Daar worden ze opgelapt en verzorgd en getroost. Daar zijn ook tranen. ‘Tears in heaven’. En God zal iedere traan uit de ogen wissen. Ja iedere traan staat er dus, heel persoonlijk. God zal zich naar hen toebuigen, ziet Johannes, om ieder te troosten.

Hoe zie je dat dan voor je met een ontelbare menigte, onnoemelijk veel, daar gaat het juist om, dat die al die mensen die naamloos ten onder gingen, ook degenen die eenzaam zijn gestorven, die vergeten zijn geraakt, voor God verschijnen en dat Hij hun tranen heeft geteld. Would you know my name. Ja, God kent ieder mens bij name.

Ik denk dan aan Arash. Een man die hier in Barendrecht in ons midden woonde. Een Iraanse asielzoeker, statushouder. Die onder tragische omstandigheden eenzaam was gestorven. Maar de kerk in Rotterdam die hem eerder had opgevangen zorgde voor een waardige uitvaart, waarin hem recht werd gedaan en er waren ook buren en andere betrokkenen bij. En ik voelde, dit is intens verdrietig, maar hier gebeurt ook iets bijzonders. Hier ben je kerk voor, om een medemens niet anoniem te laten, zijn naam te noemen.

De hemel is in dit beeld ook een wachtkamer omdat het nog niet klaar is. Juist in de hemel wordt er vol verlangen uitgekeken naar de komst van Gods rijk op aarde, naar herschepping, alle dingen nieuw. Daar wordt met hartstocht om geroepen. De redding komt van God en van het lam. De redding komt.

Met het lam wordt Christus aangeduid. Als een paaslam is hij verwond en gedood, dat ons de vrije doortocht. Dat de menigte hun kleren hebben gewassen in het bloed van het lam, wil zeggen, met Christus gestorven en opgestaan. Dat je mag leven dankzij Hem die het Leven zelf is. En die witte klederen zijn feestkleren, ze zwaaien met palmtakken, het is blijde verwachting. Een vreugdevol uitkijken naar de redding die God brengt. En daarom toch ook het leven dankbaar ontvangen en vieren, al is het door je tranen heen.

En als we het perspectief wisselen, vanuit de hemel, vanuit Gods oogpunt zicht krijgen op onze werkelijkheid….

Kijkt God met tranen in de ogen naar zijn wereld? Ja voor God geldt ook dat hij met tranen heeft gezaaid, zijn zoon die in ons midden is komen wonen is en gestorven en begraven. En zo heeft God verdriet om al die mensen die niet aan leven toekomen, die in de verdrukking zitten, die in duisternis wonen. Iedere traan in Gaza en in Israël. Gelukkig, dat God mee kan huilen, dat hij er weet van heeft, ook van jouw verdriet. Tears in heaven.

Psalm 126 zegt: “Zij die in tranen zaaien, zullen oogsten met gejuich. Wie in tranen op weg gaat, dragend de buidel met zaad, zal thuiskomen met gejuich.”

Thuiskomen… Het lam wordt ook een herder genoemd, die de kudde de weg wijst naar de waterbronnen van het leven. Het beeld van de levensweg, een reis, waarbij je het zwaar te verduren hebt, er is honger en dorst, de hitte van de zon, maar je gaat van bron naar bron, van oase naar oase, van rustpunt naar rustpunt. En de herder gaat met je mee, hij geeft de route aan, hij draagt je als het nodig is, hij brengt je thuis.

‘Hij die zetelt op de troon zal bij hen wonen’. Zal zijn tent over hen uitspannen zegt een andere vertaling. Dat past bij dat op weg zijn, God die zijn trekkerstentje in ons midden heeft opgezet. Om je nabij te zijn en je te troosten, iedere traan.

Preek Allerzielen, November 2023

Het Pascha

fcderonde's avatarEen wonderlijk bestaan

Jan van Eijk, De aanbidding van het Lam Gods, statenvertaling.net

S’Hemels goetheyt die voorhenen

Ons Voorvaders heeft beschenen

Is hier opt Toneel herspeelt,

En na t’leven afghebeelt (2055-58)

Een van de hoogtepunten van de seidermaaltijd die het Joodse volk aan de vooravond van het Pesachfeest houdt om de uittocht uit Egypte te gedenken is de uitspraak ‘niet onze voorouders, maar wij zelf zijn toen bevrijd’. Deze woorden bevestigen de reële werking van de herbeleving die door middel van deze maaltijd en de vertelling van de bijbehorende geschiedenis plaats vindt. Alsof je er zelf bij bent geweest.

Dat is tevens de functie van liturgie (woord en sacrament) in de kerk en bij Vondel ook de functie van toneel. Je bent niet alleen toeschouwer, maar ook deelnemer. In ‘het Pascha’, zijn eerste toneelstuk, maakt Vondel zijn publiek tot ooggetuigen van de uittocht uit Egypte. Het Pascha is de aanduiding voor het offerlam…

View original post 291 woorden meer

Lazarus

Caravaggio, de opwekking van Lazarus, bron: Statenvertaling.net

Preek 26 maart zondag Judica over Johannes 11

Doe recht (Latijn: Iudica’), doe mij recht, is de naam van deze zondag, de 5e in de 40-dagen tijd, zo begint psalm 43, waar iemand op de vlucht is, een veilig heenkomen zoekt en dat past bij de situatie in het evangelie, waar Jezus is uitgeweken, Jeruzalem en Judea heeft verlaten om te ontkomen aan zijn belagers, een voortijdige dood te ontlopen.

Maar dan gaat hij tot verrassing van vriend en vijand en tegen het advies van zijn leerlingen in toch weer richting Jeruzalem, zoals in de psalm ook gebeurt, maar voor Jezus is dat dus het hol van de leeuw, levensgevaarlijk terrein, uiterst riskant, want ze willen hem daar doden.

Maar hij gaat, naar Betanië, op loopafstand van Jeruzalem, omdat hij naar Lazarus toe wil, een vriend, die hij liefheeft, evenals diens zussen Maria en Marta

Lazarus, die naam betekent mijn God helpt, in het Hebreeuws Eliezer.

Lazarus woont met zijn zussen Maria en Marta in Bethanië, , een plaatsje dat niet veel voorstel, huis der armen betekent Bethanië, 15 stadiën, ongeveer 4 km van Jeruzalem, het is een soort sloppenwijk, een pauperdorp, een kansarme buurt. Jezus kwam daar graag, in de dagen voor Pasen zal hij daar eten en overnachten.

Lazarus, zijn naam getuigt van de God die een Helper is van de armen, maar hij is ziek. Eigenlijk staat er dat Lazarus verzwakt is, hij kwakkelt, chronische klachten, hij tob met zijn gezondheid en  wordt maar niet beter, een soort van long covid, q-koorts, geen duidelijke diagnose. Heer, degene van wie u houdt, die uw vriend is, is als maar zwak.

Maria en Martha sturen Jezus dit bericht, ze vragen niet rechtstreeks of hij ook wil komen en of hij Lazarus kan genezen, ze stellen de rabbi op de hoogte. Maar ze schatten de situatie nog niet in als hoogst urgent, het is meer van, als de kust weer veilig is, kom dan even langs op ziekenbezoek, hij kan het gebruiken.

En ze hebben geloof dat Jezus zieken kan genezen, ze waarderen zijn vriendschap, maar ze hebben er begrip voor dat de mogelijkheden van hun vriend begrensd zijn. Hij is nu aan de overzijde van de Jordaan.

En hoe schat Jezus de situatie in? Hij zegt:, deze zwakte  loopt niet uit op de dood, maar op de eer van God en dat de Zoon verheerlijkt wordt

 Maar, op het moment dat het bericht van Maria en Martha Jezus bereikt is Lazarus al gestorven, zo zal later in het verhaal blijken.

Jezus maakt geen haast, hij wacht nog 2 dagen, hij blijft op zijn plaats, en dan, na die 2 dagen, maakt hij toch aanstalten: ‘laten we weer naar Judea gaan.’

Terug naar die onveilige plek, het hol van de leeuw en zijn leerlingen vragen zich af wat hem bezielt, waarom?

En de leerlingen denken in het geheel niet aan Lazarus, die kansarme zwakkeling in het pauperdorp , maar aan het risico dat Jezus in Jeruzalem loopt: de Judeeërs zoeken u te stenigen. De leiders in Jeruzelem willen hem grijpen en terecht stellen omdat  hij zich met God had gelijkgesteld. Daarom was Jezus gevlucht en naar de overzijde van de Jordaan gegaan.

Jezus zegt: Lazarus onze vriend is te rusten gegaan, prachtig dat Jezus hem vriend noemt, ja hij had hem en zijn zussen lief, en hij zegt ónze vriend. Mijn vriend, die arme zwakkeling is ook jullie vriend. En ik ga hem uit zijn slaap halen. Ik breng hem weer bij zijn positieven.

De discipelen, niet voor 1 gat te vangen, zien daarin een reden temeer om niet terug te gaan naar Bethanie en aan de veilige kant van de Jordaan te blijven. Heer, als hij slaapt is dat een goed teken, hij heeft zijn rust nodig, dan zal hij herstellen. Ja, zo is er altijd wel een excuus om niet bij een zieke langs te gaan.

Dan speelt Jezus open kaart, vrijuit zegt hij wat er aan de hand is, Lazarus is gestorven, hij heet God helpt, maar hulpeloos kwam hij aan zijn eind. Een zwakke gezondheid en toen is het toch nog snel gegaan. Hij is dood en intussen al begraven.

Als je verder leest, dan voel je de emotionele betrokkenheid, dan merk je hoe begaan Jezus is met Lazarus en Marta en Maria en hoe hij hen recht doet, hoe nabij hij hen is in hun verdriet. Het Johannesevangelie staat bekend om zijn hoge christologie, Jezus wordt met God gelijkgesteld en tegelijkertijd komt Christus hier ontzettend dichtbij, hij is intens bedroefd om het sterven van zjin vriend,

Hij weent, hij is oprecht boos omdat Lazarus gestorven is, hij kan het helemaal niet hebben dat zijn vriend in het graf ligt en hij begrijpt Maria en Marta die allebei hun eigen verdriet hebben. Ontroostbaar zijn.

Ik mis dat wel eens in de ethische discussies over leven en dood,  dan gaat het over rechten en vrijheden. Maar waar blijft dan de ervaring dat je elkaar niet kunt missen, dat de dood eigenlijk onaanvaardbaar is, dat die ons hulpeloos maakt, daar blijf je toch tegen aanstoten, ik tenminste wel.

Leven en dood zijn in de Bijbel geen vrienden. Jezus noemt zich de opstanding en het leven en hij heeft er grote moeite mee dat Lazarus dood is, verbolgen in de geest is hij dan.

Waarom zei Jezus dan? Deze ziekte loopt niet uit op de dood, maar op de eer van God. Heeft hij de situatie onderschat, is het een vergissing?.

Het simpele antwoord is omdat Jezus weet dat de Vader hem zal verhoren, dat hij Lazarus kan opwekken. Niets aan de hand, geen zorgen.

Maar dan mis je wat het Jezus kost, want dat hij naar Lazarus toegaat, dat zal zijn dood worden, daarmee graaft hij zijn eigen graf. Want in het Johannesevangelie is het directe gevolg van de opwekking van Lazarus, dat dat het sanhedrin Jezus ter dood veroordeelt.

Omdat het sterven van de arme Lazarus, zijn vriend, hem raakt, geeft Jezus zijn leven, uit louter liefde, alle ongeloof en onbegrip die hij tegenkomt ten spijt, hij maakt het waar dat God een helper is.

“Deze zwakte loopt niet uit op de dood, maar tot de eer van God, daardoor zal de zoon van God worden verheerlijkt.”

Met dat laatste bedoelt het Johannesevangelie steeds dat Jezus verhoogd wordt aan het kruis, zijn leven geeft voor zijn vrienden. Daar loopt het op uit. Jezus gaat naar Judea om een helper te zijn voor Lazarus, Maria en Martha, omdat hij van hen lief heeft als vrienden en dat wordt zijn eigen dood.

“Ik ben de opstanding en het leven, wie in mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven. Als ik voorga bij een uitvaart”, op de begraafplaats, mag ik die woorden van Jezus uitspreken. Ik vind dat iedere keer een waagstuk om dat zo te zeggen, bij een graf, in dat onvervangbare gemis, als je weet dat iemands leven echt voorbij is gegaan.

Maar dan juist ervaar je dat God helpt, dat er opstanding is en leven is in de vriendschap die Jezus bewoog, liefde tot het uiterste. Dat je dat tegen alles in kunt geloven. Zo meteen zullen we het zingen als we een overleden zuster gedenken. “Wij leven en sterven voor God onze Heer, aan hem behoren we toe.”

Het is toch heel wat dat Jezus dat zo aan Marta vraagt: geloof je dat? Ja Heer, zegt ze, en let dan eens op hoe ze haar geloofsbelijdenis motiveert, ze zegt ik ben tot geloof gekomen dat u de messias bent, de zoon van God die in de wereld komt. 

Dat laat zien dat het geloof dat Jezus de opstanding en het leven is, niet statisch is, maar een weg, die je samen met Jezus gaat, zijn messiasschap is komende, is onderweg in onze wereld. Veel vertalingen zeggen, die in de wereld komen zou, maar dat is niet wat er staat, er staat, komende in deze wereld. Het is een transitie om het eigentijds te zeggen.

Dat is een Joods perspectief dat Johannes via Marta inbrengt. Het nieuwe leven met God is aanwezig, hier en nu, maar het is nog niet af, het moet er nog van komen. Het gaat ergens naar toe.

Een doortocht, zoals Pasen, Pesach, dat oorsponkelijk is, een uittocht van dood naar leven. En daarom roept Jezus zijn vriend uit het graf, kom naar buiten

Dat is waar de Heer van Pasen, opstanding en leven je toe oproept, om een nieuwe schepping te zijn, losgemaakt uit de banden van de dood.

(Zoals iemand in de voorbereiding zei. Geloven dat God je gebed verhoort is amen zeggen, je toevertrouwen aan Gods toewending naar deze wereld.)

Een mooi detail tenslotte is dat de omstanders van Jezus de opdracht krijgen om Lazarus te bevrijden van de windsels waarin hij is gewikkeld, de blinddoek die zijn gezicht bedekt.

Niet alleen Lazarus wordt opgewekt, zij, de toeschouwers, worden ook weggeroepen uit hun passiviteit en meeloperij, om iets bevrijdends te doen. Om een medemens die verwikkeld is geraakt in problemen en het niet meer ziet, los te maken en weer zicht te geven.

Zoals de naam van deze zondag altijd al zei. Doe recht.

Amen

Bij de bron

Preek 12 maart bij Johannes 4 en Exodus 17 in de Dorpskerk te Barendrecht

Waar haal je het vandaan? Het boeiende van dit gesprek tussen Jezus en de  Samaritaanse vrouw over drinkwatervoorzieining is dat zij spreekt van een put en Jezus van een bron. In het watermanagement van het land Israël is dat een groot verschil. Een put bevat opslag van regen, stilstaand water, dat al snel troebel wordt en dat maar beperkt voorradig is. In periode van droogte raakt het op. Een drooggevallen put wordt dan ook wel gebruikt als gevangenis, denk aan de geschiedenis van Jozef.

Bij een bron is dat anders, dat is stromend water, dat borrelt op, fris en gezond, daarom wordt dat ‘levend water’ genoemd. Het vinden van een bron is Bijbels gesproken van levensbelang.

De Samaritaanse  vergelijkt haar leven met een put, haar leven is stil komen te staan. Dat ze daar op het middaguur alleen bij de put is, wijst daarop. Water halen was meestal een sociale activiteit, maar zij is geïsoleerd geraakt. En uit het vervolg van het gesprek blijkt dat ze meerdere relaties heeft gehad die haar geen geluk hebben gebracht. Vandaar haar afwerende reactie richting Jezus, ze houdt hem af.

Als Jezus van Jeruzalem/Judea in het zuiden naar Galilea in het noorden reist, dan gaat hij door Samaria, dat daar tussen ligt. En dan raakt Jezus vermoeid, uitgeput, het is rond het middaguur, letterlijk staat er het 7e uur, vanaf zonsopgang gerekend.

Als je dan ’s ochtends vroeg bent vertrokken en je loopt door heuvelachtig gebied en het wordt steeds warmer, dan voel je je benen steeds zwaarder worden, je lichaam uitdrogen, dan ben je als dat hert uit psalm 42 dat verlangt naar fris, dorstlessend water.

Geef mij te drinken zegt Jezus, plompverloren,  tegen de Samaritaanse vrouw die hij ontmoet bij de waterput die de Jacobsbron heet. Jezus is hier degene die om een geschenk, om een gunst vraagt, hij heeft geen emmer, hij kan er niet zelf bij, daar heeft hij de  hulp van deze vrouw bij nodig.

Maar zij weigert, heeft Jezus het niet beleefd gevraagd, geef mij te drinken, klinkt voor mij nogal direct, maar dat is het probleem niet, het probleem is dat zij een Samaritaanse is en Jezus een Jood, hoe kunt u mij dan om drinken vragen?

Hoe dan. De vrouw is op haar hoede, waterputten waren ontmoetingsplekken voor mannen en vrouwen, en zij houdt er rekening mee dat die vraag van Jezus misschien niet onschuldig is. Zullen we nog wat drinken…. Haar ervaringen met mannen zijn niet zonder problemen geweest en zij geeft een grens aan. Ze houdt afstand.

Maar zo’n man is Jezus niet en er ontstaat een gesprek over het geschenk dat God geeft, het levende water. En dan moet je het niet zo lezen alsof deze Samaritaanse er niets van begrijpt en onwetend is. Als Jezus over het geschenk van God en het levende water begint dan snapt zij dat het niet om een wonderput gaat waar je wensen uitkomen.

Zij legt zelf het verband met vader Jacob, zij begrijpt dat het om beeldspraak gaat, maar ze wil van Jezus weten hoe, hoe kom ik bij dat levende water of hoe gaat u mij dat geven?

Tussen ons ligt een kloof, u bent een joodse man, ik een samaritaanse vrouw. Vandaar dat ze zegt: U hebt geen emmer en de put is diep. Waar gaat u dat levende water vandaan halen?

Ja waar haal je het vandaan? Een zeer terechte vraag. Komende week waterschapsverkiezingen. Op veel plekken in de wereld is er schrijend tekort aan water, het peil in meren en rivieren staat ieder jaar lager, het grondwater zakt. Oogsten mislukken, omdat er tegen droge zomers niet te beregenen valt, de natuur legt het af, de grond verzilt, valt uit elkaar. En als water een schaars goed wordt, ontstaan er conflicten, wie heeft er recht op.

De Samaritaanse vrouw heeft er weet van, dat water putten een dagelijkse strijd is, zwaar werk.

Is het dan een cynische reactie als ze zegt: “Geef mij dat water  Heer, dan zal ik geen dorst meer hebben en hoef ik ook niet meer hierheen te komen om water te putten.” Of spreekt er ook een echt verlangen uit? Ik denk het, het gesprek heeft bij haar iets aangeboord, een bron die verstopt zat gaat door de ontmoeting met deze rabbi weer stromen.

Want Jezus zegt: het water dat ik geef zal in je een bron worden waaruit water opspringt dat eeuwig leven geeft. Wat is nu het mooie van die uitspraak?  Jezus zegt niet ‘geef mij die emmer, dan zal ik wonderwater voor je naar boven halen, dan maak ik er een wensput van’ 

Jezus zeg het water dat ik geef, dat geschenk van God dat wordt ín jou een bron van leven, het gaat weer stromen in jou. Als ik dat nu eens op mezelf betrek, als dat is wat God mij wil geven, dat je een bron wordt die anderen te drinken geeft. Zoals vader Jacob eens zijn kinderen en vee te drinken gaf.

Dan moet je nog steeds dat dagelijkse werk doen en dat is wel eens uitputtend, dat je denkt waar haal ik het vandaan, maar in je blijft er iets stromen, omdat Jezus je aanspreekt, omdat hij die bron bij je aanboort van eeuwig leven.

En als je bang bent dat de bronnen van het geloof uitgeput raken.  Waar haal je het vandaan dat levende water? Is het grondwaterpeil door de geestelijke droogte van deze tijd niet zo diep weggezakt dat de jonge wortels nauwelijks nog gevoed kunnen worden. Daar valt niet tegen op te beregenen, het verdampt waar je bijstaat. Maar er is een bron, een levensbron, die stromen blijft. Water uit de rots.

En je denkt misschien, waar ga je het vandaan halen om de nood van de wereld te lenigen, is wat je doet niet te weinig, een druppel op een gloeiende plaat wordt er dan gezegd. Zo spreekt Jezus niet, voor Jezus maakt juist het kleine gebaar, die ene hulpactie het verschil, ergens anders zegt hij: “wie aan een van deze geringe mensen een beker koud water geeft, amen, die zal zeker beloond worden.”

In het vervolg van het van het verhaal gaat het stromen, de Samaritaanse gaat in de stad, waar ze vandaan komt, vertellen wat ze heeft meegemaakt en de mensen in haar omgeving merken het op, ze komen door haar getuigenis tot geloof. en ik stel me voor dat ze zo uit haar isolement komt, dat ze voortaan aan haar buren vraagt, ga je vandaag mee naar de put, ik bedoel de bron, om water te halen.

Ik denk dat dit verhaal ons leert dat het in je zit, dat dat stilstaande water zomaar in je kan gaan stromen, dat het in je opwelt en dat je zo voor je medemens een bron van geloof en vertrouwen wordt. Dat is wat God wil geven.

Jezus, oorsprong van mijn leven,

zon van vreugde, hoog verheven,

Jezus, hart van mijn beminnen,

levensbron en licht der zinnen,

zie ik val hier voor uw voeten,

laat mij waardig U ontmoeten,

mij genieten van uw spijze,

bij U zijn om U te prijzen. (lied 376:5)

Naäman

Ferdinand Bol- de profeet Elisa weigert het geschenk van Naäman, 1661 Amsterdams Historisch Museus (Statenvertaling.net)

Preek bij 2 Koningen 5:1-19

In de doopliturgie van onze kerk zit een beweging van toewending en afwending. De toewending is de belijdenis, het toebehoren aan de drie-ene God, gericht zijn op het rijk van Christus.  De afwending is het afzeggen, het afzweren en afblazen van de afgoden, daar zit je niet meer aan vast.

Bij de doop wordt aan de gemeente gevraagd: Wil je je afwenden van alle kwaad en alles wat Gods wil weerstaat? Ofwel: wil je je verzetten tegen alle machten die als goden over ons willen heersen?  Wij worden opgeroepen, wij samen, ons af te keren van onze zonde, onze verkeerde manier van leven.

Voor die keuze staat de gemeente van Christus rondom de doop en voor die keuze staat Naäman aan het ende van de Schriftlezing als hij op het punt staat naar de hoofdstad Damaskus in zijn thuisland Aram/ Syrie terug te keren.

En Naäman wil die keuze maken voor de God van Israël, in dienst gaan bij de God die hem een nieuw begin heeft geschonken. Een schone lei. En daarom vraagt hij aan Elisa of hij twee zakken met Israëlitische aarde mee mag nemen naar Damaskus, heilige grond als een mobiel altaar om daarop de ene ware God van hemel en aarde te dienen

Want nu weet ik het, zegt Naäman, dat er geen andere God is. Hij is vastbesloten, heeft het helemaal helder, maar nu komt het: er is een klein probleempje dat hij schoorvoetend aan Elisa voorlegt, het Hebreeuws in de tekst is hier krakkemikkig, alsof Naaman inderdaad een kleine jongen is die niet goed uit zijn woorden kom, als ik dan, als ik dan in Syrie met meneer de koning in tempel van Rimmon kom, dan moet ik als legeraanvoerder en opperbevelhebber arm in arm met hem lopen, maar als de koning buigt voor de afgod, dan moet ik wel meebuigen. Beroepshalve.

Dat is nou zonde, had hij zich net in de dienst van de ene God gesteld, een nieuw bestaan ontvangen, dan komt toch weer die afgeschreven afgod van een Rimmon om de hoek kijken. Voor Naäman is het een duivels dilemma. Vanuit zijn functie moet hij die tempel van Rimmon binnen gaan, maar hij wil daar eigenlijk niet zijn.

Het zou goed kunnen dat dit satire is, Naäman die zich oprecht bekeert, maar ook de ijdele generaal blijft die zijn eigen problemen opblaast alsof daar alles van afhangt. Maar goede satire, zegt iets over de realiteit.

En de realiteit is dat wij niet zo gemakkelijk afkomen van onze Rimmons. Ook als je van harte belijdt dat er geen god is behalve de Ene die die naam verdient, die onze God wil zijn.

Is dat onze eigenlijke melaatsheid, in Bijbelse zin, dat die nietsige, niksige afgoden toch steeds weer opspelen, een onderhuidse kwaal die de kop opsteekt als je weerstand verzwakt? En dat je dan meebuigt…

En nu is het scherpe van deze satire dat Naäman helemaal niet wil buigen voor de afgod, hij wil de God van Israël dienen, maar de realiteit, zijn positie, zijn werk dwingt hem om mee te buigen.

En dat zou zomaar ook ons probleem kunnen zijn, dat we vast zitten in een economische werkelijkheid met allerlei afgoden, waardoor je voor je gevoel wel mee moet doen met een systeem,  dat je geestelijke gezondheid aantast, want waar je mee omgaat, daar wordt je mee besmet.

Naäman legt het probleem aan Elisa voor en die antwoordt kort en bondig, in het Hebreeuws met 1 woord, leshalom, in vrede. Kort en krachtig en ook wel wat kortaf, alsof hij genoeg heeft van het gedram van Naäman.  Schoon genoeg. Gegroet.

Maar in dat ene woord shalom zit een boel huiswerk voor Naäman, de generaal die succes had behaald in de oorlog en rijk was geworden aan oorlogsbuit. Als hij echt met een schone lei wil terugkeren, dan moet hij vrede zoeken. (tip voor wereldleiders) Elisa bedoelt volgens mij, die Rimmon interesseert me niet, en wat je wel of niet in zijn tempel doet, Naäman, als het ons maar vrede brengt, als je stopt met je invallen en invasies, je intimidatie en je oeverloze veroveringsdrang.

Ja Elisa kan een nukkige profeet zijn. Een mooi portret krijgen we hier van deze Godsman, zoals hij net als zijn leermeester Elia wordt genoemd. Wars van militair vertoon en  politieke interessantdoenerij of financiële inhaligheid. Van het enorme geschenkenpakket dat de generaal heeft meegenomen, door Naäman zelf een zegening genoemd, moet hij niets hebben.

Het wordt in deze satire heerlijk humoristisch verteld. Het begint met het buit gemaakte meisje dat door heeft dat het niet goed gaat met de man van haar meesteres. Want de grote sterke man is melaats, een huidziekte die onrein maakt, staat er in de nieuwe vertaling. Besmet. Zijn eer aangetast, een smet op zijn blazoen.

Toch wonderlijk dat dit weggeroofde meisje voor de ommekeer zorgt, door tot de vrouw van Naäman te zeggen: Kon hij maar naar de profeet in Samaria gaan, verzucht het meisje. Dat laat Naäman zich geen twee keer zeggen, hij kiest voor de diplomatieke weg en hij laat zijn koning een brief schrijven voor de koning van Israël. En voor alle zekerheid neemt hij in zijn gevolg nog een heel leger mee. Met paarden en wagens.

Het is dus te begrijpen, logisch, dat de koning van Israël het niet vertrouwt, dit lijkt een militaire meesterzet, een voorwendsel om de oorlog te verklaren. Hij is niet naïef, die generaal gaat hem en het land in de ellende storten. Hij scheurt zijn kleren. Ben ik soms God, dat ik kan doden en levend maken.

De psychiater Ester van Fenema schrijft in haar nieuwe boek over de 7 hoofdzonden dat wij in onze tijd wel zijn gaan geloven, dat we zelf god  zijn en dat is ons probleem.

Als Elisa hoort wat er aan de hand is, weet hij dat hij in actie moet komen. Hij stuurt een bode die de boodschap overbrengt dat Naäman zich 7 maal moet baden in de Jordaan, dan zal hij gezond worden.

Ik vermoed eigenlijk dat Elisa niet zo geïnteresseerd is in de dermatologische gezondheid van deze oorlogszuchtige generaal. Hij heeft geen zin Naäman te ontmoeten, laat staan hem de hand op te leggen, met het risico zelf besmet te raken. Hij wil vooral dat Naäman en zijn leger de aftocht blazen en daarom stuurt hij hem naar de Jordaan, de grensrivier. Voordat het leger aan het plunderen slaat of de koning van Israël in paniek tot de aanval overgaat en de boel escaleert.

En ik weet niet of Elisa het voorzien had, maar Naäman voelt zich nu echt in zijn eer aangetast. Hij vindt dat hij wordt afgescheept en maakt zich kwaad. Waarom neemt deze profeet niet eens de moeite om zijn huis uit te komen en weigert hij zijn God voor mij aan te ropen. Het zijn in feite de knechten van Naäman die de situatie redden omdat ze het aandurven hun baas tegen te spreken. Als de profeet u iets groot had opgedragen, had u het zeker gedaan. Het is toch geen moeite om in de Jordaan af te dalen. Baat het niet, dan schaadt het niet.

Wat heeft deze geschiedenis van Naäman en Elisa nu met de beweging van toewending en afwendig te maken in de doopliturgie. Dat je dankzij Christus, in het reine komt met God, gered wordt, als het ware als eerstelingen van de  nieuwe schepping, met een schone lei begint. En je redding en reinheid buiten je zelf mag zoeken.

Wij zijn niet allemaal generaal, zelfs niet buiten dienst, maar we voeren wel allemaal onze kleine oorlogjes ben ik bang, op een of andere manier is ieder mens daarmee besmet. En met onze manier van leven, als of we god zelf zijn,  gaan we net als Naäman over heel wat grenzen heen. Hebben we het gelaat van de aarde aangetast.

Naäman leert de God van Israël kennen omdat hij bereid is af te dalen, tot 7 maal toe in de Jordaan, omdat hij in staat is om te luisteren naar zijn personeel, eerst het meisje en nu zijn knechten, de militaire hierarchie wordt omgekeerd, de orders komen van onder. Hij wordt een kleine jongen, herboren.

Dat nieuwe begin als voorbode van Gods geheel nieuwe schepping, dat wordt mogelijk als je ophoudt om je groot te maken en groot te houden en op je strepen te staan.

Dit is een geloof dat niet meebuigt met de groten der aarde, maar afdaalt en luisteren naar degenen die geen stem hebben .

Ipv meebuigen voor de afgoden, wat al te vaak onze realiteit is, ga je in dienst van de Heer, die met ons omging en onze smetten op zich nam, die zich liet dopen in de Jordaan om alle gerechtigheid te vervullen, dat maakt je rein.

Ja, wil je afwenden van alle kwaad en alles wat Gods wil weerstaat? Zoek je redding en reiniging buiten jezelf (zo zegt het klassieke doopformulier), dan word je weer mens, als herboren. Amen

Preek gehouden op 30 oktober in de de Dorpskerk te Barendrecht

Boeren en burgers

Pieter Breugel- Boerenbruiloft (1568) – geïnspireerd op de gelijkenis van de genodigden bron: wikipedia

Boeren en Burgers

Ik maak een fietstocht door het Midden-Delfland. Schiedam-Kethel, Den Hoorn, Schipluiden. Een veenweidegebied tussen de grote steden. Ik kom langs de boerderij waar mijn opa een melkveehouderij had. Dat stemt weemoedig. Als jongen heb ik vaak geholpen om de koeien vanuit de wei naar de stal te brengen, waar ze gemolken werden en bijgevoerd met een maatbeker bix. Dat halen van de koeien ging dan een stukje over de openbare weg en de auto’s wisten dat ze moesten wachten.

Het bedrijf was te klein om te worden voortgezet. Er zijn hier meer boeren uitgekocht, voor het doortrekken van de A4-snelweg en natuurontwikkeling. Van dat laatste was mijn opa niet zo’n voorstander, maar van zijn dieren hield hij. Het meest beladen onderwerp was de melkprijs, die bepaalde het inkomen.

Mijn interesse was gewekt en ik ging landinrichting studeren aan de Landbouw Universiteit in Wageningen. Uiteindelijk werd het toch theologie, maar het vraagstuk is me blijven boeien, hoe richt je de samenleving in en hoe maak je ruimte voor elkaar?

Momenteel is een deel van de boerenbevolking in opstand. Ik zie omgekeerde vlaggen, ook op bedrijven die te koop staan. De landbouwvoertuigen die de wegen blokkeren zijn vele malen groter dan de tractor van opa. Begrijp ik het? Jarenlang hebben ze geproduceerd voor een schamel loon. Nu de voedselprijzen stijgen en ze investeringen kunnen terugverdienen, dreigen ze ingeperkt te worden. Anderzijds, van uitkopen hoef je niet minder te worden, zeker als de overheid daar veel geld voor reserveert.

Het thema van de komende gezamenlijke startdienst in Barendrecht  is ‘Aan Tafel!’. Een Bijbels beeld waarin iedereen kan mee-eten en meepraten. Als kerk geloven we dat God daar de Gast-Heer van is. Jezus nodigt je daarvoor uit.  Aan deze tafel leer je wat inschikken is. Als de ene kant van de tafel inhalig alles naar zich toehaalt, lijdt de andere kant honger. Met name in het Lucasevangelie staat dat hoog op de agenda. Discipelen en farizeeën die zichzelf belangrijk vinden krijgen een lesje nederigheid. Gasten die zich druk maken over de tafelschikking worden op hun plaats gewezen.

Aan tafel met boeren, burgers en buitenlui. Er is Iemand die zich daar niet te groot voor voelt. Hij is in ons midden als Eén die dient.