Een mosterdzaadje

Hendrik van Balen, allegorie op de aarde, Musee de Flandres, Cassel

Preek 23 augustus bij Lucas 13:10-21

In de vakantie waren wij in West-Vlaanderen, een mooi heuvellandschap, maar ook een beschadigd landschap, want overal de sporen van de Eerste Wereldoorlog. Vooral heel veel witte kruisjes op de militaire begraafplaatsen. Tienduizenden soldaten, jonge soldaten, liggen er begraven. Uit heel de wereld.

In het stadje Poperinge, in de oorlog achter de frontlinie – je ziet bordjes die je de weg wijzen naar de dodencellen en executieplaatsen- bezochten we het Talbothouse. Dat was een opvangplek voor Engelse soldaten, waar hun lichaam en geest tot rust konden komen, opgericht door een legerpredikant, Talbot.

De gids die ons rondleidde vertelde dat het doel van het huis was de soldaten lichamelijk en geestelijk rust geven, en ook het koninkrijk van God verkondigen.

Het koninkrijk van God verkondigen, daar moest ik wel over nadenken, hoe doe je dat, temidden van de wreedheden van de oorlog.

Misschien dat er werd gedacht, het koninkrijk van God, dat is de bestemming van de ziel. Als je hier op aarde de dood in wordt gejaagd, dan overleeft je ziel, die gaat naar de hemel. Dat zou dan het koninkrijk van God zijn.

Ik corrigeer mezelf. Daar moet ik niet te min over denken. Voor de soldaten die geen keus hadden en in een zinloze oorlog waren beland, was dat ergens hun enige troost, hun laatste houvast, voor zichzelf en de talloze maten, die gesneuveld waren. Dat ze een ziel hadden, gekend bij God.

Toch is het niet wat Jezus bedoelt, het koninkrijk van God als toevluchtsoord van de ziel. Maar wat dan wel? Jezus spreekt in gelijkenissen. Het koninkrijk lijkt op, nee is gelijk aan een mosterdzaad. Het heeft me altijd aangesproken. Als jongen heb ik eens mosterdzaadjes gezaaid in de tuin, dat groeide geweldig en bloeide mooi. Niet dat we er mosterd van maakten of zo. Bij Jezus is het zelfs een boom die uit dat ene zaadje groeit. Een boom waar de vogels van de hemel hun nest in maken.

Een wonder, zeker als je bedenkt dat de mosterdboom juist in de droogste gebieden groeit.

Een sterk beeld dat er uit een miniscuul zaadje, een boom groeit die zich vertakt en een schuilplaats biedt aan de vogels.

Ik vind het prachtig dat Jezus dit verhaal vertelt. Het gaat over de samenwerking tussen mens en natuur. Iemand zaait het in de tuin en de vogels hebben er profijt van.

Het gaat over groeikracht, de groeikracht van het koninkrijk, dat klein begint en zich vertakt over de aarde. En dat God zelf aanwezig is in het kleine en kwetsbare.

In Jezus zelf, die ene mens, die  gedood werd, begraven werd in een tuin en toen Pasen, opstanding, de dood overwonnen, hemel en aarde komen tot elkaar. De hemel komt naar de aarde toe, dat is volgens mij wat er bedoeld wordt met de vogels die hun nest bouwen in de boom. Het begint met één zaadje dat ten onder gaat. Het was al heel klein en dan verdwijnt het in de grond, maar het brengt de hemel op aarde.

Iemand zei eens: ‘Jezus predikte het koninkrijk van God en wat er kwam was de kerk’. Wat mij betreft moeten we daar niet cynisch over te doen, ik ben blij dat de kerk er is, zonder kerk zouden we niet beter af zijn, maar de kerk is nog niet het koninkrijk.

De kerk vertelt in woord en daad het verhaal van het koninkrijk. De geloofsgemeenschap houdt de hoop en verwachting in ons levend. Dat is wat Lucas wil vertellen met wat er gebeurt voorafgaand aan de gelijkenis van het mosterdzaadje. Als Jezus op sabbat in de synagoge is en onderwijs geeft. Waarover? Het lesmateriaal is bij Jezus steeds het koninkrijk van God.

En dan is daar iemand. Iemand waar waarschijnlijk over heen gekeken wordt. Want ze kan niet rechtopstaan, ze is krom gebogen.  En dat is al 18 jaar zo, men weet niet beter dan dat het zo is.

Het komt door een geest die haar ziek maakt, staat er. Dat is in het evangelie geen medische diagnose. Lucas wil ermee zeggen dat haar situatie ergens symbool voor staat. Voor onze menselijke toestand. Dat wij gebukt gaan. Het is de situatie van de Israëlieten in Egypte, als ze gebukt gaan onder dwangarbeid, krom liggen en om hulp roepen. En dan denkt God aan zijn verbond met Abraham.

18 jaar, dat is natuurlijk altijd een vraag, waarom 18 jaar, heeft het getal 18 een betekenis? Je denkt dan aan het zogeheten 18-gebed in de synagoge, met 18 voorbeden die op sabbat werden uitgesproken. Maar dat had toen nog niet die vorm.

Ik vermoed dat de betekenis erin zit dat 18 een meervoud van 6 is en dus niet van 7. Het is sabbat, de 7e dag, maar voor deze vrouw wil het maar geen sabbat worden. 6 is Bijbels het getal van de mens, op de 6e dag wordt de mens geschapen, maar zonder sabbat ben je als mens niet compleet.

Je moet werken en zo, huiswerk maken, stofzuigen, grasmaaien, maar de bedoeling is niet dat je alleen maar over je werk je gebogen bent totdat je krom ligt, de bedoeling is dat je je uitstrekt, je uitstrekt haar Gods koninkrijk.

Want de sabbat staat voor verlossing. Dat je viert, er naar uitkijkt dat deze wereld verlost zal worden. Dat het koninkrijk van God, hoe klein het ook begint, doorzet en zich alom vertakt. ‘De schepping is in grote nood en kijkt reikhalzend uit naar verlossing’, zegt de apostel Paulus.

‘Verlossing’ is het woord is dat Jezus gebruikt. Wees verlost van je zwakheid. Van het in jezelf gekeerd en op jezelf gericht zijn. Luther noemt het in jezelf gekromd zijn.

Jezus maakt dat je wordt opgericht, dat je gericht bent op Gods koninkrijk. Dat is niet alleen de redding van je eigen ziel, maar verlossing voor heel de schepping, voor al wat leeft.

Niet zomaar gebruikt Jezus het voorbeeld van dieren, de os en de ezel die worden losgemaakt, ook op de sabbat, om te laten drinken. De os en de ezel worden immers ook in het sabbatsgebod genoemd. Dan zul je geen werk doen, en ook je os en ezel niet. Het roept ook wel de vraag wakker hoe wij met dieren omgaan, in onze bio-industrie.

En deze dochter van Abraham, zo noemt Jezus de vrouw, laat het voor haar des te meer sabbat zijn.  Zij mag een fiere vrouw zijn, rechtop door het leven gaan. Dat is actueel in deze dagen, waarin we ons bewust zijn van het vele geweld tegen vrouwen. Vrouwen en meisjes moeten veilig over straat kunnen, rechtop kunnen lopen.

 Een dochter van Abraham, zo kun je de kerk, onze gemeente, ook noemen. Als ze een geloofsgemeenschap wil zijn die niet in zichzelf gekeerd is, maar zich uitstrekt naar Gods koninkrijk, zich inzet en bidt voor de verlossing van de wereld.

En, dat is het prachtige van die gelijkenis van het ene mosterdzaadje, met ons kleine daden en kleine geloof kan de Heer iets beginnen. Dat is het koninkrijk van God

Amen.

Herschepping in de praktijk

Verkorte weergave verslag voor de cursus ‘van U is de aarde’

Ter Inleiding: Groene Theologie

Een aantal jaar geleden ging ik naar Gent om het ‘Lam Gods’ te zien, het meesterwerk van Jan van Eijk. Ik kende het van afbeeldingen, maar in het echt viel mij pas op hoe groen het centrale tafereel is en hoe nauwkeurig de bloemen, kruiden en bomen geschilderd zijn. Er spreekt een schat aan botanische kennis uit die dus onderdeel is van de aanbidding van het Lam als bron van de liturgie van de gemeente en de verwachting van de nieuwe hemel en aarde.

Gebr. Van Eijk – de aanbidding van het Lam Gods (middenpaneel)

Dit bloeiende grasland contrasteert met de armoede van menig hedendaags gazon en weiland die verworden zijn tot een ‘raaigraswoestijn’. De schrikbarende teruggang van insecten is daar m.i. een gevolg van. Bij het werkbezoek aan de biologische boerderij in Friesland heb ik geleerd dat onderdeel van de nieuwe bedrijfsvoering is dat er gewerkt wordt met een diversiteit aan kruiden in het grasland en dat dit niet alleen boven de grond natuurvriendelijker is, maar ook veel beter voor de bodemkwaliteit en uiteindelijk voor de productie. Ook voor gangbare boeren is dit trouwens steeds meer een zorg. Met de profeet Jesaja hoop ik daarom dat ook deze woestijnen weer gaan bloeien.

Voorafgaand aan de cursus

In de zomer van 2022 ben ik van gemeente gewisseld, van het agrarisch georiënteerde Fijnaart naar het verstedelijkte Barendrecht. Ten tijde van de intake was ik nog erg met de grondproblematiek van de vorige gemeente in Fijnaart bezig. Daar ligt een groot gazon rondom het kerkgebouw met behalve wat struikperkjes alleen gras en een ringgracht met waterkanten die door een hovenier heel kort gemaaid worden. En verder was de Protestantse Gemeente Fijnaart in het bezit van 2 begraafplaatsen.

Met dat referentiekader keek ik naar de grond rondom de Dorpskerk in Barendrecht en daarbij was mij opgevallen dat het gazon aan de zuidzijde van de kerk dat door de burgerlijke gemeente wordt beheerd nogal eentonig is, maar dat er achter het bijgebouw een heuse kerktuin is met bomen en planten die in de Bijbel voorkomen of een Bijbelse naam hebben. Vanuit de vergaderzaal heb je een mooi uitzicht op deze tuin en in de zomer wordt er koffie gedronken. Deze kerktuin wordt elke woensdagmorgen bijgehouden door een team vrijwilligers. Dit gebeurt heel toegewijd, zo wordt er op toegezien dat planten die slecht tegen de kou kunnen in winter in een kas worden ondergebracht.

Waar ik echter helemaal niet op gelet had is dat er een stuk grond ligt aan de achterzijde van het bijgebouw ‘de oude pastorie’. Dit was voorheen de voortuin, maar nu een stuk grond dat op het oog braak ligt. Dit onopvallende onbekende terrein blijkt voor mijn onderzoek juist interessant te zijn.

olijfboom uit de kerktuin die voor de winter verplant werd

Start Onderzoek

Bij het zoeken naar een project voor deze cursus heb ik via een stukje in het Barendrechtse kerkblad mijn onbekendheid met de gemeente ingezet. Als ‘vreemdeling in Jeruzalem’ heb ik gevraagd wie er mee wil denken over het onderwerp ‘groene kerk’, omdat deze term ook in het beleidsplan wordt genoemd.

De eerstvolgende zondag melden zich twee gemeenteleden die hier graag aan mee willen werken, niet toevallig de twee vrouwen die de vrijwilligers van de werkgroep kerktuin aansturen. We maken een afspraak. Ze vertellen over hoe de kerktuin ruim 10 jaar geleden tot stand gekomen, mede met hulp van studenten van een hoveniersopleiding  en nu wekelijks wordt bijgehouden door vrijwilligers. Een van hen verzorgt bovendien al jaren een vaste rubriek in het kerkblad, waarin iedere keer een plant uit de kerktuin met Bijbelse of kerkhistorische wortels wordt belicht.

Ze vertellen verder dat buren van de ‘oude pastorie’ geklaagd hebben over bomen in de voortuin die voor overlast zorgen, omdat ze licht wegnemen en veel zaailingen verspreiden. Daar was vanuit de werkgroep kerktuin en de wijkraad van rentmeesters begrip voor en daarom is besloten dat een aantal van deze esdoorns (met van die propellertjes) gekapt mag worden, als de buren daar zelf voor zorgen.

Eerst schrik ik ervan en ik spreek de wens uit dat niet alle bomen worden gerooid en daar zijn ze het mee eens. Een drietal bomen blijft staan. Maar ze hebben ook al verder gedacht. In plaats van de te kappen bomen willen ze voor gevarieerde begroeiing zorgen die aantrekkelijk is voor vogels. Dit komt dan achter de bijenstrook die er al is met diverse bloemen. (Idee: haal het zondagse boeket ‘als groet van de gemeente’ hiervandaan). Het bijbehorende grasveld blijft ongemoeid want dat moet misschien ooit nog als parkeerterrein gaan dienen.

Ze vertellen dat ze het jammer vinden dat er weinig aandacht is van gemeenteleden voor de kerktuin. Voor één  van hen is het ideaal een voedselbos, een moestuin of boomgaard waarin gasten zelf groente en fruit kunnen oogsten, maar openstelling van dit stuk tuin is niet haalbaar. Er staat een hek omheen, dus laat het dan een voedselbos voor de vogels worden.

Onderzoeksvraag

Het onbekende terrein dat ik ga verkennen is: hoe draagt mijn betrokkenheid bij dit tuinproject  bij aan de volgende intenties:

A: vergroten van de biodiversiteit.

B: meer betrokkenheid van de gemeenteleden bij hun grond.

C: aandacht voor een aardse spiritualiteit waarin verbondenheid met de schepping wordt ervaren.

Praktijken

Eind november zijn de esdoorns in de voortuin van de ‘oude pastorie’ gekapt, dit is gedaan door het hoveniersbedrijf, waar een van de buren werkzaam is. Drie esdoorns waren gemerkt om te laten staan. De kerkrentmeester die ook in de werkgroep kerktuin zit, heeft met haar knowhow bedongen dat het snoeihout versnipperd wordt en uitgestrooid over de grond ter verbetering van de bodemkwaliteit.

De gerooide tuin, links de esdoorns die zijn blijven staan, op de achtergrond de oude pastorie

In januari kom ik nog een keer met de twee initiatiefnemers van het project bijeen te kom. Er is lijst gemaakt van planten die geschikt zijn voor het voedselbos met daarin verschillende (fruit)bomen, struiken, klimmers en lage planten. We bespreken onze voorkeuren en hoe de nieuwe beplanting te verkrijgen. Niet alles hoeft bij een tuincentrum gekocht te worden en er dient zich nog een verrassende mogelijkheid aan, waarover hieronder meer.

Tot mijn vreugde zijn we het erover eens dat het best rommelig mag zijn, zodat het ook geschikt is voor kleine zoogdieren zoals muizen en egels.

Verder komen we tot de ontdekking dat de kerktuin best leeft in de gemeente, want toen in de laatste plantenrubriek in het kerkblad stond dat de hulst nog ontbrak, werd die van meerdere kanten aangeboden.

Ontmoetingen

In de periode van de cursus spreek ik naast de 2 initiatiefnemers ook andere vrijwilligers en gemeenteleden die actief zijn rondom de kerktuin.

1 Wat opvalt is dat de vrijwilligers ook van buiten de wijkgemeente komen, soms hebben ze ook een specifieke binding met de grond (bv ‘mijn vader was hier vroeger kerkvoogd’).  Ze zijn gehecht aan de tuin rondom de kerk en dat hangt mogelijk samen met de weemoed die ik in veel gesprekken met oud-Barendrechters bespeur over hoe het dorp veranderd is in de afgelopen decennia door het volbouwen van het land en het verdwijnen van de open ruimte.

2 In een overleg met de kerkrentmeesters over het project stel ik naast het zakelijke verzoek om hier geld voor te reserveren ook de vraag of  ze bij het beheer van deze ‘heilige grond’ van de kerk iets van zorg voor Gods schepping ervaren.

3 Van september tot januari leid ik een maandelijkse Bijbelkring en daarin hebben we Genesis 1 t/m 4 gelezen en besproken. Teksten die veel reacties oproepen over wat (goede) schepping is, welke taak de mens krijgt en wat ‘heersen over’ de andere schepselen betekent. Over dat laatste zegt een deelnemer cynisch: ‘daar zijn we goed in geslaagd .’ Maar ook de verwondering komt naar voren, bijvoorbeeld dat er in een hand vol aarde miljoenen organismes leven. En daarnaast vinde er goede discussie plaats, over wat duurzaam landgebruik is.

samen met de collega van de r.k. parochie plant ik tijdens de vredesweek een olijfwilg

Experimenten: de struikrovers in beeld

Bij het opstellen van de lijst van plantensoorten die geschikt zijn om aan te planten in de kerktuin stuiten we op een actiegroep die landelijk actief is en die zich struikrovers noemen. Wat zij doen is bij stadsrenovaties planten ‘redden’ uit buurten die gesloopt worden en ze een nieuwe bestemming bezorgen.

Het toeval wil dat de buurt achter de kerktuin gesloopt gaat worden. In deze ‘zeeheldenbuurt’ waren tijdelijk statushouders en Oekraïners gevestigd. Ik realiseer me dat ik hier weinig kom, maar deze wijk grenst wel direct aan de grond van de Dorpskerk. Vanwege de afgeslotenheid van de kerktuin is er geen doorgang. Het experiment dat we willen aangaan is om samen met de struikroversbeweging en de huidige bewoners  van de zeeheldenbuurt een deel van de beplanting uit deze tuinen te halen. Zo worden er planten gered, kosten bespaard en creëren we een opening naar de buurt.

In de dienst van 12 februari heb ik het verhaal van de struikrovers gebruikt als opening van mijn preek over Deuteronomium 30, waar Mozes spreekt over Gods gebod dat heel dichtbij is. Je hoeft het niet van ver te halen. Zo heeft dit onderzoek mij als voorganger geholpen om meer oog te krijgen voor  de werkzaamheid van Gods woord in mijn directe omgeving.

Na de dienst blijkt dat er juist in die week een brief vanuit de gemeente is bezorgd aan de bewoners van de Zeeheldenbuurt over een in maart te houden tuinruim-dag, waarbij alle bewoners van Barendrecht  de mogelijkheid krijgen om gratis groen uit de tuinen van de te slopen woningen te halen. Het experiment is dus al in gang gezet.

“De geboden zijn heel dichtbij u, in uw mond en in uw hart: u kunt ze volbrengen” (Deut. 30:14)

Theologische reflecties

De kerktuin blijkt een plek te zijn waar de zorg om en voor de schepping gelokaliseerd kan worden, ook als je zelf geen groene vingers hebt. De noties van ‘heilige grond’ en ‘gewijde aarde’ zijn hier bruikbaar. Dat de esdoorns zo gemakkelijk gekapt werden heb ik als het lijden van de schepping beleefd (Romeinen 8), tegelijkertijd blijkt herschepping mogelijk, dat het gelaat van de aarde zich vernieuwt. (Psalm 104)

Het gegeven dat de kerktuin een afgesloten plek is, geeft te denken. Deze relatieve afgeslotenheid past ergens bij de ervaringswerkelijkheid van heilige grond. Dit stukje aarde is onttrokken aan de rationalisering die beslag legt op onze leefomgeving. Zo creëert de ‘hortus conclusus’ van oudsher veilige ruimte voor mens, dier en plant. De ervaring leert dat deze bescherming nodig is. Het rooien van de bomen in de kerktuin die er in tientallen jaren over gedaan hebben om te groeien is door de inzet van groot materieel binnen een ochtend gebeurt.  Het heilig houden van deze grond vraagt dus ook om actieve toewijding en oplettendheid van kerkelijke grondwerkers en dan wordt herschepping een geloofspraktijk.

Ik lees ‘De Grote Stad’ het recent door Marianne van Reenen vertaalde werk van de Franse milieuactivist en theoloog Jacques Ellul. Hij merkt op dat in de Bijbel het bouwen van steden hét symptoom is van menselijke hoogmoed en opstand tegen God. De stad is volgens hem ‘anti-schepping’. Niet voor niets is het Kaïn die de eerste stad bouwt. Bij de Bijbelkring over Kaïn en Abel was een van de gespreksvragen of de deelnemers dat herkennen. Zij zijn grotendeels autochtone Barendrechters die hun woonplaats in de loop van hun leven hebben zien veranderen in dichtbebouwd verstedelijkt gebied.

Bij nadere beschouwing gaat het Jacques Ellul niet om de tegenstelling tussen stad en platteland zoals die nu politiek te gelde wordt gemaakt, maar om de techniek en mechanisatie die de mens vervreemden van zijn omgeving en dat speelt juist in de landbouw.

In het filmhuis van Rotterdam zie ik de film ‘Wildport of Europe’ over natuur in het havengebied van de Regio Rijnmond. Juist in deze stedelijke context waarin elk stukje grond door mensen is ontworpen, opgespoten, aangelegd en ingericht, blijkt er verrassend veel biodiversiteit te zijn. Weliswaar is deze film mede gefinancierd door het havenbedrijf en dus bepaald niet belangeloos. Maar toch herken ik dat de natuurrijkdom in de stad overvloedig is als je er oog voor hebt. Ik kom in Barendrecht niet minder vogelsoorten tegen dan in het agrarische Fijnaart.

Dit brengt mij ertoe om de scheppingsopdracht om (met de Schepper) de aarde te dienen en te bewaren als een gebod te lezen dat haalbaar is, het is te doen zoals Deut. 30 zegt. Al blijf ik met Ellul grote zorgen hebben over het wereldwijd en lokaal verdwijnen van biodiversiteit.

Conclusies

Mijn onderzoeksvraag is wat mijn betrokkenheid bij het tuinproject aan bijdrage oplevert op een drietal punten.

1 Als het gaat over de inrichting zelf dan is mijn bijdrage beperkt, het initiatief en de knowhow zijn aanwezig bij de leden van de werkgroep kerktuin.

2 Door over het project te schrijven in het kerkblad, het in vergaderingen in te brengen en er aandacht aan te geven in kerkdiensten, heb ik bijgedragen aan de zichtbaarheid van de kerktuin en herinrichting ervan.

3 Mijn betrokkenheid bij dit project werkt als een voedingsbodem voor een meer aardse spiritualiteit in verbondenheid met de schepping. In de Bijbelkring over Genesis 1-4  en preken kon ik dat toepassen en ik merk dat dit onderzoek vooral mijn eigen blik scherpt hoe we omgaan met onze grond, ten goede en ten kwade. Dat versterkt mijn betrokkenheid bij de zorg die de Heer van de schepping heeft om en voor de aarde. Zo word ik in mijn geloofspraktijken meer gevoed en geraakt door wat er in de directe omgeving gebeurt en ik heb ontdekt dat ik dit met veel mensen in en om de kerk kan delen.

Franc de Ronde, Februari 2023

Bronnen

Jacques Ellul, De grote stad, een Bijbels perspectief, 2020

http://www.wildportofeurope.nl

http://www.struikroven.nu

Bij de wilde dieren…

In de essays van Oek de Jong kom ik een afbeelding tegen van een van de prachtige mozaïeken uit de kathedraal van Monreale op Sicilie, over de scheppping van Adam. De mens die volgens Genesis naar Gods beeld wordt geschapen.  Een sterk beeld met als aardig détail dat op de achtergrond de dieren staan die eveneens op de zesde dag geschapen zijn.

Dat beeld kwam bij me op toen deze zondag Marcus 1 op het leesrooster stond, waar Jezus gedoopt wordt en vervolgens in de woestijn door Satan op de proef wordt gesteld. Marcus vermeldt dan als enige evangelist dat Jezus bij de wilde dieren verbleef, terwijl engelen hem dienden.

Hieronder de preek die ik zondag gehouden heb over Marcus 1 en Psalm 8, door een technisch probleem is die via youtube niet geheel uitgezonden, hieronder dus wel te lezen:

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

De grote geleerde Blaise Pascal, wiskundige, natuurkundige, naar wie rekenmachines en programmeertalen zijn vernoemd zei over de mens:

Met hoeweinig hoogmoed gelooft een christen dat hij verenigd is met God. Hoe weinig vernederd vergelijkt hij zich met de aardwormen. Wat een mooie manier om leven en dood, goed en kwaad te accepteren.

Het kan haast niet anders dan dat Pascal hierbij dacht aan Psalm 8, de mens die bijna goddelijk  gemaakt is en die onderdeel is van de schepping, het werk van Gods handen. Schapen, runderen, vogels, vissen en zelfs het kruipend gedierte.

Pascal was een onderzoekend mens, hij keek naar de sterren, de onmetelijke grootheid van het heelal, hij onderzocht ook de mens, hoe zitten wij mensen in elkaar, wat drijft ons?

In zijn gedachten die hij ook heeft opgeschreven kwam hij steeds weer tot de conclusie dat de mens God nodig heeft. De mens kent grandeur en misere,  glorie en nietigheid.

Als je naar de sterren kijkt, wat is dan de mens zegt Psalm 8, wat stel je eigenlijk voor. Pascal vond die oneindige ruimte ook beangstigend als hij tot zich door liet dringen hoe groot het heelal is. Heel bedreigend is dat.

Wat is de mens, een broodkruimel op de rok van het universum schreef een andere dichter eens.

Wat is die enkele mens, het mensenkind, aan zichzelf overgeleverd, als je daar aan denkt, word je overspoeld door gevoelens van zinloosheid, triestigheid, wellicht extra in deze lockdown, waar we bijna allemaal een beetje depressief van worden.

Wat is de mens. Dat blijft een vraag, maar die vraag wordt wel aangevuld waardoor die mens toch niet helemaal alleen op de wereld is. Wat is de mens dat U aan haar denkt, het mensenkind dat U naar hem omziet.

Dankzij het geloof dat je als mens in Gods plannen voortkomt, dat de Heer naar je omziet, kun je toch spreken van menselijke eer en glorie, want zo heeft de Schepper je gemaakt, bijna goddelijk, om te heersen over het werk van zijn handen. De statenvertaling zegt hier ‘weinig minder dan de engelen’

Nu zou je kunnen zeggen, nu maak jejezelf toch iets te belangrijk, door te beweren dat God de mens zo hoog heeft zitten. Is het niet levensgevaarlijk om de mens baas te laten zijn. Hebben we daar niet heel veel ellende aan te wijten, zeker als die mensen onderling ook de baas willen spelen.

Nu daar had Pascal ook wel over nagedacht, daarom rekent hij eerst af met de menselijke hoogmoed,verwaandheid en arrogantie. Als je God leert kennen dan blijft er weinig over van je eigenwaan en zelfoverschatting.

Want de mens is bijna goddelijk gemaakt, maar niet helemaal…hij is niet de baas, heersen over de schepping betekent dus zorg dragen voor, verantwoordelijk zijn, bewerken en bewaren,  een goede en trouwe beheerder zijn.

En vooral legt de mens zijn hoogmoedigheid af als hij ziet hoe God zich laat kennen, daar zat voor Pascal de crux en ik denk dat hij dat goed gezien heeft. Want de Schepper van dat immense heelal verschijnt in een mens die afdaalt. Die de zonden van de wereld op zich neemt door zich te laten dopen in de Jordaan net als heel het volk.  Met het zelfde sop overgoten als wij.

Als God zo nederig is, hoe zou je als mens dan nog hoogmoedig zijn, je verheffen, je verheven voelen. God verenigt zich met de mens, niet omdat wij mensen het zo geweldig goed doen, integendeel, maar omdat de Heer van hemel en aarde zich naar ons toebuigt.

Dat is wat er gebeurt bij de Jordaan, als Jezus zich laat dopen tot vergeving van zonden, als de geest afdaalt en op hem landt als een duif, als er een stem klinkt. Dit is mijn zoon, de geliefde, in  hem vind ik vreugde

Daar opent Marcus dus mee, met deze vreugde, en hij noemt zijn verhaal dan ook evangelie van Jezus Christus, de Zoon van God, een goed en blij bericht. Misschien dat we dan al iets minder depri worden, als de hemel zich verheugt over deze mens, als dit goede bericht tot je komt.

En wat gebeurt er vervolgens, als die stem uit de hemel heeft geklonken, wat doet de geest die op Jezus is neergedaald, die drijft hem de woestijn in. En daar wordt hij  verzocht door de satan en daar is Jezus bij de wilde dieren en de engelen dienen hem. 40 dagen lang, het getal veertig waar het woord quarantaine vandaan komt, 40 dagen in afzondering.

 Bij Matteus en Lucas wordt de geschiedenis van de verzoekingen uitgebreider verteld, Marcus vat die 40 dagen kort en krachtig samen, hij was bij de wilde dieren en de engelen dienden hem.

40 dagen eenzaamheid, wat mensen betreft, maar dus wel dieren om hem heen en engelen die hem dienen

Heeft Marcus daarbij ook aan psalm 8 gedacht? waar de mens  bij de dieren is en bijna goddelijk, engelachtig gemaakt, en waar ook het verzet, de tegenstand van de vijand, de satan kun je zeggen gebroken wordt.

Dat verblijf van Jezus in de woestijn, zijn quarantaine,  wat zegt dat over mijn eigen mens zijn?

Dat Jezus bij de wilde dieren is wil zeggen dat je als mens bij de schepping hoort, dat de menselijke soort bij het dierenrijk  hoort is op zich dus niet een onbijbelse gedachte, dat de  mens biologisch, evolutionair afstamt van de apen gaat niet in tegen het christelijk geloof. dat de mens volgens Genesis 1 als laatste wordt geschapen past daar zelfs in, 

De schrijver Multatule schreef in de 19e eeuw een dialoog tussen een tante en haar neefje. Het neefje vraagt, tante, weet u wat u bent. Ja jongen, ik ben nederlands hervormd, Nee tante, u bent een zoogdier.

Tante niet blij, en intuïtief horen we dat nog steeds niet graag. Maar je hoort als mens bij de schepping, je bent onderdeel van de aardse werkelijkheid, vatbaar voor virussen, natuurlijke neigingen, dierlijke driften. Dat de mens niet altijd even engelachtig is hebben we van de week in Amerika duidelijk gezien, maar daar hoef je je niet over te verbazen, als duizenden boze burgers nog eens extra worden opgehitst, dan heb je een goede kans dat het uit de hand loopt. 

Pascal die zei daarover: Als christen voel je je niet te goed om jezelf zelfs met aardwormen te vergelijken. Daarin zat voor hem iets van  ‘stof ben je, tot stof zul je wederkeren’.  En hij leefde in de eeuw dat de microscoop werd ontdekt, de mens ging zich verdiepen in microscopisch kleine wezens.

Als overtuigd gelovige stond hij daar voor open, om te onderzoeken hoe je als mens biologisch, medisch in elkaar zit.. Dat wij nu kunnen vaccineren is te danken aan een visie die uit de Bijbel komt, namelijk dat de mens bij de schepping hoort. De tegenstelling tussen geloof en wetenschappelijk onderzoek bestaat dus niet, ze sluiten elkaar niet uit, maar op elkaar aan.

Dat allemaal naar aanleiding van dat opmerkelijke zinnetje bij Marcus, dat Jezus bij de wilde dieren was, maar daar volgt dan op, want je bent als mens niet alleen maar een dier, er staat: de engelen dienden hem.

Pascal zegt daarover dus: “Met hoeweinig hoogmoed ben je als christen verenigd met God.” Verenigd met God, niet omdat u en ik het zo goed doen, maar omdat God zich naar ons toe heeft gebogen en ons zijn Zoon en Geest heeft gegeven.

Psalm 8 is tenslotte een loflied niet op de mens, maar op God, hoe heerlijk is uw naam op heel de aarde, daar begint en eindigt het mee, daartussen gaat het dus over je als mens allemaal in je mars hebt, wat je kan bereiken, beheersen, bedenken.

Bijna goddelijk gemaakt, engelachtig, en engelachtig ben je dus als je gaat dienen, dat begint met de lofzang op God, het meedoen met de liturgie, in de kerk, thuis, Gods heerlijkheid is in heel de schepping aanwezig,

Ik maakte een wandeling in het bos en ik zag goudhaantjes, dat zijn de kleinste zangvogels die we in Nederland hebben, het was stil, ik stond daar en ze vlogen niet weg, in dat kleine wezentje zie je dan Gods grootheid.

Vind daar vreugde in, wees daar dankbaar voor, als je God daarvoor prijst, dan helpt dat ook om jezelf en je medemens en de natuur als Gods schepselen te zien.

De mens is bijna goddelijk gemaakt, dat heeft met je roeping te maken, het doel van je leven, en in het geloof is dat niet zoveel mogelijk eruit halen, je bucketlist afvinken, maar dienen. Zo te leven op jouw terrein, het stukje schepping dat aan jou is toevertrouwt, dat Gods aanwezigheid in deze wereld te voren komt.

Lof zij Christus in eeuwigheid. Amen