Nabijheid

Vincent van Gogh- de Barmhartige Samaritaan

Toen sprak de Heer: ‘Er is een plaats op de rots waar je dichtbij mij kunt komen staan.’(Exodus 33:21)

Het mooiste wat je iemand kan toewensen is misschien wel de nabijheid van God. Iemand zou daarop de vraag kunnen stellen: ‘Wat bedoel je daar nu precies mee, ik voel het wel ongeveer aan, maar wat ervaar je dan?’ Daarover gaat het als Mozes de berg opgaat om de Heer te ontmoeten.

Als God in Exodus neerdaalt op de berg Sinaï, het Pinksterverhaal van het Oude Testament, dan gaat het eerst over afstand houden, het volk Israël moet eerbiedige afstand houden tot de berg, God sluit dan een verbond met zijn volk.

Daar kunnen we ons in deze tijd iets bij voorstellen, dat je ondanks dat je niet bij elkaar kunt komen toch verbonden bent. Zo ervaren we momenteel onze kerkdiensten, zo ervaar je het als je gebeld wordt, als je een lief berichtje krijgt.

Toch blijf je iets missen. Het echte contact, de spontane aanraking, de daadwerkelijke nabijheid van vrienden, even bij iemand langsgaan, het elkaar ontmoeten in de kerk. Daar kan geen videoverbinding tegen op. Denk aan de uitspraak van Jezus: Waar 2 of 3 in mijn naam verenigd zijn ben ik in hun midden.

Je mist het contact, met een mooi woord wordt dat wel ‘huidhonger’ genoemd of ‘aanrakingsverlangen’. Van Jezus wordt een aantal keren gezegd dat hij mensen aanraakte, juist degenen  waar iedereen met een boog van anderhalve meter of meer om heen ging, omdat ze melaats waren of ziek of onrein. En hij voelde het ook als hijzelf werd aangeraakt.

Ik  merk ook aan mezelf dat ik door gebrek aan persoonlijk contact uit mijn doen raak, eerst dacht ik dat ik daar wel tegen kon en wat extra ruimte voor mezelf  wel prettig vond, maar steeds sterker besef ik dat je de nabijheid van je naaste niet kunt missen. Niet dat ik iedereen een hug wil geven,  maar het raakt je als je nooit wordt aangeraakt.

God vraagt Mozes een aantal keer om de berg op te komen, ze zijn vertrouwelijk met elkaar in gesprek. Dan vraagt Mozes of hij de heerlijkheid van de Heer mag zien. Een gewaagd verzoek, maar  God gaat daarin mee. Hij zegt:  “Je kunt mijn gezicht niet zien, dat kan geen mens, maar je zult wel mijn nabijheid ervaren. Ik ga bij je langs en Ik bescherm je met de binnenkant van mijn hand.”

Kun jij dat nu ook ervaren, de nabijheid van God?  Niet iedereen heeft natuurlijk zo’n ervaring als Mozes. Maar je hebt ergens wel hetzelfde aanrakingsverlangen, dezelfde behoefte aan nabijheid.

 In de zegenbede van de kerk, vaak aan het einde van de dienst, zegent de predikant de gemeente met de gemeenschap van de Heilige Geest, dat is de nabijheid van God door zijn geest. Ik geloof dat die kracht van God dan met ons en in ons is, dichtbij aanwezig. Dat is Pinksteren.

ook verschenen als meditatie in Contactruimte, kerkblad van de Protestantse Gemeente Fijnaart, Heijningen en Standdaarbuiten

Pinxterzang De wind in de zeilen

bron: http://www.grotekerknaarden.nl

De schilderingen op de gewelven in de grote kerk van Naarden vormen steeds een tweeluik, bij ieder heilsfeit hoort een nieuwtestamentische en een oudtestamentische voorstelling. Bij Pinksteren staat naast het verhaal van de uitstorting van de Heilige Geest volgens Handelingen 2, de verbondsluiting op de Sinaï, de gave van de Thora, bezegeld met de overhandiging van de 10 geboden aan Mozes. Dit is inderdaad wat de synagoge met Pinksteren viert. In ben benieuwd in hoeverre dit bekend was toen deze schilderingen in 1518 werden gemaakt.

In de 2 Pinksterliederen die Vondel 100 jaar later schreef voor het liedboek van zijn doopsgezinde gemeente, komt deze oudtestamentische betekenis van Pinksteren niet voor. Wel spreekt hij van de wet die Christus in de harten van de gelovigen schrijft, in overeenstemming met de doperse traditie. En Christi wet die eeuwich blijft/ In ons ghemoet en sinnen schrijft.

De eerste Pinxterzang van Vondel is een verhalend gedicht naar Handelingen 2, het tweede een gebed tot de Heilige Geest, gemakkelijk mee te zingen op de wijs van Psalm 100. In dit lied verwerkt hij verschillende metaforen en namen voor de Heilige Geest die hij ontleent aan de christelijke traditie: Tortel-duyf, Vertrooster, vinger Gods, hemeldauw, Fontein, Goddelijk vuur. In het laatste couplet wordt de Geest ‘Wind des Heeren’, genoemd. Dat is een beeldspraak die uit de Bijbel komt, het Hebreeuwse ‘ruach’ betekent ‘wind, adem, geest’, maar die ik dan weer niet tegen kom in de oudchristelijke hymnen. Heeft Vondel dit ergens vandaan of is dit beeld ingegeven door de opkomst van de zeevaart in zijn Amsterdam?

Ghy Wint des Heeren weest doch mee

Ons zielen schip in swerelts Zee

Op dat wy vry van schipbreuk dan

Landen in ’t hemels Canaan.