Palamedes I – Het Geweten

Jan Luyken, onthoofding van Johan van Oldenbarnevelt, ca. 1696, Rijksmuseum, historiek.net

Die sorgt, en waeckt, en slaeft, en draeft, en ploegt, en sweet

En tot ’s lands oorbaer[i] vast een lastigh ambt betreed,

En waent de menschen aan syn’ vroomheyd te verbinden,

Die sal sich jammerlijck in ’t end bedrogen vinden.

Van ’t wispelturigh volck: dat veel te los van hoofd,

Ghenooten dienst vergeet, en leyder[ii]! ’t quaed  gelooft.

Alleen al vanwege deze magistrale openingszinnen is Vondels toneelstuk ‘Palamedes’  (1625) een subliem werk. Het is bovendien een overtuigende politieke aanklacht tegen de terechtstelling van Johan van Oldenbarnevelt 13 mei 1619. Polemisch, politiek, partijdig, Vondel stak hiermee zijn nek uit.

Vondel schreef op het eerste gezicht een onschuldig stuk over een intrige in het Griekse kamp ten tijde van de Trojaanse oorlog met personages die hij ontleende aan Homerus. Voor de goede verstaander is het echter duidelijk dat het verhaal zich eigenlijk afspeelt op het Binnenhof in Den Haag ten tijde van de Bestandstwisten. Palamedes is dus de raadspensionaris Johan van Oldenbarnevelt en zijn tegenspelers zijn Maurits, diens raadgevers,de contraremonstrantse predikanten en de 24 rechters die  hem tot het schavot veroordeelden waar hij in mei 2019 onthoofd is. (In de openingszinnen zinspeelt Vondel hier al op met de uitdrukking ‘veel te los van hoofd’, waarmee hij aanduidt dat het volk zichzelf onthoofd heeft door de raadpensionaris terecht te stellen.)

Op basis van de verslagen van het proces tegen Van Oldenbarnevelt heeft Nicolaas Matsier nu een boek schreven over de maanden die de raadspensionaris als gevangene doorbrengt. De legitimiteit van zijn gevangenschap weigert  de advocaat van Holland te erkennen.

Heilig is hij ervan overtuigd dat hij zijn macht altijd heeft uitgeoefend binnen de grenzen van zijn bevoegdheden. Natuurlijk heeft hij zich zelf riant beloond, vrienden en familieleden geholpen, persoonlijke vijanden tegengewerkt, kortom politiek bedreven, maar hij heeft zich aan de wet gehouden en het land gediend. In de woorden van Vondel:

Maer ‘tis te schandeloos, en strijd met al myn daden

Dat ick ben omgekocht om ’t leger te verraden. (103-104)

En nu wordt er op last van de Staten Generaal en met medeweten van prins Maurits een schijnproces tegen hem gevoerd. Zijn ambtsopvatting en zijn rechtsstatelijkheid maken dat hij niet kan geloven dat hij in deze situatie is beland.  Wat gebeurt er met iemand die zeker weet ter goede trouw gehandeld te hebben en dan merkt dat het recht nu tegen hem gebruikt wordt. Ook Vondel legt hier de nadruk op.

Ick weet waer op ik steun, mijn ongekreuckt geweten

En is niet quaeds bewust, noch heeft sich noyt vergeten

Aan eenigh schendigh feyt: en soo ick daerom ly,

Soo wasch’ mijn edel bloedt eens anders schelmery.  (163-166)

Matsier presenteert Van  Oldenbarnevelt als een pleitbezorger van tolerantie. Daartoe wilde hij de kerk onder het geestelijk gezag van de overheid. Het is 400 jaar later weer opnieuw een actuele kwestie. Is de vrijheid van geweten daarmee gediend?


[i] Tot voordeel van ‘t land

[ii] Helaas!