Verplaats je eens

Preek bij Lucas 14 en Deuteronomium 24:17-22

Een waterzuchtig mens, iemand die teveel vocht vasthoudt, oedeem. Dat kan diverse oorzaken hebben, ook door een tekort aan gezond eten, een hongerbuikje. Dat past in het verband van het verhaal, iemand die lijdt aan voedselgebrek, die misschien geen eten kan kopen en zich daarom in het huis van de gastheer ophoudt in de hoop een restje te krijgen.

Jezus haalt hem er bij, neemt hem bij de hand, geneest hem en stuurt hem weg. Laat hem los, staat er. De waterzuchtige hoeft er niet te blijven om zijn hand op te houden voor een stukje brood, Jezus verlost hem van zijn vernederende situatie.

Vorige week sprak ik een straatkrantverkoopster. En zij vertelde, dat ze zo graag een normaal leven wilde voor haarzelf en haar gezin. Het geluk waar ze naar verlangde.

Perspectief. De sabbat, de 7e dag, als God zelf rust van zijn werk, is in de Bijbel het teken van toekomstperspectief. Dat er verlossing zal zijn voor de schepping.

Jezus, uitgenodigd op die maaltijd, wordt scherp in de gaten gehouden, maar hij kijkt ook zelf goed om zich heen, naar wat er gebeurt, hij observeert. En hij ziet dat de gasten ergens heel druk mee zijn, met zichzelf, met hun positie, met hun plek, ze willen de beste plaatsen.

Om dat aan het licht te brengen vertelt Jezus dan een gelijkenis, over een ander feest, niet zomaar een feest, maar een bruiloftsmaal. Stel je voor, zegt hij dan, dat iemand van jullie daar op de beste plaats gaat zitten. Oftewel op de plek van het bruidspaar.

Denk je in dat daar iemand uitgenodigd zou zijn die belangrijker is dan jij. Ja natuurlijk is die er, de bruidegom, de bruid. Dus als je dan in het middelpunt van de feestvreugde plaats zou nemen, dan word je natuurlijk weg gestuurd, hier niet.

Maar andersom, als je achteraf gaat zitten, dan word je erbij gehaald door de gastheer, kom dichterbij, zoals Jezus bij de hongerige man met oedeem deed.

Wat wil Jezus duidelijk maken. Wees niet zo bezig met je positie, je plek die je inneemt ten opzichte van anderen, hoe gaat het met mijn carrière, mijn positie op de maatschappelijke ladder, mijn sociale status, de waarde van mijn huis. Wees niet zo ik-gericht, maak jezelf niet tot het middelpunt waar alles om moet draaien.

Want wie zichzelf verhoogt, zal worden vernederd, wie zichzelf vernedert, wordt verhoogd. Ik zat eerlijk gezegd nog een beetje te puzzelen, zegt Jezus dat over hoe het gaat in onze wereld of over het koninkrijk van God?

In onze wereld is het ook zo dat degene die zich vandaag verheven voelt boven een ander, morgen de onderliggende partij kan zijn, niets is zo grillig als je populariteit in de peilingen, ze kunnen je zo laten vallen, wie voorsorteert op een overwinning, trekt aan het kortste eind.

Die grilligheid, die onzekerheid maakt dat mensen in onze wereld heel erg met hun positie, hun plek bezig zijn. Bewust en onbewust. Sommigen heel zelfverzekerd, die nemen hun ruimte wel. Anderen juist heel onzeker. Welke plek mag ik innemen?

In het koninkrijk van God gaat het gelukkig anders. Ook daar worden de eersten de laatsten en de laatsten de eersten, maar daar is het niet iets om stress van te krijgen, heb ik wel de goede plek, maar om vrolijk van te worden. Je bent uitgenodigd, welkom aan de tafel van de Heer, kind aan huis.

Dan draait het niet om jou, dan ben je verlost van je ego, want er is iemand belangrijker dan jij, de Gastheer, die zorgt dat niemand tekort komt, dat het feest wordt gevierd.

Jezelf vernederen betekent bij Jezus niet jezelf om laag halen, je zelf verstoppen of je klein maken, maar bevrijd worden van je egocentrisme, jezelf niet belangrijk maken, ruimte maken voor een ander. Kun je dat?

Dan ben je gelukkig zegt Jezus, dan ben je gezegend zegt Deuteronomium. Dus het is geen strategie, geen berekening, maar vreugde, dat je weet dat God ruimte voor jou maakt, voor jou al een plaats heeft bereid.

Dat geloven we ook voor degenen die we vandaag gedenken, die gestorven zijn. Het evangelie spreekt van de opstanding van de rechtvaardigen. Dat we met Christus, de ene rechtvaardige, mogen opstaan.

In onze wereld is iedereen bezig zijn plekje te verdedigen of te veroveren, jezelf verhogen noemt de Bijbel dat, maar Jezus heeft daar niet aan meegedaan. De ene die zich niet verhoogd heeft, maar vernederd. Hij stierf de dood aan kruis, de slechtst denkbare positie, maar dat werd zijn verhoging. Omdat God hem uit de dood heeft opgewekt.

Het hele evangelie van kruis en opstanding, sterven en herleven zit in deze gelijkenis. Zoals het ook zit in de lofzang van Hanna die we zo zingen.

Wie breed aan tafel zat

En lekkernijen at

Leert schamel brood te prijzen

Maar wie gebrek leed is,

Gezeten aan een dis

Vol uitgelezen spijzen.

De Heer, zijn naam zij lof

Werpt levenden in ’t stof

Doet doden weer herleven

De trotsen slaat hij neer

Geringen wordt de eer

Van edelen gegeven.

Jezus koppelt er wel een advies aan, zoals Mozes in Deuteronomium het volk geboden meegeeft. Als ze op het punt staan het beloofde land in te gaan. Als je gezegend wil zijn, zegt hij, bedenk dan dit, knoop het in je oren.

Dat je zelf slaaf was in Egypte, buig dan niet het recht van de behoeftigen, buit ze niet uit, breng ze niet in een onmogelijke positie. Dat moet een gebod voor je zijn, een gouden regel.

Geef ruimte aan de vreemdeling, de wees en de weduwe, dat ze aan leven toekomen. Een normaal leven.

Mozes geeft als voorbeeld de oogst van olijven, graan en druiven. De drie producten die in de bijbel bij het goede leven horen. Olie, brood en wijn. Daar moeten ze niet van buitengesloten worden. Je haalt niet alles naar je toe, je laat wat voor een ander over. Dan zal de Eeuwige je zegenen zegt Mozes.

Jezus zegt: dan ben je gelukkig, zalig in de oude vertaling, het is een zaligspreking. Als je op je feestje uitnodigt wie arm, kreupel, verlamd en blind is. Want zij kunnen niks voor je terug doen? Prachtig psychologisch inzicht.

Waar wordt je nu echt gelukkig van. Als je onbaatzuchtig kan zijn, iets doen zonder dat je een tegenprestatie verlangt. Voor velen is dat vrijwilligerswerk, iets doen voor de kerk, voor de samenleving, zonder dat je er iets mee moet verdienen. Heerlijk.

Toen we het met een gespreksgroep over deze tekst hadden, herkenden we dat, maar  vonden we juist het voorbeeld van Jezus ingewikkeld. Want juist een feestje geef je voor je familie en vrienden. En die zijn toch ook belangrijk. Dat geeft wel aan dat Jezus het ons niet zomaar gemakkelijk maakt. Het evangelie blijft een uitdaging.

Maar Jezus heeft wel gelijk, als je een vreemde helpt, dan kan die zomaar zeggen ‘God zal je belonen’. Daar doe je het niet voor, daar hoef je het ook niet voor te doen, want de Heer heeft al een plek voor jou, maar het is toch goed voor je ziel. Het geluk van de ander is jouw geluk.

Een mosterdzaadje

Hendrik van Balen, allegorie op de aarde, Musee de Flandres, Cassel

Preek 23 augustus bij Lucas 13:10-21

In de vakantie waren wij in West-Vlaanderen, een mooi heuvellandschap, maar ook een beschadigd landschap, want overal de sporen van de Eerste Wereldoorlog. Vooral heel veel witte kruisjes op de militaire begraafplaatsen. Tienduizenden soldaten, jonge soldaten, liggen er begraven. Uit heel de wereld.

In het stadje Poperinge, in de oorlog achter de frontlinie – je ziet bordjes die je de weg wijzen naar de dodencellen en executieplaatsen- bezochten we het Talbothouse. Dat was een opvangplek voor Engelse soldaten, waar hun lichaam en geest tot rust konden komen, opgericht door een legerpredikant, Talbot.

De gids die ons rondleidde vertelde dat het doel van het huis was de soldaten lichamelijk en geestelijk rust geven, en ook het koninkrijk van God verkondigen.

Het koninkrijk van God verkondigen, daar moest ik wel over nadenken, hoe doe je dat, temidden van de wreedheden van de oorlog.

Misschien dat er werd gedacht, het koninkrijk van God, dat is de bestemming van de ziel. Als je hier op aarde de dood in wordt gejaagd, dan overleeft je ziel, die gaat naar de hemel. Dat zou dan het koninkrijk van God zijn.

Ik corrigeer mezelf. Daar moet ik niet te min over denken. Voor de soldaten die geen keus hadden en in een zinloze oorlog waren beland, was dat ergens hun enige troost, hun laatste houvast, voor zichzelf en de talloze maten, die gesneuveld waren. Dat ze een ziel hadden, gekend bij God.

Toch is het niet wat Jezus bedoelt, het koninkrijk van God als toevluchtsoord van de ziel. Maar wat dan wel? Jezus spreekt in gelijkenissen. Het koninkrijk lijkt op, nee is gelijk aan een mosterdzaad. Het heeft me altijd aangesproken. Als jongen heb ik eens mosterdzaadjes gezaaid in de tuin, dat groeide geweldig en bloeide mooi. Niet dat we er mosterd van maakten of zo. Bij Jezus is het zelfs een boom die uit dat ene zaadje groeit. Een boom waar de vogels van de hemel hun nest in maken.

Een wonder, zeker als je bedenkt dat de mosterdboom juist in de droogste gebieden groeit.

Een sterk beeld dat er uit een miniscuul zaadje, een boom groeit die zich vertakt en een schuilplaats biedt aan de vogels.

Ik vind het prachtig dat Jezus dit verhaal vertelt. Het gaat over de samenwerking tussen mens en natuur. Iemand zaait het in de tuin en de vogels hebben er profijt van.

Het gaat over groeikracht, de groeikracht van het koninkrijk, dat klein begint en zich vertakt over de aarde. En dat God zelf aanwezig is in het kleine en kwetsbare.

In Jezus zelf, die ene mens, die  gedood werd, begraven werd in een tuin en toen Pasen, opstanding, de dood overwonnen, hemel en aarde komen tot elkaar. De hemel komt naar de aarde toe, dat is volgens mij wat er bedoeld wordt met de vogels die hun nest bouwen in de boom. Het begint met één zaadje dat ten onder gaat. Het was al heel klein en dan verdwijnt het in de grond, maar het brengt de hemel op aarde.

Iemand zei eens: ‘Jezus predikte het koninkrijk van God en wat er kwam was de kerk’. Wat mij betreft moeten we daar niet cynisch over te doen, ik ben blij dat de kerk er is, zonder kerk zouden we niet beter af zijn, maar de kerk is nog niet het koninkrijk.

De kerk vertelt in woord en daad het verhaal van het koninkrijk. De geloofsgemeenschap houdt de hoop en verwachting in ons levend. Dat is wat Lucas wil vertellen met wat er gebeurt voorafgaand aan de gelijkenis van het mosterdzaadje. Als Jezus op sabbat in de synagoge is en onderwijs geeft. Waarover? Het lesmateriaal is bij Jezus steeds het koninkrijk van God.

En dan is daar iemand. Iemand waar waarschijnlijk over heen gekeken wordt. Want ze kan niet rechtopstaan, ze is krom gebogen.  En dat is al 18 jaar zo, men weet niet beter dan dat het zo is.

Het komt door een geest die haar ziek maakt, staat er. Dat is in het evangelie geen medische diagnose. Lucas wil ermee zeggen dat haar situatie ergens symbool voor staat. Voor onze menselijke toestand. Dat wij gebukt gaan. Het is de situatie van de Israëlieten in Egypte, als ze gebukt gaan onder dwangarbeid, krom liggen en om hulp roepen. En dan denkt God aan zijn verbond met Abraham.

18 jaar, dat is natuurlijk altijd een vraag, waarom 18 jaar, heeft het getal 18 een betekenis? Je denkt dan aan het zogeheten 18-gebed in de synagoge, met 18 voorbeden die op sabbat werden uitgesproken. Maar dat had toen nog niet die vorm.

Ik vermoed dat de betekenis erin zit dat 18 een meervoud van 6 is en dus niet van 7. Het is sabbat, de 7e dag, maar voor deze vrouw wil het maar geen sabbat worden. 6 is Bijbels het getal van de mens, op de 6e dag wordt de mens geschapen, maar zonder sabbat ben je als mens niet compleet.

Je moet werken en zo, huiswerk maken, stofzuigen, grasmaaien, maar de bedoeling is niet dat je alleen maar over je werk je gebogen bent totdat je krom ligt, de bedoeling is dat je je uitstrekt, je uitstrekt haar Gods koninkrijk.

Want de sabbat staat voor verlossing. Dat je viert, er naar uitkijkt dat deze wereld verlost zal worden. Dat het koninkrijk van God, hoe klein het ook begint, doorzet en zich alom vertakt. ‘De schepping is in grote nood en kijkt reikhalzend uit naar verlossing’, zegt de apostel Paulus.

‘Verlossing’ is het woord is dat Jezus gebruikt. Wees verlost van je zwakheid. Van het in jezelf gekeerd en op jezelf gericht zijn. Luther noemt het in jezelf gekromd zijn.

Jezus maakt dat je wordt opgericht, dat je gericht bent op Gods koninkrijk. Dat is niet alleen de redding van je eigen ziel, maar verlossing voor heel de schepping, voor al wat leeft.

Niet zomaar gebruikt Jezus het voorbeeld van dieren, de os en de ezel die worden losgemaakt, ook op de sabbat, om te laten drinken. De os en de ezel worden immers ook in het sabbatsgebod genoemd. Dan zul je geen werk doen, en ook je os en ezel niet. Het roept ook wel de vraag wakker hoe wij met dieren omgaan, in onze bio-industrie.

En deze dochter van Abraham, zo noemt Jezus de vrouw, laat het voor haar des te meer sabbat zijn.  Zij mag een fiere vrouw zijn, rechtop door het leven gaan. Dat is actueel in deze dagen, waarin we ons bewust zijn van het vele geweld tegen vrouwen. Vrouwen en meisjes moeten veilig over straat kunnen, rechtop kunnen lopen.

 Een dochter van Abraham, zo kun je de kerk, onze gemeente, ook noemen. Als ze een geloofsgemeenschap wil zijn die niet in zichzelf gekeerd is, maar zich uitstrekt naar Gods koninkrijk, zich inzet en bidt voor de verlossing van de wereld.

En, dat is het prachtige van die gelijkenis van het ene mosterdzaadje, met ons kleine daden en kleine geloof kan de Heer iets beginnen. Dat is het koninkrijk van God

Amen.

Zoek de duif

Augustinusvenster Erfurt

Zoek de duif! In kerkelijke kunst waarin de drie-eenheid is afgebeeld, wordt de Heilige Geest meestal afgebeeld als een duif. Vader, Zoon en Heilige Geest. In die afbeeldingen, schilderijen, beeldhouwwerken gaat de primaire aandacht meestal uit naar de Vader en de Zoon, God en Jezus, die zijn direct herkenbaar. Maar waar is de duif van de Heilige Geest? Die moet je vaak zoeken, die is vaak verstopt, in de schaduw. Als je wat langer kijkt, o ja, daar is ie.

Ook in ons geloof blijft de Heilige Geest misschien wel wat in de schaduw, op de achtergrond, verscholen. En het feest van Pinksteren is daardoor minder een feest waar we naar toeleven, misschien hangt het er voor ons gevoel een beetje bij. ‘Een moeilijk feest’, zei iemand tegen me van de week.

De Heilige Geest staat niet zo centraal in onze geloofsbeleving. Het is zoeken naar de duif. Toch geloven we in de kerk in Vader, Zoon én Heilige Geest. De geloofsbelijdenis van Nicea verwoordt dat mooi, pas hadden we het daar in de kerkenraad over, één van de oecumenische belijdenisgeschriften.

We geloven in de Geest ,die  Heer is en levend maakt, die voortkomt uit de Vader en de Zoon, die gesproken heeft door de profeten, die samen met de Vader en de Zoon aanbeden en verheerlijkt wordt, die gesproken heeft door de profeten.

Johan Sebastiaan Bach heeft die geloofsbelijdenis prachtig op muziek gezet in zijn Hohe Messe, mijn favoriete stuk, en dan valt op dat hij in zijn compositie de regel over de kerk daarbij betrekt. Bij het geloof in de geest hoort ook de kerk, de kerk als geloofsgemeenschap, aan elkaar geschonken zijn, dat de vonk overspringt. Zoals over de apostelen wordt verteld met Pinksteren, ze waren allen bij een. Pinksteren is ook een beetje de verjaardag van de kerk.

Waar is de duif? Ik was eens in het Augustijnerkerk in Erfurt, waar Luther als monnik begon. En daar zag ik van die middeleeuwse glas in lood-ramen, prachtig kleurrijk, over het leven van Augustinus. En op 1 van die ramen zag ik een afbeelding van de Triniteit: Vader, Zoon en de Heilige Geest, als een duif in duikvlucht naar beneden. En ik dacht, Luther heeft die duif ook gezien. Een inspirerend moment.

In de protestantse theologie is de heilige geest soms een beetje een hulplijn geworden. De Heilige Geest helpt je om Gods woord te begrijpen, helpt je om in Jezus te geloven en een navolgeling van Christus te zijn.

In het Johannesevangelie gaat het om de vraag wie Jezus is.  Of zijn het vooral anderen die zich dat afvragen en laat Jezus dat zelf in het midden? Gaat het vooral om wat Jezus geeft.  In het gedeelte van vandaag zegt Jezus: “Wie dorst heeft kome tot mij en drinke. Wie in mij gelooft.” Zoals de Schrift zegt: “Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste stromen.”

En let op, wat staat er dan? Jezus zegt dat over de Geest!

De Heilige Geest doet ons in Jezus geloven, dat is waar, maar het werkt ook andersom het geloof in Jezus doet je de Heilige Geest ontvangen, laat de Heilige Geest stromen, ook door jou heen. Stromen van levend water. Een en al levendigheid, sprankelend en springlevend.

God niet alleen met ons, maar ook in ons.

Jezus doet deze uitspraak in de tempel tijdens het loofhuttenfeest, dat is het oogstfeest waarbij er buiten in hutten geslapen wordt, ten teken dat God bij de mensen wil wonen, het Bijbelse beeld dat God een tent bij de mensen opslaat. Dat alle volken dan God zullen zoeken, dat de Eeuwige in alle talen wordt aangeroepen.

Levend water, daarmee wordt van oorsprong stromend water bedoeld. Een van de kerken van mijn jeugd stond in de buurt van een beek, de Eerbeekse beek, en in die kerk stond een doopvont met een Bijbeltekst: “overal waar de beek komt is leven.” Dat komt uit de profetie van Ezechiël over de tempelbeek. Dat gaat over de Geest. (de Eerbeekse beek zelf was nog wel eens vervuild door de lokale papierindustrie). De Geest is het die levend maakt.

De Geest, zeg Joël, wordt uitgegoten op al wat leeft. Met Pinksteren wordt de geest uitgestort, dat wil zeggen, over je uitgegoten als een regenbui.

Juist bij het loofhuttenfeest hoorde een vrolijk waterritueel, waarbij er flink met water werd gegoten, iedereen werd natgespat op het tempelplein. En er werd ook gebeden om regen voor het komende seizoen. Want regen is zegen.

Tijdens dat loofhuttenfeest zegt Jezus: Wie dorst heeft kome tot mij, zegt Jezus en drinke. Ja, je kunt dorst hebben naar de Geest, naar die levendigheid, het stromende water. In de Bijbel is het vaak ook het land dat dorst heeft, dat lijdt onder droogte, dat snakt naar regen.

Ik hoorde een tijdje terug van een biologische boer die een afweging moest maken, ga ik beregenen of niet. Verdroging, verzuring en verzilting van het land. dat is ook vandaag de dag een groot probleem, letterlijk, figuurlijk toch ook. Dat de samenleving dorst heeft naar inspiratie en zingeving en perspectief. Dat mensen elkaar gaan verstaan, willen begrijpen.

 Kom tot mij en drink, wie in mij gelooft, zegt Jezus, in mijn boodschap, in het leven dat ik breng. (Het verhaal vertelt dan verder dat er een discussie ontstaat over wie Jezus is, een profeet of de messias, maar opvallend, Jezus laat dat in het midden, het gaat hem om vertrouwen in wat hij geeft, hij laat je je dorst lessen bij de bron.)

Dan gaat het stromen. Kun je zelf een bron worden van kracht, van inspiratie, van leven? Het begint ermee dat je een verlangen hebt, dorst noemt Jezus het.  

De Geest was er nog niet. Dat is niet verkeerd om te beseffen. Dat het ons aan geestkracht en geestdrift ontbreekt, geen leven, dat het niet stroomt, geen flow. Stilstaand water. De duif laat zich niet zien.

En het huidige politieke klimaat kun je als geestdodend ervaren, het beneemt je de adem.

Aan het kruis heeft Jezus dorst, hij sterft van de dorst en dan staat er, geeft Hij de Geest. Dan gaat het stromen en met Pinksteren stroomt het over.

Zoek de duif, dat is volgens mij de manier om vertrouwen te vinden, waar zie je de geest aan het werk, de geest die vrede zoekt en dorst naar gerechtigheid, de geest die leven maakt. Dat is vaak in de schaduw, het is een onderstroom, de geest waait waarheen zij wil. En het mooie is en dat is wat Pinkteren vertelt, de duif zoekt ons. Een plek om te landen, de duif van Noach zoekt een landingsplek, in die gedaante daalt de geest op Jezus neer als hij gedoopt wordt in de Jordaan, die geest heeft Jezus je beloofd. Want God wil wonen bij de mensen.

Preek Pinksteren 2025 Dorpskerk Barendrecht

Verwarring en Verwondering

Afbeelding: Zittauer Vastendoek

De profetie uit Hosea werpt een speciaal licht op Pasen. Hosea spreekt in zijn tijd van nieuwe toekomst voor het volk, dat is in zijn taal ‘opstanding’, ‘herrijzenis’. En zoals er in het evangelie met Pasen dubbele gevoelens zijn, verwarring en verwondering, zo  heeft Hosea ook weet van het lijden, hij doorleeft dat helemaal, de geslagenheid en verslagenheid, maar dan toch een nieuwe morgen. De Heer doet opstaan, doet herleven.

Zorg dat je onderweg bent, dan zul je Christus niet mislopen (Augustinus)

Verwarring, als het Pasen wordt komen we in de Bijbel verwarde personen tegen. Alle evangeliën vertellen dat op hun eigen manier. De vrouwen en mannen die ontdekken dat de steen is weggerold en dat het lichaam van Jezus er niet is, raken gedesoriënteerd. Zijn in shock, van slag, ontzet en ontdaan.

De vrouwen die Jezus volgden. Maria Magdalena, Johanna en Maria, ze worden door Lucas met name genoemd, zij zijn dus ook leerlingen, volgelingen. Vroeg in de morgen staan ze op om naar het graf van Jezus toe te gaan en zijn lichaam te verzorgen. Te balsemen. Toen Jezus in het graf was gelegd, waren ze er bij. Op de sabbat hebben ze gerust en  nu willen ze naar hem toe, maar als ze het graf ingaan, vinden ze zijn lichaam niet.

En als Lucas dan gaat vertellen wat er gebeurt, dan begint hij ermee dat ze zich geen raad weten. Ze zijn de weg kwijt. Je kunt het je indenken: ‘hier was het toch, dat weten we toch zeker, maar Jezus is er niet’. Dan ga je aan jezelf twijfelen, heb ik nu een afslag gemist? Je wrijft nog eens in je ogen. Je kunt het niet plaatsen.

‘En zie,’ staat er dan, twee mannen in een blinkend gewaad, zijn het engelen? dat staat er niet direct bij, later worden ze zo genoemd. Het valt op hoe Lucas in zijn verslag alle ophef en spektakel vermijdt en bij de feiten blijft. En de 2 engelachtige personen zeggen: “Waarom zoeken jullie de levende bij de doden?”

De Levende, zo wordt de opgestane Heer genoemd, degene die leeft, in leven is, het leven zelf. Het is niet nodig om zijn lichaam te balsemen. Hij is niet hier, hij is opgewekt, wakker gemaakt.

Zo kernachtig is de boodschap van Pasen. “Gedenk hoe hij tot jullie heeft gesproken in Galilea. Dat de zoon des mensen overgeleverd moest worden en gekruisigd om op de derde dag op te staan.”

Gedenk, her-inner je, wordt er tot de vrouwen gezegd. En ze worden zijn woorden indachtig.

Dat is de manier om de verwarring te boven te komen, om weer een weg te vinden, te gedenken. Her-innering is verlossing. Het is her-oriëntatie. Het begint ze te dagen, vroeg in de morgen, dat de geheimzinnige woorden van hun meester over sterven en opstaan, op Jezus zelf van toepassing zijn.

Gestorven en herrezen. Dat klopt met wat ze van Jezus zelf hebben geleerd, hoe hij levendig over God sprak, hoe hij de wet en de profeten uitlegde. Een en al leven.

De vrouwen hervinden hun weg, ze hebben hun oriëntatie weer terug. Let op, Jezus is dan nog niet aan hen verschenen, maar ze hebben hun innerlijk kompas weer terug.

Leven wij in een tijd van verwarring? Ik herinner me dat ik in m’n vorige gemeente iemand sprak die in mijn beleving wel erg ver ging met complottheorieën en alternatieve feiten en dat ik daardoor zelf helemaal uit mijn doen was. Dat ik mijn pincode niet meer wist.

Hulpdiensten hebben veel te maken met verwarde personen, dat is een teken des tijds, het komt ook gewoon omdat er te weinig opvang is, misschien ook gebrek aan empathie en geduld in onze samenleving.

Dat maakt extra verward. En ook de zogenaamde wereldleiders die feiten omkeren en verdraaien. Het duizelt je. En als je daarbij in je persoonlijk leven klappen krijgt, dan kun je werkelijk ontdaan en ontzet zijn. Hoe vind je je kompas weer terug?

Pasen brengt in eerste instantie verwarring. Dat heeft alles met de boodschap van Jezus te maken, zijn weg, dat de messias in ons midden is als een lijdende knecht, dat niet heersen, maar dienen de weg van God is. Die aan het kruis bidt voor degenen die hem kruisigen. Hij is niet hier, maar leeft.

Dat is anders dan we gewend zijn in deze wereld. Dat vraagt om anders kijken, je heroriënteren, omdenken. De vrouwen die het bericht horen dat Jezus is opgewekt, worden dat indachtig en hervinden hun weg. Ze keren terug en brengen het over aan de apostelen.

Is het een geloofwaardig verhaal? De apostelen vinden van niet, ze noemen het ‘kletspraat’, geloven het niet. Lucas noemt ze hier al apostelen, maar ze willen er nog niet van weten. Ze laten de verwarring niet toe.

Kerkvader Augustinus zegt in een Paaspreek. “Christus zal alleen aan je verschijnen, als je op weg gaat.” Ik denk dat hij bedoelt: door die weg van Jezus te gaan, niet heersen, maar dienen, door zo te gaan kijken, ga je het zien, dat dit de weg is, dat Jezus de levende is.

Heel eenvoudig. Zou Jezus een petitie ondertekenen om Barendrecht een christelijk dorp te houden en om die reden een moskee te weren? Ik denk het niet.

Petrus gaat op pad, zet het op een lopen, en hij vindt het graf zoals de vrouwen hadden verteld. Toch geen kletspraat. Let op, over een verschijning van Jezus aan de vrouwen of aan Petrus vertelt Lucas hier ook  nog niet, dat komt later. Maar Petrus verwondert zich.

Naast de verwarring is er ook de verwondering. Dat dubbele gevoel hoort bij Pasen. In de opstandingswoorden van de profeet Hosea  kwamen we dat ook tegen, gemengde ervaringen. Van verscheurd zijn en genezing, geslagen en verbonden worden. “Hij redt ons na twee dagen van de dood, de derde dag doet Hij ons opstaan, voor zijn aangezicht leven wij.”

De levende doet ons opstaan. Ja Petrus staat op, hij rent naar het graf en bukt om te kijken, hij ziet alleen de doeken liggen. Hij bukt om te kijken, daar zit al iets van de heroriëntatie, andersom gaan kijken, van beneden naar boven, niet heersen, maar dienen.

Dan komt er ook in verwarrende tijden ruimte voor verwondering. Dan is er een weg, waar je de Levende tegenkomt.

Om met Augustinus te spreken: Zorg dat je onderweg bent, dan zul je Christus niet mislopen.

Preek Pasen 2025 bij Lucas 24 Dorpskerk Barendrecht

Hosanna

Afbeelding Zittauer Vastendoek

O wereld, als je zou weten wat jou vrede brengt.

Jezus huilt, hij weent. Indrukwekkend vind ik het, dat dit juist bij zijn intocht vermeld wordt. Op de olijfberg staat op deze plek nu een kerk, in de vorm van een traan. Jezus huilt om het lot van Jeruzalem, het noodlot dat Lucas heel precies beschrijft, vijandelijke legers die zullen komen om de stad te belegeren en met de grond gelijk te maken.

Een pijnlijke geschiedenis en ook nu aan de orde van de dag op teveel plekken in deze wereld. Hartverscheurend. Dat wekt bij Jezus een diep verdriet. Dat moment dat hij op een ezel de helling van de olijfberg afdaalt en de stad Jeruzalem nadert. De stad die hij innig liefheeft. Zoals eens de profeet Jeremia ook treurde om de verwoesting van zijn stad.

“Gezegend wie komt in de naam van de Heer”, zingen de leerlingen. Psalm 118, een van de lofpsalmen uit de pesachliturgie. “Eeuwig duurt zijn vriendschap”. De psalm ook die de pelgrims wordt toegezongen als ze de tempel betreden. We zegenen u vanuit het huis van de Heer.

In psalm 118 is er ook sprake van dreiging, van een belegering en omsingeling, en daar is het de Heer die voor uitkomst zorgt, bevrijding, een doorbraak.

‘O Jeruzalem, als je zou weten wat jou vrede brengt, wat dient tot jou shalom’, treurt Jezus. Het is van belang om hier oplettend te lezen. Bedoelt Lucas dat als Jeruzalem het wel had geweten, dat dan die ondergang niet plaats had gehad. Dat is de gevolgtrekking die in de kerkgeschiedenis te vaak gemaakt is ten koste van de synagoge.

In die anti-joodse interpretatie is Jeruzalem verwoest, omdat de inwoners Jezus niet als messias hebben aanvaard. In veel kerken zag je een afbeelding van een vrouw met een gebroken staf en een blinddoek om en die geblinddoekte vrouw stelde de synagoge voor.

Bedoelt Jezus dat met: nu is het verborgen voor jouw ogen? Spannende vraag.

En wat is het dan dat Jeruzalem niet wil of kan inzien. Jezus zegt, wat tot jouw vrede dient, het moment dat God naar je omziet.

Jezus lijkt te doelen op een beslissend moment, een kans om tot inzicht en vrede te komen.

Ik geloof niet dat Jezus het Jeruzalem verwijt dat hij niet als de messias wordt erkend. Want juist op dat moment zijn er mensen die hem als koning binnenhalen. Wordt hij als de messias, de zoon van David gezien, want ook Salomo werd eens op een muilezel gezet en daarmee als opvolger van David aangewezen.

Hij wordt toegezongen, gezegend als de komende, de koning, in naam van de Heer.

Toegejuicht en vorstelijk onthaald door, de menigte van leerlingen. Daarmee bedoelt Lucas niet per se een volksmassa, niet alles en iedereen, maar een grote groep leerlingen, zijn discipelen vormen een erehaag.

Voor Jezus is het genoeg dat zijn discipelen de hint begrijpen, dat dit het koningschap in naam van de Heer is, zoals de profeten van Israël het hebben gezien.

Er zijn een aantal farizeeën die wijzen op de risico’s van deze optocht, met goede bedoelingen: ‘Houd uw leerlingen toch in bedwang. Laat ze stil zijn.’ Met als achterliggende reden: dit gaat verkeerd aflopen, als de Romeinen ingrijpen wordt dat uw dood, dan zullen ze deze beweging in de knop willen breken.

Zeker in het Lucasevangelie sympathiseren de farizeeën met Jezus, hij is een geestverwant en ze proberen zijn leven te redden. Ze spreken hem respectvol aan met ‘meester’.

Maar Jezus gaat tegen het welgemeende advies in. Hij wil de vreugde van de leerlingen om de verwonder-daden die ze hebben gezien op waarde schatten. Dit mag niet genegeerd worden, dit moet de ruimte krijgen.

“Als ze zwijgen, zouden de stenen het uitroepen.” Een bijzondere uitspraak van Jezus, hoe vat je deze woorden op? Ik lees ze zo: Koester dit messiaanse moment, van vertrouwen en verwondering. Want als je de stem van de hoop tot zwijgen brengt, dan houd je alleen nog de puinhopen van deze wereld over, de stenen die omver zijn gehaald en getuigen van vernietiging.

Er zijn een paar momenten in het evangelie dat Jezus die zelf heel voorzichtig is om zich als messias te presenteren, die zelf behoorlijk pessimistisch kan zijn, het goed recht verdedigt van anderen om vrolijk en zelfs zorgeloos te zijn.

Jezus trekt zich op aan wat je de liturgie van de straat kunt noemen. Laat zich daar door dragen. Hij heeft het nodig. Hij komt op voor het demonstratierecht van zijn discipelen. Hun messiaanse verlangen. Dat neemt zijn verdriet niet weg, zijn pijn om de stad en de wereld, de dreiging, de ondergang die hij ziet aankomen. De vrede die geweld wordt aangedaan. Alle stenen die roepen.

Deze hoop op een ander soort koningschap, Gods toekomst, die wil Jezus het zwijgen niet opleggen, deze messiaanse muziek die hij zelf heeft opgeroepen, maar die toch ook spontaan ontstaat, die moet klinken.  Tegen de stenen in.

De koning, degenen die komt, zo wordt de Heer toegezongen, dit koningschap is tussen al die andere heren en meesters in deze wereld geen gegeven, maar is komende, ons tegemoet.

Jezus huilt om Jeruzalem. Nu we de stille week ingaan, willen we Jezus niet alleen laten in zijn verdriet en pijn, als gemeente gaan we met hem mee deze komende dagen, ‘opdat wij Heer U niet, verlaten in uw diep verdriet, maar bij U zijn in alle pijn, waarmee de mensen mensen zijn.’

En misschien dat je het wel heel erg met Jezus mee kan voelen, de tranen die hij op de olijfberg stort, zijn ondergangsstemming, het ontbreken van perspectief op vrede, voel je je belegerd en omsingeld door de dreiging.

Laat je dan ook bemoedigen door de lofzang van de discipelen. Hun hoop op een ander koningschap. Dat het echt Pasen wordt, die levendige verwachting. De Heer heeft het nodig. En wij des te meer.

Deze week zagen we hier in de Dorpskerk het toneelstuk over kamp Westerbork. Indrukwekkend, gebaseerd op het aangrijpende boekje ‘De nacht der girondijnen’ van Jacques Presser. Over ver een gevangene die cynisch is geworden, in de greep is geraakt van het machtsspel,  zo verklaarbaar en bijna onontkoombaar in de strijd om te overleven. Totdat hij iemand tegenkomt, een rebbe, een godsddienstleraar, Jeremia Hirsch, die een tegengeluid laat horen, die hem aanspreekt op zijn menselijkheid, die als Abraham tegen het lot in en desnoods tegen God in, opkomt voor gerechtigheid.

Ook al is het verborgen voor onze ogen. Bonhoeffer, het was deze week 80 jaar geleden dat hij ter dood werd gebacht, zegt dat hij onnoemelijk kan lijden onder Gods verborgenheid in deze wereld, God die onder die als het ware onder stenen bedolven ligt.

Dat er dan discipelen zijn die dan toch hosanna zingen. Let op ‘Hosanna’, betekent oorspronkelijk iets anders dan hoera. Het betekent, ‘breng toch redding, Heer!’ het is een roep om hulp.

En ze zingen: Vrede in de hemel, let op, daarmee bedoelen ze niet, we geven deze wereld op, maar juist dat de Heer naar deze wereld om ziet. Dat zijn vrede tot ons zal komen. Zoals in het gebed van Jezus, dat we ook zometeen weer bidden: uw wil geschiede in hemel, laat het zo ook op deze aarde zijn.

Preek Palmzondag 2025 Dorpskerk Barendrecht

Wij zijn de oudste en de jongste zoon

preek bij Genesis 48 en Lucas 15, Dorpskerk Barendrecht zondag Laetare 2025

Iemand had 2 zonen, zo begint de gelijkenis, aan wie denk je dan? Adam met Kaïn en Abel, Abraham met Ismaël en Izaäk, Jacob met Ezau en Jacob, steeds is er sprake van conflict over de opvolging, rivaliteit, animositeit, broedertwist en jaloezie.

Maar ook steeds weer anders, bij Kaïn en Abel gunt de een de ander het licht niet in de ogen en loopt het verkeerd af. Bij Ismaël en Izaäk zijn het vooral de ouders die met elkaar in de clinch liggen. Jacob en Ezau zijn aan elkaar gewaagd, staan elkaar naar het leven en komen ook weer tot elkaar.

En nog weer anders gaat het bij Efraïm en Manasse, de zonen van Jozef die door hun opa Jacob worden gezegend, de een links de ander rechts van hun bejaarde opa. Jacob zegent hen. De een met de linkerhand en de ander met de rechterhand, kruislings en net anders dan je zou verwachten. Heeft Jacob een voorkeur, heeft hij dan niets geleerd van de hele geschiedenis van Jozef en zijn broers, die begon met zijn voorkeursbehandeling? Jozef de verloren zoon die dood gewaand werd en toch leefde. En nu weer Efraïm voor Manasse.

 Toch geloof ik dat de oude Jacob wel iets geleerd heeft, want hij zegt: ze zullen allebei groot worden, ook al wordt de één groter dan de ander en men zal in Israël zeggen: God make je als Efraïm en Manasse. En dat is ook nu in het Jodendom een zegenbede waarmee je elkaar het goede toewenst.  Moge je gezegend worden als Efraïm én Manasse.

God make u als Efraïm en Manasse. (Genesis 48:20) Niet of, maar en. Als allebei. Daar leer ik van dat we de oudste en jongste zoon niet tegen elkaar uit moeten spelen, maar ons in beide moeten proberen te herkennen.

Dus wij zijn de oudste en de jongste zoon. (en de vraag is of we ook de Vader, als de Vader kunnen zijn,  met ontferming bewogen en die je oproept blij te zijn met en voor de ander, ruimhartig) Zondag laetare.

De schriftlezing die ook bij deze zondag hoort is uit de 2e Korinthebrief van Paulus: de liefde van Christus drijft ons. Christus voor allen gestorven, en opgewekt. Pasen, een nieuw begin, je bent een nieuwe schepping. En daar gaat het verder over verzoening, want we leven niet langer voor onszelf. God heeft de wereld met zichzelf verzoend en dus is ook aan ons de dienst, de opdracht van verzoening gegeven, zegt Paulus.

Ja, dat sluit prachtig aan bij de gelijkenis die Jezus in Lucas vertelt. De Vader verzoent zich met de jongste zoon, ziet hem van verre, wordt met ontferming bewogen, valt hem om de hals en ontvangt hem feestelijk. Met een mantel, een ring om zijn vinger, schoeisel om zijn voeten. Ook al had hij de helft van het familiebezit er door heen gejaagd en gedaan alsof zijn vader dood was, nu is hij weer thuis

De Vader verzoent zich tevens met de oudste zoon, die een en al afwijzing is: ‘wat is dit nu weer’, zegt hij, nooit is hij over de schreef gegaan en voor die verkwister wordt nu ook nog eens het gemeste kalf geslacht. Hij kan hem niet als broer zien, ‘die zoon van u’. Maar de Vader spreekt ook de oudste liefdevol aan. “Kind je bent altijd bij me, al het mijne is het jouwe”. Even ruimhartig als richting de jongste.

Maar kunnen de broers elkaar in de armen sluiten? tot elkaar komen, zoals eens Jacob en Ezau. Gaat de oudste zoon naar binnen, kan hij zijn wrok vergeten. Of is het ook aan de jongste zoon om naar buiten te gaan. Zich tot zijn broer te wenden. Wie zet de eerste stap, dat is nogal eens de vraag als familieleden van elkaar verwijderd zijn geraakt.

Wij zijn de jongste en de oudste zoon. En beide hebben verzoening nodig. Beide ontvangen verzoening en beide krijgen de opdracht om ruimhartig te worden.

Als je het zo leest, dan kom je niet in de verleiding, om in de oudste zoon het volk Israël te zien en in de jongste zoon de kerk. Want dat is de anti-joodse lezing die onze blik helaas lang vertroebeld heeft.

Wij zijn de jongste zoon, want we verkwisten wat aan de vader toebehoort, we gaan onverantwoordelijk om met de aarde, alsof God er niet, alsof het van ons is en alsof het niet op kan. Het kan wel op, en er is honger in deze wereld.

We zijn ook de oudste zoon, wij zijn de brave burgers die zich aan de regels houden en hard werken en met lede ogen zien als anderen een voorkeursbehandeling krijgen. Dat gevangenen, asielzoekers, daklozen een bed zouden krijgen om te slapen, verdienen ze dat wel? Kan dat niet soberder. Ik hoor het u niet zeggen, maar misschien hoor je het jezelf wel denken.

Kun je iets met de compassie van de vader uit de gelijkenis, diens gulheid, generositeit? Kun je  je eigen jaloezie, je wrok opzij zetten, je gevoel van miskenning, achtergesteld zijn. En als dat gevoel terecht is? Ja, ik denk dat de oudste zoon recht van spreken heeft, maar ik hoop niet dat hij daarin blijft hangen.

Eerlijk gezegd: Ik denk niet dat alle vetes,  familieruzies en arbeidsconflicten op te lossen zijn. In mijn waarneming is het niet altijd zo dat mensen van elkaar verwijderd raken door een ruzie. Het is vaak andersom. Ze willen zich losmaken, een eigen weg vinden en dan ontstaat er gedoe.

Een kind dat niet meer thuis komt, dat doet verdriet Je begrijpt de vader die jaren wacht, maar het kan helpen om te bedenken, ik zeg het voorzichtig, misschien heeft hij het nodig, misschien is het voor haar beter, ook al zou je je kind met open armen willen ontvangen. Verwijt het jezelf niet, kijk ook ruimhartig naar jezelf.

Verzoening houdt vaak in dat je je verzoent met jezelf, dat je gaat aanvaarden dat je leven zo gelopen is tot dusver. Ben ik te losbandig geweest of te braaf, dan vergelijk je je leven met dat van een ander en ben je nooit tevreden. Maar kun je blij zijn met en voor een ander dan kijk je ook milder, met meer compassie naar je zelf.

Want er is dat nieuwe begin, de kans om het anders te doen. De liefde van Christus drijft ons, de bewogenheid van de Vader. Vergeving.

Iemand had twee zonen.  Broedertwisten domineren het wereldnieuws,  broedervolken die elkaars bestaan bestrijden. Rusland en Oekraiene, Israel en de Palestijnen. Vaak is het Kaïn en Abel, maar er zijn andere verhalen. Verzoening was mogelijk, tussen Jacob en Ezau, tussen Jozef en zijn broers.

Iemand had 2 zonen. En als ik het nog even naar onze  kerkelijke situatie mag halen. De wijkkerkenraden van de Bethelkerk en de Dorpskerk hebben uitgesproken dat ze in de toekomst samen willen gaan. Laat het dan niet zo zijn dat de een over de ander zegt: ze zijn zelf weggegaan, ze hebben op te grote voet geleefd, laten ze nu maar met hangende pootjes terugkeren.

Eigenlijk denk ik niet dat dat op die manier leeft, maar laat het ook niet ook zo ver komen, denk aan de gastvrijheid van de Vader en de oproep, wees blij, wees blij met de ander.

‘Al het mijne is het jouwe’, zegt de Vader. (Eigenlijk tegen alle twee). Deze Vader was veel dichterbij dan ze voor mogelijk hielden, ze dachten allebei dat ze aan de strenge eisen moesten voldoen, de een liep er voor weg, de ander ging er onder gebukt, maar allebei hadden ze het mis. De Vader wilde zijn leven met hen delen, zijn vreugde. Het blijde nieuws met hen vieren. Hij was dood en is weer leven. Hij was verloren en is gevonden. Laten we ons daarop verheugen. Amen.

Een tweede naïviteit

Giotto-Scrovegnikapel (bron: paulverheijen.nl)

Jezus 12 jaar. Zijn ouders zijn hem kwijt, zoeken hem. Eerst denken ze nog, hij zal wel bij bekenden zijn, maar dan gaan ze toch navraag doen. Nergens te bekennen. Ze raken bezorgd, in paniek, een vermissing, ze zoeken hem met pijn. Na drie dagen vinden ze hem in de tempel. Jezus in gesprek verdiept met de leermeesters (rabbi’s) , luisterend, vragen stellend, antwoorden gevend. Kind, wat heb je ons aangedaan, zegt Maria. Jezus antwoordt, jullie hadden kunnen bedenken dat ik hier was. Ik wilde zijn in wat van mijn Vader is.

Het is nog niet de tijd van de helicopter-opvoeding en de curling-ouders. Wij hedendaagse opvoeders die alle problemen voor de voeten van hun kroost wegvegen. Maar de bezorgdheid van de ouders van Jezus is van alle tijden en dus maar al te herkenbaar.

Toen ik zelf een kleuter van 4, 5 jaar reisde ik een keer met mijn ouders per trein van Utrecht, waar we bij opa en oma waren geweest naar onze woonplaats Houten. Ik was door de trein gaan lopen en toen de trein stopte, ben ik netjes uitgestapt, in Utrecht-Lunetten. Mijn ouders kwamen daar in Houten achter.

Gelukkig ben ik toen goed opgevangen, ieder station had nog een loket, als kind deed ik luchtig over, het was toch logisch dat ik was uitgestapt, maar de opluchting van mijn ouders toen ze me weer vonden kan ik me nog goed voor de geest halen.

Jezus is al een stuk ouder, 12 jaar, hij is aanspreekbaar, bijna volwassen in de joodse tradite in de zin dat je met 13 jaar een zoon der wet wordt, een bar mitswa, een volwaardig lid van de geloofsgemeenschap. Je kunt dan ambtsdrager worden als het ware.

12, 13 jaar: In de geloofsontwikkeling is het de fase dat je zelf gaat nadenken, dat je zelfbewust wordt, kritische vragen stelt, echte antwoorden verlangt, wat geloof ik, wat wil ik, heb ik zin om mee te gaan naar de tempel in Jeruzalem? Heeft dat zin? Heeft dat nut?

Bij het opgroeien, volwassen worden, raak je iets kwijt, je  verliest je naïviteit

Het is ook voor jouw geloof en geloofsontwikkeling goed om te beseffen dat Jezus door deze fases van ontwikkeling is heengegaan, lichamelijke en geestelijke volwassen wording, de christelijke traditie en theologie heeft benadrukt dat Jezus waarlijk mens is. Hij heeft onze menselijkheid geheel aangenomen.

In de geloofsbelijdenis van Nicea die dit jaar 1700 jaar bestaat, een jubileum dat oecumenisch gevierd gaat worden, staat dat centraal, Hij is mens geworden, deze mens, Jezus uit Nazareth, om ons te redden.

Het is dus niet zo dat Jezus van jongsaf aan alles al wist, hij heeft ook moeten leren, wat het is om mens te zijn. Hij was niet per se het wonderkind, de wonderdoener in de dop.

Over de kindertijd van Jezus zijn er later wel allerlei wonderlijke verhalen in omloop gekomen, maar de evangeliën zijn daar nu juist terughoudend in.

Lucas houdt het dus bij de herkenbare, invoelbare episode van de 12-jarige die zoek raakt tijdens de bedevaart.

Jezus had later de gelijkenis van de verloren zoon, de verloren zonen, misschien wel niet zo inlevend kunnen vertellen als hij zelf die ervaring niet had meegemaakt, om als kind kwijt te zijn en gevonden te worden door zijn vader en moeder.

Zoals je ook alleen een leraar, een rabbi kunt worden, als je een leerling bent en blijft, zoals Jezus daar in de tempel het onderwijs van de rabbijnen volgt, het leerhuis, bezig is met de dingen van zijn Vader.

De tempel, als plaats waar God bij de mensen wil wonen. Heel opmerkelijk hoe de tempel een centrale rol speelt in het Lucas-evangelie, terwijl de tempel niet meer in gebruik was toen Lucas zijn evangelie opschreef. Maar daarom wil Lucas juist vertellen, dat God bij de mensen wil wonen, dat hij zijn zoon ter wereld laat komen en zijn geest heeft gezonden.

De geschiedenis van de 12-jarige Jezus nodigt je volgens mij uit tot een tweede naïviteit. Een term van de Franse protestantse filosoof Paul Ricoeur. Een behulpzaam begrip.

De tweede naïviteit. Het zegt iets over de 12-jarige Jezus en iets over je eigen geloofsweg.

Je eerste naïviteit, die je hebt als klein kind, verlies je gaandeweg bij het opgroeien. De magische wereld waarin wat je ouders zeggen per definitie de waarheid is, waarin wonderen  altijd geloofwaardig zijn, waarin de wereld ook om het kind draait.

Volgens Ricoeur volgt er op de eerste naïviteit, de kritische fase. De onderzoekende fase van klopt het wel, wat is er werkelijk gebeurd en welke belangen zijn er in  het spel? Dat ga je dan doorzien. Je verlies je naïviteit, je goedgelovigheid. En je zoekt je eigen weg, je maakt je stap voor stap los van je ouders.

Dat is niet alleen een persoonlijke ontwikkeling, maar ook een culturele. Onze cultuur is door de reformatie, de verlichting en de moderniteit heengegaan, kan niet meer op dezelfde manier denken en geloven als 1000 jaar geleden.

Ja, we hebben onze naïviteit verloren, dat hoor je nog wel eens verzuchten, als iets dat we helaas kwijt zijn geraakt, dan wordt er terug  verlangd naar een onschuldig verleden, dat helemaal niet zo onschuldig was.

Ik kan me voorstellen dat als de 12 jarige Jezus uit Nazereth met zijn ouders de jaarlijkse Paasbedevaart naar Jeruzalem maakt, hij dingen ziet die hem eerder niet waren opgevallen. Dat Jeruzalem een bezette stad is met Romeinse soldaten. Dat de tempel weliswaar prachtig is gerestaureerd door Herodes, maar was dat wel een goede koning.. Daarover denkt de jonge Jezus na, hij gaat vragen stellen, waar is God te vinden, als dit zijn woonplaats is. Hij wordt kritisch, verliest zijn eerste naïviteit.

En dan blijft hij in Jeruzalem om te zijn in wat van zijn Vader is, met God zelf bezig te zijn. Dat is een compacte, gecomprimeerde manier van vertellen om te laten zien dat er een tweede naïviteit ontstaat bij Jezus.

Een openstaan voor de verwondering, voor de aanwezigheid van God, de ervaring dat God bij de mensen wil wonen, afdaalt om hen te redden, dat is wat de jonge Jezus die dagen van Pasen in Jeruzalem beleeft en wat hij met zich mee zal dragen.

Jezus komt tot geestelijke groei door vragen te stellen. Door in het gesprek open te staan voor de mening van de ander en hoe dat je tot nieuwe inzichten brengt. Wie is er wijs? vroeg me aan een tijdgenoot van Jezus. Degene die leert van elk mens.

 Die tweede naïviteit wens ik je van harte toe voor het nieuwe jaar, die hebben we nodig, als we onze eerste naïviteit al lang zijn  kwijt geraakt.

In je geloof en spiritualiteit, dat je openstaat voor wat van God komt, dat je de verhalen uit de Bijbel niet voor kennisgeving aanneemt, van, zo is het kennelijk gebeurt, maar dat je gaat zien, wat hier verteld wordt heeft met mijn leven te maken. Dat je meegaat in dat leerproces, die geloofsweg van Jezus.

Wat bijvoorbeeld bijzonder is in dit verhaal, is dat de jonge Jezus en zijn ouders met Pasen naar Jeruzalem gaan, dat Jezus dan zoek raakt en dat ze hem na drie dagen vinden. Daarmee wijst Lucas op het sterven en opstaan van Jezus.

Een tweede naiviteit, verwondering, spontaniteit, in je omgang met God en misschien ook wel met je medemens, in je dagelijks leven, je manier van denken. Misschien heb je alle vertrouwen in de mens verloren, maar dat je ontdekt, zonder vertrouwen gaat het ook niet.

Want, stel je voor dat God had gezegd, ik ben te goed voor deze wereld, ik wil niet naïef zijn, dan was Jezus niet gekomen om in alles onze medemens te worden.

Tenslotte: wanneer Jezus en zijn ouders als herenigd gezin terugkeren naar Nazareth staat er dat ze afdalen en dat Jezus zich schikt onder zijn ouders en zo verder opgroeit.

Opgroeien, dat is afdalen, je wordt volwassener als je je meer en beter ondergeschikt kan maken, niet dat je altijd maar volgzaam en onderdanig moet zijn, echt niet, maar dat je leert van je medemens, dat je luistert en doorvraagt, dat je je,kunt verplaatsen in een ander.

Dat stopt niet als je 12 of 21 bent, daar kun je ook opnieuw mee beginnen als je 40 of 60 of 80 bent. Met een nieuwe naïeviteit.

Preek januari 2025

Zie je iets?

Ezechiël -J. Tissot (ca. 1900) Jewish Museum NN.Y.

Preek 1 september 2024 Dorpskerk Barendrecht bij Ezechiël 12 en Marcus 8

“Ga open!”” : 2 weken geleden zagen we in het Marcusevengelie hoe Jezus de oren opent van een dove die bovendien sprakeloos is, niet kan praten. “Effata,” zucht Jezus dan, in zijn taal betekent dat, ga open: Vandaag horen we hoe er een blinde bij Jezus wordt gebracht en hoe die weer gaat zien, zijn ogen gaan open.

In het tussenliggende gedeelte zegt Jezus in navolging van de profeet Ezechiël tot zijn leerlingen. “Hebben jullie ogen en zien jullie niet? Hebben jullie oren en horen jullie niet?” Dat geeft wel aan dat Marcus deze beide verhalen heel bewust als een tweeluik heeft opgebouwd. En dat met de dove en de blinde ook de leerlingen van Jezus worden aangesproken. Met andere woorden: wij, als volgelingen van Jezus zijn daarmee bedoeld. Ook onze oren moeten worden geopend, ook wij moeten leren kijken met andere ogen.

Dat gaat bij Marcus op een wat eigenaardige manier, zowel bij de blinde als de dove vragen anderen of Jezus de man wil aanraken. En Jezus doet dat in onze beleving op een nogal  primitieve manier, met spuug, het komt eigenlijk wat onbeholpen over. Misschien is dat ook de reden dat de andere evangelisten deze geschiedenis niet hebben overgenomen. Marcus is de enige die het zo vertelt.

In beide gevallen zien we ook dat Jezus de man apart neemt, even buiten de grote groep plaatst, een beetje privacy om het hedendaags te zeggen. Je wordt bij Jezus niet tot een voorbeeld gesteld, je wordt niet gestigmatiseerd als patiënt die zielig is. Wanneer je blind bent wil je niet als een probleemgeval worden gezien vanwege je beperking. Jezus neemt hem bij de hand, het gaat hem om de persoon, niet om de handicap.

Hoe worden zijn ogen geopend?

Dat gaat niet vanzelf, dat lukt niet in een keer, want wanneer Jezus de blinde in eerste instantie behandeld heeft, dan vraagt Jezus: zie je iets? En dan antwoord hij: ik zie mensen als bomen rondlopen. Het is een troebel beeld, hij ziet contouren, beweging, schimmen, maar geen herkenbare mensen. Hij moet nog leren kijken, wennen aan het beeld, wat ook logisch is. Z’n hersenen kunnen het nog niet bijbenen.

Wanneer ik bij de opticien een oogmeting onderga voor mijn lenzen dan moet ik aangeven bij welke sterkte ik de letters voor me kan onderscheiden. Bovenste regel, onderste regel.  “Is dit beter of slechter?” vraagt de opticien dan. Ik  heb ongeveer -6. Zo bijziend als wat.  In de tijd van Jezus toen er nauwelijks optische hulpmiddelen waren, zou ik zo goed als blind geweest zijn.

Jezus geeft het niet op, nogmaals legt hij zijn handen op zijn ogen. Een reset. De man knippert nog eens met zijn ogen, de waas valt weg, En dan ziet hij scherpt, alles helder.

“Ik was blind en nu kan ik zien”, klinkt het in het lied ‘amazing grace’, van John Newton, die ooit slavenhandelaar was, totdat hij schipbreuk leed en tot inzicht kwam.

Heel opvallend dat het niet in een keer werkt, als Jezus hem onder handen neemt, hij is niet in een keer van zijn probleem af, je zou bijna zeggen: Jezus doet ook maar wat. Ik vind dat heel troostend. Het kost Jezus moeite, Jezus doet moeite om deze blinde te openen. Hij doet moeite om onze ogen te openen. Het gaat niet vanzelf. En hij vraagt: zie je iets?

Bij de profeet Ezechiël is dat  ook aan de hand, hij doet alle moeite om de ogen van zijn volk te openen. Dat gaat op een nogal omslachtige manier. Hij moet een gat in de muur van zijn huis slaan. De vereniging van eigenaren zal daar niet blij mee zijn geweest. Dan moet hij zijn rugzak pakken met reisspullen en dan ’s nachts door het gat vertrekken. Voor de ogen van zijn volk.

Om hen tot inzicht te brengen. Zou dat geholpen hebben. Ezechiël zou nu als een verward persoon worden ingeschaald. De crisisdienst zou gewaarschuwd worden. Ezechiël was niet gek. Hij liet zien wat er aan de hand was. De vijand die door de stadsmuren heen brak en het volk dat huis en haard moest verlaten. Ezechiël houdt z’n handen voor zijn ogen, waarom zien jullie het niet.

Dat is wat Jezus eerder in het hoofdstuk ook verzucht. Hebben jullie in je ogen en zien jullie niet? Wat moeten de leerlingen dan doorkrijgen? Dat Jezus de messias is, de levende in ons midden. Dat is waar het op uitloopt, dat Petrus dat uitspreekt. Tegelijkertijd is Marcus daar heel voorzichtig en terughoudend in. Jezus zegt dat niet over zichzelf. Hij wil ook niet dat er ruchtbaarheid gegeven wordt aan de wonderen die hij doet. Daarom zegt hij ook hier weer: ga het dorp niet in. We noemen dat het messiasgeheim van Marcus. Dat is de rode draad in zijn evangelie, dat het messiasschap van Jezus ergens een geheim is.

Dat Christus verborgen aanwezig is, niet helder en duidelijk afgebakend en precies aanwijsbaar, maar hij is er wel, de opgestane, wij zijn nog bijziend. Kunnen niet veel verder kijken dan onze neus lang is.

Volgens mij is de verzuchting van Jezus en van Ezechiël daarom uiteindelijk geen verwijt. Hebben jullie ogen en zie je niet? Gods aanwezigheid in deze wereld, het koninkrijk waar Jezus over vertelt, is verborgen aanwezig.

Maar Jezus vraagt het wel, hij neemt je bij de hand en vraagt: “Zie je iets, wat zie je?” Ook de opticien kan mij pas helpen als ik aangeef wat ik wel en niet zie. Wat zie je van Gods aanwezigheid in deze wereld?

Daartoe moet je soms wat afstand nemen, van de drukte, van de beeldvorming, de meningen, zoals de blinde door Jezus buiten het dorp wordt geleid. Ik denk dat de kerkdienst daar voor bedoeld is, even afstand nemen, je even afsluiten, om weer helder te gaan zien.

Het eerste wat de blinde weer helder ziet is het gezicht van Jezus. In de kerk mogen  met Jezus beginnen. In deze wereld is onze blik op God vertroebeld. Hoe kunnen we ooit iets zinnigs zeggen over God zeggen. We zijn zo bijziend als wat. En hoe kun je geloven in een goede Schepper. Die vraag krijg ik bijna dagelijks in m’n ogen gespuugd en inderdaad dat gaat met pijn en moeite. Maar toch, dankzij Jezus heb ik wel opnieuw leren kijken.

Bonhoeffer zei 80 jaar geleden al dat we niet meer geloven in de God van de gaten, God als verklaring voor wat we niet weten of als oplossing voor onze problemen. Bonhoeffer ontdekte dat het geheim van Gods aanwezigheid veel meer verborgen is, Bonhoeffer zei dat tijdens de oorlog in zijn cel zo: “God laat zich in deze wereld terugdringen tot op het kruis.” Zo is God met ons, zo leven wij voor God, zo opent Hij je ogen.

God maakt zelf een gat in ons gesloten wereldbeeld, het graf waar Jezus in werd gelegd, werd een opening naar de herschepping, een nieuw begin.

Zie je al iets? Vraagt Jezus je. Jezus geeft aan God een menselijk gezicht. Een God die je bij de hand neemt en dichtbij komt, die je aanziet, die je in de ogen kijkt. Wordt alles dan helder, waarschijnlijk niet direct, het kost moeite, het is een heel gedoe, maar tenslotte komt alles in het licht van Gods goedheid te staan.

God van leven en licht. Maak alles nieuw.

Practice what you preach

Preek Dorpskerk Barendrecht 22 september bij Deuteronomium 24: 17-22 Jacobus 2:14-26

“Broeders en zusters, wat helpt het ons als iemand zegt te geloven, maar hij handelt er niet naar. Zou het geloof hem soms kunnen redden?” (Jacobus 2)

Na een boswandeling namen wij in aangename herfstweer een trappistenbiertje. Op het bijbehorende glas stond een tekst gegraveerd: “Practice what you preach”. Praktiseer wat je preekt. Dat gaven de monniken van het trappistenklooster ons mooi mee.

Geloof zonder daden is nutteloos, zelfs dood, zegt Jacobus. Is het nodig dat Jacobus tegen ons zegt? zouden we dat niet heel grif beamen. Natuurlijk is dat zo, uit je doen en laten moet blijken dat je geloof echt is, dat je te vertrouwen bent. Betrouwbaar en geloofwaardig. Daar kun je het alleen maar eens zijn. En zo wordt er ook tegen gelovigen aangekeken, ‘practice what you preach’. Doe er wat aan!

Anders werkt het niet, je geloof werkt samen met je doen, geloof is niet werkeloos, betoogt Jacobus. In Gods koninkrijk is altijd wat te doen. Vorige week hoorden we dat Jacobus ook zeggen. “Heb je naaste lief als jezelf, dat is het koninklijk gebod.” De regeringsverklaring van Gods Koninkrijk.

Je geloof werkt samen met je daden. Dat klinkt logisch. Maar Jacobus laat wel merken dat het niet vrijblijvend is. Dat het er dus ook toe doet waar je in gelooft.

Geloof je dat God in barmhartigheid naar ons omziet, ons opzoekt en aanspreekt, dat God één is, zoals Jacobus met de synagoge belijdt: “Hoor Israël, de Heer is onze God, de Eeuwige is één.” Dat houdt in, oprecht en integer en daarom te vertrouwen.

Geloof je dat God zo is? dan ben jij als mens daarop aanspreekbaar. En Jacobus maakt het heel concreet. De medemens zonder eten of zonder kleren die moet door jou gevoed en gekleed worden. Of zeg je met de beste bedoelingen, het ga je goed, veel sterkte, zonder iemand te helpen, slaap lekker buiten. Dat zou toch cynisch zijn.

Het verschil tussen onze leefwereld en die van Jacobus is misschien dat wij, door de bank genomen, minder in de situatie komen dat zo direct een beroep op je wordt gedaan. In onze samenleving houden we de ellende meer op afstand en meer voor onszelf. Het blijft vaak achter de voordeur.

Er wordt wel gezegd dat we in onze tijd door alle media en beelden veel meer meekrijgen van de nood van de wereld, maar daar zit dan een scherm tussen en die kan je uitzetten. Alles afsluiten. (handige functie)

Als ik Jacobus goed begrijp, dan is zijn oproep om die medemens in nood echt binnen te laten komen. Zoals de weerloze hongerlijdende gast echt zijn synagoge binnenkomt. Om je daar niet voor af te sluiten, om je zo op te stellen als geloofsgemeenschap, als diaconie, dat de noodkreten en hulpvragen je daadwerkelijk bereiken.

Dus dat is de uitdaging waar Jacobus mij voor stelt, ben je bereid om jezelf in de situatie te brengen, dat je de armoede en eenzaamheid van je medemens echt meekrijgt. In de Bijbel de ervaren werkelijkheid van de weduwe, de wees en de vreemdeling te gast.

Wat weet ik daar eigenlijk van? Wat ik meekrijg van huishoudens die bijvoorbeeld kampen met schulden, in de schuldsanering zitten, is het schrijnende er van. Dat je denkt dat, dit bestaat in Nederland. Hoe lastig het vaak is om structureel te helpen, maar ook hoeveel mensen gebaat kunnen zijn, met gewoon een boodschappenpakket, een stofzuiger of een paar nieuwe schoenen.

Dus er zijn genoeg situaties waarin je die woorden van Jacobus letterlijk moet nemen. Gewoon doen, wanneer je in de gelegenheid bent.

Deuteronomium spreekt net als Jacobus over het voeden en kleden van wie diep in de penarie zitten. Mozes herhaalt het steeds: verplaats je in hun situatie. Bedenk dat God jou ook moest vrijkopen uit Egypte. Dan weet je hoe het is. Hoe belangrijk het is om je eigenwaarde te behouden.  

Dat je niet in een precaire situatie wordt gedwongen, zoals de weduwe met een betalingsachterstand die haar bovenkleed in onderpand moet doen, zich bloot moet geven, met andere woorden in de prostitutie belandt, haar eer moet verkopen om te overleven.

Dat je niet hoeft af te wachten of er iets voor je overschiet, maar dat je zelf iets kunt doen om inkomen te verkrijgen. De aren die blijven liggen aan de rand van de akker, de druiven en de olijven die in de boom blijven hangen, die zijn er voor jou. Je hebt er recht op.

 Het recht van de vreemdeling mag niet gebogen worden zegt Mozes profetisch, Deuteronomium denkt dan aan minderheden, de arbeidsmigrant, die je niet moet uitbuiten, een fatsoenlijk loon moet geven.

Dat heeft met geloof te maken, want God vraagt het van je en zegt: daarom gebied ik je dit te doen, zo klinkt er steeds in de Tora. Omdat je het zelf hebt meegemaakt, omdat je er over mee kan praten wat het is om gered te worden, vrijgekocht, uit de ellende bevrijd, daarom zie je je naast als iemand die is zoals jij.

Dat is de solidariteit, waarin de Eeuwige zelf ons voorgaat. Hij is afgedaald om jou te redden. In die barmhartigheid is Hij onze God.

En dan geeft Jacobus twee voorbeelden die nogal te denken geven om aan te tonen dat geloof, betrouwbaarheid, gepaard gaat met daden. Abraham en Rachab.

Eerst Abraham die bereid was zijn zoon te offeren. Zodoende werd hij door God rechtvaardig verklaard. Heel typisch dat collega Paulus het voorbeeld van Abraham andersom gebruikt, om aan te tonen dat goede werken zonder vertrouwen nutteloos zijn. Jacobus bekijkt het precies van de andere kant: zonder bijbehorende daden is vertrouwen zinloos. (Zo meerstemmig is de Bijbel dus.)

Maar het voorbeeld zelf roept natuurlijk vragen op. Abraham die gehoorzaamt als hij opdracht krijgt zijn zoon te offeren. Toen we dit aan tafel lazen, vonden onze kinderen het geen goed voorbeeld. Gelukkig maar.  Het verhaal uit Genesis zelf, in de Joodse traditie, de binding van Izaäk geheten, heeft meerdere lagen. Het gaat over de geloofsgehoorzaamheid, het vertrouwen van Abraham. Maar de uitkomst is tenslotte is dat God het offer verhindert, deze God wil geen mensenoffers. Laat dat duidelijk zijn. En de stem die Abraham hoort, zegt: laat je zoon, je enige opgaan, omhoog. Dat is de technische term voor een offer. Maar bij nader inzien kan het ook duiden op het beklimmen van de berg. Zo gingen zij beide tezamen.

Hoe Jacobus de binding van Izaäk verstaan heeft… ? Juist dit voorbeeld geeft aan dat het doen van het geloof nog niet zo eenvoudig is, lang niet altijd zo eenduidig, waar doe je goed aan. Gaandeweg zal het blijken. In de geloofspraktijk leer je steeds bij.

 Gisteren hadden we als kerkenraden van de Bethelkerk en Dorpskerk een gezamenlijke heidag over een gezamenlijke toekomst. Op de hei van Carnisse Haven. En dan ben je er ook niet in een keer uit, waar doe je goed aan, je kunt van de ander en van je eigen kerk toch niet vragen alles op te offeren, maar je kunt elkaar wel leren vertrouwen door samen te werken, het woord dat Jacobus ook gebruikt. Zo gingen die beiden tezamen…

En dan Rachab, ook al zo’n twijfelachtig voorbeeld. De prostituee van Jericho. En dan de verkenners, op onderzoek in het beloofde land, die heel toevallig bij haar terecht komen. Jacobus noemt ze ironisch boodschappers, engelen, maar dat waren ze natuurlijk niet.

Ik vermoed dat Jacobus het voorbeeld van Rachab noemt om ons te behoeden voor perfectionisme. Het is niet zo dat je pas goed kan doen als je helemaal zuiver bent. Je krijgt geen leefbare samenleving als je van elkaar en van jezelf eist dat er niets op je aan te merken is. Bij Rachab hebben critici vast gedacht dat haar gastvrije bed, bad en brood-regeling soberder kon,  maar ze was hulpvaardig toen het er op aan kwam. En daarmee heeft ze mensen in nood gered.

Kan het geloof je redden, vraagt Jacobus ons. Geloof je in God die mensen redt, dan geloof je in een samenleving waarin mensen die het niet redden, worden geholpen. Practice what you preach!

Alles gemeenschappelijk

Genadestoel, God de Vader, Christus en de Heilige Geest, ca. 1420, Rijksmuseum

‘En ze hadden alles gemeenschappelijk’ (Handelingen 4)

Vorige week zag ik de film ‘Adam, waar ben je’ over een grieks-orthodoxe kloostergemeenschap op de heilige berg Athos. Gemaakte door een oekraiense filmmaker trouwens. Wat vooral in beeld werd gebracht is hoe de monniken samen werken, bijna alles samen doen, olijven oogsten, vissen, metselen, bidden, eten en lachen. Ze hebben immers alles gemeenschappelijk. En tegelijkertijd is er groot respect voor het individu, voor het eigene van ieder mens, dat is heilig, heilige grond mag je zeggen.

De tekst uit Handelingen is van grote invloed geweest op het ontstaan van kloosters, de leefgemeenschappen van monniken die zoveel hebben bijdragen aan de vorming van ons culturele landschap. Het huis waar wij wonen staat in de predikherenstraat, genoemd naar de kloosterorde van de dominicanen, bedelmonniken die predikheren werden genoemd, zij zouden vreemd opkijken van een koophuis in hun straat

Toch hoef je dit prille begin van het christendom niet te lezen als een afwijzing van prive-bezit en persoonlijk eigendom, een communisme avant la lettre. Geinspireerd en vervuld door de Heilige Geest beschouwen de gelovigen hun spullen, huizen, grond en geld als gemeenschappelijk, als iets om te delen en door te geven. Het gaat om dat gezamenlijke leven. Niet om hebben, maar om zijn. Ik denk dat het te maken heeft met de economie van het genoeg waar de pas geleden overleden Bob Goudzwaard vele jaren geleden al voor pleitte.

Gewoon durven vragen: Mag ik iets van je lenen. De econoom Paul Schenderling die schrijft over leven van genoeg vertelt in een interview hoe hij besluit om geen nieuwe tuinset te kopen, maar als hij bezoek krijgt en het is mooi weer vraagt hij aan een buurman of hij tuinstoelen kan lenen en die is maar wat blij dat hij kan helpen. ‘Alles gemeenschappelijk.’

En is het goed en is het nodig, vroegen wij ons af, dat we deze zomer een zwembad optuigen en vullen met water, terwijl het voor kinderen veel leuker is om bij een vriendje of vriendinnetje af te spreken met ook zo’n zwembad in de tuin.

Jan Peter Balkende heeft net een boek geschreven ‘kapitalisme opnieuw verbonden’, dat gaat ergens ook over dit thema. Moet hij dan maar de nieuwe premier worden? dat is een andere discussie.

De menigte, de aanwezigen worden vervuld met de heilige geest, net als vorige week met Pinksteren vindt er in de lezing een uitstorting van de geest plaats. De Geest is iets gemeenschappelijks, de geest deelt gaven uit aan ieder, en de Geest overstijgt de discussie over particulier en collectief bezit, mijn en dijn, want het is de geest van God, van boven, hij komt uit de hemel staat er.

En dat wil zeggen, wat hier gebeurt is niet mijn menselijke initiatief, mijn vermogen, maar wat God geeft en gunt. Zoals Jaap Zijlstra het met humor heeft gedicht in zijn Pinksterlied: wij leven van de wind

Het Bijbelse grondwoord daarvoor is genade. Dat wat je niet kunt kopen of verkopen. In de NBV-vertaling staat: God begunstigde allen rijkelijk. Een grote genade was op hen allen.

De adem van God, de lucht die we inademen is niet van mij of van ons, en toch gaat die door mij en door ons heen.je

Dankzij die genade getuigen de apostelen van de opstanding van Jezus de Heer. De Heer Jezus, Jesous Kurious hoe de gevoelswaarde daarvan goed weer te geven? Het betekent niet de opstanding van meneer Jezus, het is meer de opstandig van Jezus als Heer, tot Heer. Hij is opgewekt, hij leeft, wil zeggen. De dood is niet de laatste macht over ons leven, het kwaad is niet de eindbaas in deze wereld. Dankzij Jezus ga je vertrouwen, geloven, dat het goede, de kleine goedheid om met Levinas te spreken, recht van spreken heeft, doorzettingsmacht zal hebben, de weerloze overmacht van de liefde.

Dus als ik me inleef in het verhaal van Handelingen, dan zie ik dat zo voor me, dat die gemeenschap van diverse vrouwen en mannen met allerlei achtergronden, arm en rijk, allochtoon en autochtoon, dat ze allemaal geraakt zijn door het lijden van Jezus, die kansloos de dood werd ingejaagd, het toppunt van willekeur en cynisme en wreedheid, dat beneemt je de adem, dat ontneemt je alle vertrouwen,  hoe kun je geloven dat het goedkomt met deze wereld. 

Dan rest er niets dan maar voor jezelf te leven. En dan die verrassende apotheose, God draait het om, maakt van die moord op Jezus een nieuw begin, hij leeft en zijn geest komt in ons. Hij staat ook in ons op.

Dat heeft op die eerste gelovigen het bijzondere effect dat ze hun bezittingen, hun huizen en grond verkopen en de opbrengst ter beschikking stellen van de gemeenschap. En 1 persoon wordt er dan uitgelicht, Jozef, bijgenaamd Banabas, de latere metgezel en reisgenoot van Paulus.

Hij was een Leviet, net als Mozes, en hij kwam uit Cyprus. Dat is niet gek, het Jodendom was toen al verspreid over de gehele wereld. En Cyprus is niet ver van Israël, ook nu liggen daar de hulpgoederen klaar van de internationale gemeenschap om naar Gaza verscheept te worden.

Toch prikkelt het mijn verbeelding, wat moet een Leviet op Cyprus, vakantie-eiland, belastingparadijs. En belangrijker, hij heeft grond om te verkopen, maar volgens de Tora beschikten de levieten niet over eigen grond, geen eigen land, want staat er, ze doen dienst in de tempel en hebben de Eeuwige als hun erfdeel. God is de grond van hun bestaan. Dat is hun roeping.

Dat was natuurlijk een utopie, een ideaal, en Levieten konden toch niet allemaal in de tempel werken en je moest toch ergens van leven, maar dankzij de boodschap van de apostelen, dankzij de komst van de heilige geest, wordt het ideaal nieuw leven ingeblazen. Wij leven van de wind: Adem van God, vernieuw ons bestaan.

De Eeuwige zelf is hun erfdeel. Dankzij Pinksteren, komt God in ons. De brandende braamstruik op de Sinaï kan daarvoor een beeld zijn. God stelt zich voor aan Mozes, maakt zich bekend. Ik ben er. Ik zal er zijn. De Naam die niet wordt uitgesproken. Het is een heilig moment. Mozes moet niet te dichtbij komen, het is voor mensen niet te vatten.

Toch wil deze God er zijn, voor ons, en de gloed van die aanwezigheid vuurt je aan, maar verteert je niet. De adem van God vervult je, gaat door je heen, maar je wordt er niet minder mens van.

Barnabas kan zijn akker verkopen omdat hij het niet meer als zijn persoonlijke bezit beschouwt, niet van z’n eigen. Maar van en voor de Heer. Ook als geloofsgemeenschap in Barendrecht mogen we zo naar ons kerkelijke bezit kijken en onze grond, heilige grond?

Een mooi voorbeeld vind ik toch de groenstrook achter de oude pastorie, ingericht als een voedselbos voor onze medeschepselen. Prachtig die foto’s van de egeltjes die daar zijn uitgezet en op hun manier de Schepper loven door rond te scharrelen, ook zij getuigen van Gods Geest die in ons ademt.

Op de zondag van de Drie-Eenheid vieren we dat God gemeenschap is in zichzelf, verbinding, onderlinge saamhorigheid van Vader, Zoon en Heilige Geest die alles gemeenschappelijk hebben en in dat leven van dienen en delen mogen wij meedoen en er zelfs van vervuld raken.  Adem van God, vernieuw ons bestaan!

Preek 26 mei, zondag Trinitatis, Barendrecht