Een wonderlijk bestaen

Rubens, St. Michael verdrijft Lucifer uit het paradijs, wikipedia.org

In zijn voorwoord op zijn treurspel ‘Lucifer’ geeft Vondel toe dat hij voor het dramatische effect gebruik maakt van een theologische opvatting die door sommige, maar niet door alle godgeleerden gedeeld wordt. Hij laat de engelen namelijk voorkennis van de incarnatie (menswording van God in Christus) hebben. Als Gabriël dit aan de opstandige engelen meedeelt, is hun rebellie niet meer te stoppen. In zijn ‘disclaimer’ zegt Vondel voor de zekerheid dat dit gebruik niet betekent dat hij positie kiest in deze discussie. Hij vermoedde zomaar dat dit wel eens gevoelig zou kunnen liggen.

Vondel betoogt ter verdediging van zijn toneelstuk over  de val van een deel van de engelen, dat dit in de  Heilige Schrift wordt beschreven. Omdat deze Bijbelteksten heel summier zijn, ziet Vondel ruimte om zelf motieven en redenen aan te voeren voor hun afvalligheid. Hij noemt hoogmoed en jaloezie als 2 kanten van dezelfde zaak. Lucifer  en zijn medestanders zijn jaloers op de mens die naar Gods beeld geschapen is.  Deze gedachte komt hij tegen bij de kerkvader Cyprianus. Vondel gaat nog verder en laat de engel Apollion die in het paradijs het pasgeschapen mensenpaar heeft geobserveerd afgunstig zijn op hun lichamelijkheid en intimiteit.

Dan kuste hy zyn bruit, en zy den bruidegom

Dan ging de bruiloft in, met eenen wellekom

En brant van liefde, niet te melden, maer te gissen,

Een hooger zaligheit, die d’Engelen noch missen. (135-138)

Helaes! Wy zyn misdeelt; wy weten van geen trouwen,

Van gade of gading, in een hemel, zonder vrouwen. (141-142)

Het idee dat de engelen ondergeschikt zijn aan de mens komen we ook in het Jodendom tegen: Israël is meer geliefd bij God dan de engelen (Babylonische Talmoed Choelien).

Vondel maakt van zijn engelen personages met een eigen psychologie, die met de blik van de buitenstaander het mens-zijn becommentariëren:

Den mensch, in top van Staet en maght, zoo trots verheven,

Dat wy, als slaven, voor zyn heerschappye beven (Lucifer790-91)

Hoe wy, door ’t nieuw bevel, van onze staet vervielen

In eene slaverny der aerde, en zoo veel zielen

Als uit een luttel bloets en zaets te spruiten staen.

Wat is by ons alree mishandel, of misdaen,

Dat Godt een waterbel, vol wint en lucht geblazen

Verheft om d’Engelen, zyn zonen,te verbazen?

Een basterdy verheft, gevormt uit klay, en stof?

Wy waren pas gewyt tot pylers van zyn hof. (842-848)

De gereformeerde predikanten in Amsterdam hebben pogingen gedaan om dit toneelstuk van Vondel te verbieden. Dat God al voor en los van de val van engelen en mensen besloten had om zich te verenigen met de mens, werd door de calvinistische theologen namelijk algemeen afgewezen. Zo lees ik in een artikel van Nico den Bok. (In ‘Wat God bewoog om mens te worden’, gedachten over de incarnatie, 2003)

 In een levendige dialoog tussen de aanhangers van Lucifer en een rei (koor) van trouw gebleven engelen drijft Vondel de discussie op de spits.

Luciferisten: Men had ons nutter dees geheimenis gezwegen.

Rey: De Godtheit openbaert haer hart, tot u genegen.

Luciferisten: Noch milder tot den mensch: zy zet hem boven aen:

Rey: Verknocht met Godts natuur: een wonderlijk bestaen. (890-993)

Eerder schreef ik dat dit een gedachte is die pas veel later in de theologie is uitgewerkt, maar Den Bok laat zien dat Duns Scotus, een middeleeuwse denker hier al heel scherp over heeft nagedacht. Dat het van den beginne Gods plan is geweest om mens te worden, zonde of geen zonde. Menswording is het doel van de schepping. Dat is een theologie waar ik vrolijk van word en waar Vondel God alle eer voor geeft.

Luciferisten: Hoe wil de mensch de kroon der Engelen verdooven!

Rey: Alle engelen zullen Godt in ’t lichaem zien, en loven.

Luciferisten: Zy zullen slyck en stof aenbidden in het stof?

Rey: Bewieroocken Godts naem, met geur, en prys, en lof. (988-91)

Palamedes II –dansen aan zee

zinnebeeldige voorstelling van de synode van Dordrecht

De bestandstwisten gingen over Godsdienst. Het gevaar is dat je daar vanuit het heden meewarig op neerkijkt. Waar maakten ze zich toen druk over.. . Predestinatie pff. In deze val wil Matsier  in zijn boek ‘de Advocaat van Holland’ over de nadagen van Van Oldenbarnevelt, niet vallen, maar of hem dat altijd lukt?  Op de vroomheid van de landsadvocaat dingt hij niet af, maar  zijn oordeel over de Heidelbergse Catechismus ‘dat vreugdeloze handboek der gelovigen’ zal de raadspensionaris niet gedeeld hebben (en ik ook niet).

Van vreugdeloosheid kan Vondel niet beticht worden. Het ongemeen grappige is dat Vondel de rol van de contraremonstrantse predikanten  in dit stuk laat spelen door Griekse priesters die hij  zo ‘gecast’ en aangekleed heeft dat ze sprekend op gereformeerde predikanten lijken. En deze eerwaarde broeders die hij ‘Wichelaers’ en’ Paepen’ noemt,  laat hij alle mogelijke heidense rituelen  uitvoeren.

 Wat Vondel echter het meest in het oog laat springen is hun verwaandheid.

Wier lang-gebaerde kin van hayren hangt vermast:

Wier winckbraeu en gebaer niet lochent, hoe hun past

Een wetteloose macht: die prat op vorstenbanden,

En Keysers-croonen treed: wier hoeden breed van randen, (953-956)

Wij staen met Goden in onbrekelijck verbond

Al wie ons wederspreeckt, die wederspreeckt Gods mond. (973-974) 

Met kennelijk plezier pleegt de dichter hier karaktermoord. In  zijn argumentatie is Vondel echter heel precies. Zijn voornaamste politieke verwijt aan deze godgeleerden is dat ze zich met staatszaken bemoeien. Van Oldenbarnevelt was van mening dat de kerkelijke leer onder verantwoordelijkheid van de Gewesten viel. Door zijn tegenstanders wordt hij daarom als een godloochenaar en vrijdenker neergezet. De hier genoemde ‘voglensang’ is misschien een toespeling  op de nachtegalen van Maurits waar ik in het boek van Matsier over lees.

Verworgt den vryen geest: of stort  hem van een rots:

Dees smaalt op wichlery, en droomen. D’inspraeck Gods

Hy gants in twijfel treckt. Hy zal het heyr verwarren:

Hy acht noch voglensang, noch’ingewant, noch ‘Starren.

Vondels theologisch verwijt is dat deze theologen deterministisch zijn, zij aanbidden in zijn ogen het noodlot, omdat ze vast houden aan de predestinatie. Voor de remonstranten en ook voor Vondel was dit in strijd met me de vrije wil van de mens. De synode van Dordrecht en de daar opgestelde  leerregels betogen het tegendeel, maar voor Vondel hadden ze hun geloofwaardigheid verloren.

Met galgenhumor laat Vondel zien waar dit determinisme toe leidt, aan het eind van de tweede acte laat hij het koor onder aanvoering priester Eurypilus een satirische lofzang zingen aan het noodlot, een genadeloze godin.

Bewaer Godin u kercken oock.

Op datm ‘u tempel pleghtigh smoock:

Op dat uw reuckwerck opwaerts rijs

Na d’eenmael aangenome wijs. (633-636)

O die met ysren scepter heerscht,

En blyfter laetst,en waert’er eerst:

Die Hemel, Aerde, en Hel bestiert

En maeckt dat elck u Godheydt viert. (669-672)

Die op haer beurt de starren riept,

En meerdre, en mindre Goden schiept,

En blyft versteenight en verstockt,

En hebt al ’t noodlijck quaed berockt.  (673-676)

De wandaden van het noodlot worden vervolgens zo uitvoerig bezongen door het zeemanskoor dat Eurypilus het tenslotte ook niet meer kan horen, en zien, want kennelijk werd dit lied uitgevoerd met een dans, destijds een doorn in het oog van menig calvinistisch predikant.

‘Houd op ghy hebt voldaen. Het noodlot heeft volkomen

Uw danssen en gesang goedgunstigh aengenomen’.

Palamedes I – Het Geweten

Jan Luyken, onthoofding van Johan van Oldenbarnevelt, ca. 1696, Rijksmuseum, historiek.net

Die sorgt, en waeckt, en slaeft, en draeft, en ploegt, en sweet

En tot ’s lands oorbaer[i] vast een lastigh ambt betreed,

En waent de menschen aan syn’ vroomheyd te verbinden,

Die sal sich jammerlijck in ’t end bedrogen vinden.

Van ’t wispelturigh volck: dat veel te los van hoofd,

Ghenooten dienst vergeet, en leyder[ii]! ’t quaed  gelooft.

Alleen al vanwege deze magistrale openingszinnen is Vondels toneelstuk ‘Palamedes’  (1625) een subliem werk. Het is bovendien een overtuigende politieke aanklacht tegen de terechtstelling van Johan van Oldenbarnevelt 13 mei 1619. Polemisch, politiek, partijdig, Vondel stak hiermee zijn nek uit.

Vondel schreef op het eerste gezicht een onschuldig stuk over een intrige in het Griekse kamp ten tijde van de Trojaanse oorlog met personages die hij ontleende aan Homerus. Voor de goede verstaander is het echter duidelijk dat het verhaal zich eigenlijk afspeelt op het Binnenhof in Den Haag ten tijde van de Bestandstwisten. Palamedes is dus de raadspensionaris Johan van Oldenbarnevelt en zijn tegenspelers zijn Maurits, diens raadgevers,de contraremonstrantse predikanten en de 24 rechters die  hem tot het schavot veroordeelden waar hij in mei 2019 onthoofd is. (In de openingszinnen zinspeelt Vondel hier al op met de uitdrukking ‘veel te los van hoofd’, waarmee hij aanduidt dat het volk zichzelf onthoofd heeft door de raadpensionaris terecht te stellen.)

Op basis van de verslagen van het proces tegen Van Oldenbarnevelt heeft Nicolaas Matsier nu een boek schreven over de maanden die de raadspensionaris als gevangene doorbrengt. De legitimiteit van zijn gevangenschap weigert  de advocaat van Holland te erkennen.

Heilig is hij ervan overtuigd dat hij zijn macht altijd heeft uitgeoefend binnen de grenzen van zijn bevoegdheden. Natuurlijk heeft hij zich zelf riant beloond, vrienden en familieleden geholpen, persoonlijke vijanden tegengewerkt, kortom politiek bedreven, maar hij heeft zich aan de wet gehouden en het land gediend. In de woorden van Vondel:

Maer ‘tis te schandeloos, en strijd met al myn daden

Dat ick ben omgekocht om ’t leger te verraden. (103-104)

En nu wordt er op last van de Staten Generaal en met medeweten van prins Maurits een schijnproces tegen hem gevoerd. Zijn ambtsopvatting en zijn rechtsstatelijkheid maken dat hij niet kan geloven dat hij in deze situatie is beland.  Wat gebeurt er met iemand die zeker weet ter goede trouw gehandeld te hebben en dan merkt dat het recht nu tegen hem gebruikt wordt. Ook Vondel legt hier de nadruk op.

Ick weet waer op ik steun, mijn ongekreuckt geweten

En is niet quaeds bewust, noch heeft sich noyt vergeten

Aan eenigh schendigh feyt: en soo ick daerom ly,

Soo wasch’ mijn edel bloedt eens anders schelmery.  (163-166)

Matsier presenteert Van  Oldenbarnevelt als een pleitbezorger van tolerantie. Daartoe wilde hij de kerk onder het geestelijk gezag van de overheid. Het is 400 jaar later weer opnieuw een actuele kwestie. Is de vrijheid van geweten daarmee gediend?


[i] Tot voordeel van ‘t land

[ii] Helaas!

Jozef in Dordrecht

Rembrandt, Jozef vertelt zijn dromen, 1638, Rijksmuseum, afb, http://www.degroene.nl

‘Ga lekker zelf in je kracht staan’, is de titel van een boekje van Japke-d. Bouma, waarin zij jeukwoorden, kantoorclichés en andere dooddoeners fileert. De uitdrukking ‘in je kracht gezet worden’ is symptomatisch voor het mengsel van positieve  psychologie en vaagtaal waarmee Bouma de vloer aanveegt. In de liturgie verwachten we andere teksten, toen ik in een gebed een keer de term ‘commitment’ gebruikte, was er een ambtsdrager die mij na de dienst duidelijk maakte daar niet van gediend te zijn.

In dit gedenkjaar van de Dordtse synode besloot ik de Dordtse leerregels nu eens een keer goed te lezen, het viel me op dat de opstellers hun tegenstanders meer dan eens een gebrek aan duidelijke taal verwijten.

Een stuk (ik schreef eigenlijk ‘stukje’) van Vondel lezen is dan een weldaad voor de ziel. Des te groter de schok als ik in Vondels toneelstuk ‘Jozef in Dothan’ (1640) die zelfde vermaledijde uitdrukking tegen.

Ja Vader, laet de menschen ruicken[i],

Hoe ghy de quaden kunt gebruicken

Ten goede van het aertsch geslacht;

Als ghy violen onder doornen

Gaat plucken, en uwe uitverkoornen,

Door uw beleit zet in hun kracht. (113-118)

Laat ik er voortaan van uitgaan dat ieder die deze gewraakte uitdrukking bezigt haar klassieken kent. De context is trouwens niet alleen taalkundig, maar ook theologisch interessant. Vondel voert hier een rei van engelen ten tonele die vooruitwijzen naar de ontknoping van het Jozefverhaal in Genesis 50:20: ‘U hebt wel kwaad tegen mij gedacht, heeft God heeft dat ten goede gedacht’. Vondel spreekt hier  van uitverkorenen, daarmee doelt hij op Jozef, die bij hem een type van Christus is, maar raakt ook (expres?) aan dé theologische discussie van zijn tijd.

De van oorsprong doopsgezinde Vondel die zich later tot de rooms-katholieke kerk bekeerde  is elders kritisch op de gereformeerde opvatting van de uitverkiezing. Zou hij hier een polemische bedoeling hebben en ‘Dordt’  verwijten de mens krachteloos te maken? Mogelijk, maar ik denk dat het goed gereformeerd en daarmee ook katholiek is wat Vondel hier belijdt: dat je gelooft heb je te danken aan Gods beleid, het is een geschenk dat je ontvangt, een kracht van God tot zaligheid (niet alleen je eigen zaligheid, dat is nog een andere discussie). Niet vanwege, maar tot onze geloofsgehoorzaamheid, zo zeggen de leerregels . Dat is toch sterk.

Dit stuk verscheen eerder in “In de Waagschaal’, tijdschrift voor theologie, cultuur, politiek.https://www.karlbarth.nl/welkom-waagschaal/

[i] ruicken = ervaren