Zie je iets?

Ezechiël -J. Tissot (ca. 1900) Jewish Museum NN.Y.

Preek 1 september 2024 Dorpskerk Barendrecht bij Ezechiël 12 en Marcus 8

“Ga open!”” : 2 weken geleden zagen we in het Marcusevengelie hoe Jezus de oren opent van een dove die bovendien sprakeloos is, niet kan praten. “Effata,” zucht Jezus dan, in zijn taal betekent dat, ga open: Vandaag horen we hoe er een blinde bij Jezus wordt gebracht en hoe die weer gaat zien, zijn ogen gaan open.

In het tussenliggende gedeelte zegt Jezus in navolging van de profeet Ezechiël tot zijn leerlingen. “Hebben jullie ogen en zien jullie niet? Hebben jullie oren en horen jullie niet?” Dat geeft wel aan dat Marcus deze beide verhalen heel bewust als een tweeluik heeft opgebouwd. En dat met de dove en de blinde ook de leerlingen van Jezus worden aangesproken. Met andere woorden: wij, als volgelingen van Jezus zijn daarmee bedoeld. Ook onze oren moeten worden geopend, ook wij moeten leren kijken met andere ogen.

Dat gaat bij Marcus op een wat eigenaardige manier, zowel bij de blinde als de dove vragen anderen of Jezus de man wil aanraken. En Jezus doet dat in onze beleving op een nogal  primitieve manier, met spuug, het komt eigenlijk wat onbeholpen over. Misschien is dat ook de reden dat de andere evangelisten deze geschiedenis niet hebben overgenomen. Marcus is de enige die het zo vertelt.

In beide gevallen zien we ook dat Jezus de man apart neemt, even buiten de grote groep plaatst, een beetje privacy om het hedendaags te zeggen. Je wordt bij Jezus niet tot een voorbeeld gesteld, je wordt niet gestigmatiseerd als patiënt die zielig is. Wanneer je blind bent wil je niet als een probleemgeval worden gezien vanwege je beperking. Jezus neemt hem bij de hand, het gaat hem om de persoon, niet om de handicap.

Hoe worden zijn ogen geopend?

Dat gaat niet vanzelf, dat lukt niet in een keer, want wanneer Jezus de blinde in eerste instantie behandeld heeft, dan vraagt Jezus: zie je iets? En dan antwoord hij: ik zie mensen als bomen rondlopen. Het is een troebel beeld, hij ziet contouren, beweging, schimmen, maar geen herkenbare mensen. Hij moet nog leren kijken, wennen aan het beeld, wat ook logisch is. Z’n hersenen kunnen het nog niet bijbenen.

Wanneer ik bij de opticien een oogmeting onderga voor mijn lenzen dan moet ik aangeven bij welke sterkte ik de letters voor me kan onderscheiden. Bovenste regel, onderste regel.  “Is dit beter of slechter?” vraagt de opticien dan. Ik  heb ongeveer -6. Zo bijziend als wat.  In de tijd van Jezus toen er nauwelijks optische hulpmiddelen waren, zou ik zo goed als blind geweest zijn.

Jezus geeft het niet op, nogmaals legt hij zijn handen op zijn ogen. Een reset. De man knippert nog eens met zijn ogen, de waas valt weg, En dan ziet hij scherpt, alles helder.

“Ik was blind en nu kan ik zien”, klinkt het in het lied ‘amazing grace’, van John Newton, die ooit slavenhandelaar was, totdat hij schipbreuk leed en tot inzicht kwam.

Heel opvallend dat het niet in een keer werkt, als Jezus hem onder handen neemt, hij is niet in een keer van zijn probleem af, je zou bijna zeggen: Jezus doet ook maar wat. Ik vind dat heel troostend. Het kost Jezus moeite, Jezus doet moeite om deze blinde te openen. Hij doet moeite om onze ogen te openen. Het gaat niet vanzelf. En hij vraagt: zie je iets?

Bij de profeet Ezechiël is dat  ook aan de hand, hij doet alle moeite om de ogen van zijn volk te openen. Dat gaat op een nogal omslachtige manier. Hij moet een gat in de muur van zijn huis slaan. De vereniging van eigenaren zal daar niet blij mee zijn geweest. Dan moet hij zijn rugzak pakken met reisspullen en dan ’s nachts door het gat vertrekken. Voor de ogen van zijn volk.

Om hen tot inzicht te brengen. Zou dat geholpen hebben. Ezechiël zou nu als een verward persoon worden ingeschaald. De crisisdienst zou gewaarschuwd worden. Ezechiël was niet gek. Hij liet zien wat er aan de hand was. De vijand die door de stadsmuren heen brak en het volk dat huis en haard moest verlaten. Ezechiël houdt z’n handen voor zijn ogen, waarom zien jullie het niet.

Dat is wat Jezus eerder in het hoofdstuk ook verzucht. Hebben jullie in je ogen en zien jullie niet? Wat moeten de leerlingen dan doorkrijgen? Dat Jezus de messias is, de levende in ons midden. Dat is waar het op uitloopt, dat Petrus dat uitspreekt. Tegelijkertijd is Marcus daar heel voorzichtig en terughoudend in. Jezus zegt dat niet over zichzelf. Hij wil ook niet dat er ruchtbaarheid gegeven wordt aan de wonderen die hij doet. Daarom zegt hij ook hier weer: ga het dorp niet in. We noemen dat het messiasgeheim van Marcus. Dat is de rode draad in zijn evangelie, dat het messiasschap van Jezus ergens een geheim is.

Dat Christus verborgen aanwezig is, niet helder en duidelijk afgebakend en precies aanwijsbaar, maar hij is er wel, de opgestane, wij zijn nog bijziend. Kunnen niet veel verder kijken dan onze neus lang is.

Volgens mij is de verzuchting van Jezus en van Ezechiël daarom uiteindelijk geen verwijt. Hebben jullie ogen en zie je niet? Gods aanwezigheid in deze wereld, het koninkrijk waar Jezus over vertelt, is verborgen aanwezig.

Maar Jezus vraagt het wel, hij neemt je bij de hand en vraagt: “Zie je iets, wat zie je?” Ook de opticien kan mij pas helpen als ik aangeef wat ik wel en niet zie. Wat zie je van Gods aanwezigheid in deze wereld?

Daartoe moet je soms wat afstand nemen, van de drukte, van de beeldvorming, de meningen, zoals de blinde door Jezus buiten het dorp wordt geleid. Ik denk dat de kerkdienst daar voor bedoeld is, even afstand nemen, je even afsluiten, om weer helder te gaan zien.

Het eerste wat de blinde weer helder ziet is het gezicht van Jezus. In de kerk mogen  met Jezus beginnen. In deze wereld is onze blik op God vertroebeld. Hoe kunnen we ooit iets zinnigs zeggen over God zeggen. We zijn zo bijziend als wat. En hoe kun je geloven in een goede Schepper. Die vraag krijg ik bijna dagelijks in m’n ogen gespuugd en inderdaad dat gaat met pijn en moeite. Maar toch, dankzij Jezus heb ik wel opnieuw leren kijken.

Bonhoeffer zei 80 jaar geleden al dat we niet meer geloven in de God van de gaten, God als verklaring voor wat we niet weten of als oplossing voor onze problemen. Bonhoeffer ontdekte dat het geheim van Gods aanwezigheid veel meer verborgen is, Bonhoeffer zei dat tijdens de oorlog in zijn cel zo: “God laat zich in deze wereld terugdringen tot op het kruis.” Zo is God met ons, zo leven wij voor God, zo opent Hij je ogen.

God maakt zelf een gat in ons gesloten wereldbeeld, het graf waar Jezus in werd gelegd, werd een opening naar de herschepping, een nieuw begin.

Zie je al iets? Vraagt Jezus je. Jezus geeft aan God een menselijk gezicht. Een God die je bij de hand neemt en dichtbij komt, die je aanziet, die je in de ogen kijkt. Wordt alles dan helder, waarschijnlijk niet direct, het kost moeite, het is een heel gedoe, maar tenslotte komt alles in het licht van Gods goedheid te staan.

God van leven en licht. Maak alles nieuw.