Olga Tokarczuk – Empusion

Henri met de Bles, landschap met Abrahams offer, ca. 1540

Boekbespreking

Femicide. In de week dat ik het boek ‘Empusion’ las van de Poolse Nobelprijswinnares Olga Tokarczuk ging het in het nieuws over een vrouw die vermoord was door haar ex-man. Eigenlijk zou het daar altijd over moeten gaan, want in Nederland gebeurt dat wekelijks.

‘Empusion’ begint met de dood van een vrouw, Klara Opitz. De ware toedracht blijft tot het einde onduidelijk. Het maakt diepe indruk op de hoofdpersoon. Maar de andere mannen in het pension waar hij verblijft, lijken hun schouders erover op te halen.

Het boek speelt zich af in een Pools sanatorium te Görbersdorf in 1913, een heel precieze locatie en tijdsaanduiding. Het gaat over de jongeman Mieczyslaw Wojnicz die in het kuuroord arriveert en zijn intrek neemt in een mannenpension. Hij maakt kennis met de andere patiënten en heeft diepgaande gesprekken met hen.

Dit is precies de setting van Thomas Manns ‘Toverberg’, die een eeuw geleden de Nobelprijs kreeg. Het boek van Tokarczuk is een eerbetoon aan dit meesterwerk, maar vooral een satirische kritiek, bijna een pastiche. De gesprekken van de mannen lopen namelijk steeds uit op het zelfde onderwerp, de vrouw, voor hen een raadselachtig wezen. De een vanuit katholiek, de ander vanuit humanistisch en een derde vanuit theosofisch perspectief. Ze citeren continu wat de filosofiegeschiedenis zoal te zeggen heeft over het wezen van de vrouw en zo wordt pijnlijk duidelijk dat vrouwen zelf evenmin als in de Toverberg aan het woord komen. Zo stelt Tokarczuk de intellectuele femicide aan de kaak.

In het pension verblijft ook een leeftijdgenoot van Wojnicz, de doodzieke Thilo. Deze is in het bezit van een schilderij van Henri met de Bles, een voor mij tot dusver onbekende Vlaamse schilder uit de 16e eeuw. Het werk verbeeldt de binding van Izaäk. Abraham die zijn enige zoon Izaäk offert en tegengehouden wordt door een engel.

Waarom gebruikt Olga Tokarczuk juist dit schilderij? In haar visie illustreert het de gekte van een patriarchale wereld, waarin mannen hun zonen telkens weer opofferen voor een vermeend hoger doel. Tokarzcuk ziet in het vertelling van Genesis dus niet de kritiek op het mensenoffer, die ik er zelf in lees. Maar ze heeft wel oog voor de gelaagdheid van verhaal. En het schilderij is inderdaad fascinerend: duister, dreigend en gedetailleerd.

Geniaal is het hoe zij in Empusion de verteller in de wij-vorm laat spreken. In ‘de Toverberg’ doet Mann dat ook en zorgt het voor een anonieme afstandelijkheid, maar bij Togarczuk schuilt er achter dit wij een ongekende wereld van mysterieuze wezens.

De ontknoping van het boek zorgde bij mij voor de nodige verwarring. Is het moeder natuur die zich wreekt op de mannen en om offers vraagt? Met de wraakgodin Empuse zijn we niet beter af dan in een  patriarchale vader-god.

Sterker vind ik hoe de verhaallijn met de dode Klara op een verrassende manier wordt voortgezet. Zij was dood en begraven, maar staat op. Haar naam wordt bewaard.

Een mosterdzaadje

Hendrik van Balen, allegorie op de aarde, Musee de Flandres, Cassel

Preek 23 augustus bij Lucas 13:10-21

In de vakantie waren wij in West-Vlaanderen, een mooi heuvellandschap, maar ook een beschadigd landschap, want overal de sporen van de Eerste Wereldoorlog. Vooral heel veel witte kruisjes op de militaire begraafplaatsen. Tienduizenden soldaten, jonge soldaten, liggen er begraven. Uit heel de wereld.

In het stadje Poperinge, in de oorlog achter de frontlinie – je ziet bordjes die je de weg wijzen naar de dodencellen en executieplaatsen- bezochten we het Talbothouse. Dat was een opvangplek voor Engelse soldaten, waar hun lichaam en geest tot rust konden komen, opgericht door een legerpredikant, Talbot.

De gids die ons rondleidde vertelde dat het doel van het huis was de soldaten lichamelijk en geestelijk rust geven, en ook het koninkrijk van God verkondigen.

Het koninkrijk van God verkondigen, daar moest ik wel over nadenken, hoe doe je dat, temidden van de wreedheden van de oorlog.

Misschien dat er werd gedacht, het koninkrijk van God, dat is de bestemming van de ziel. Als je hier op aarde de dood in wordt gejaagd, dan overleeft je ziel, die gaat naar de hemel. Dat zou dan het koninkrijk van God zijn.

Ik corrigeer mezelf. Daar moet ik niet te min over denken. Voor de soldaten die geen keus hadden en in een zinloze oorlog waren beland, was dat ergens hun enige troost, hun laatste houvast, voor zichzelf en de talloze maten, die gesneuveld waren. Dat ze een ziel hadden, gekend bij God.

Toch is het niet wat Jezus bedoelt, het koninkrijk van God als toevluchtsoord van de ziel. Maar wat dan wel? Jezus spreekt in gelijkenissen. Het koninkrijk lijkt op, nee is gelijk aan een mosterdzaad. Het heeft me altijd aangesproken. Als jongen heb ik eens mosterdzaadjes gezaaid in de tuin, dat groeide geweldig en bloeide mooi. Niet dat we er mosterd van maakten of zo. Bij Jezus is het zelfs een boom die uit dat ene zaadje groeit. Een boom waar de vogels van de hemel hun nest in maken.

Een wonder, zeker als je bedenkt dat de mosterdboom juist in de droogste gebieden groeit.

Een sterk beeld dat er uit een miniscuul zaadje, een boom groeit die zich vertakt en een schuilplaats biedt aan de vogels.

Ik vind het prachtig dat Jezus dit verhaal vertelt. Het gaat over de samenwerking tussen mens en natuur. Iemand zaait het in de tuin en de vogels hebben er profijt van.

Het gaat over groeikracht, de groeikracht van het koninkrijk, dat klein begint en zich vertakt over de aarde. En dat God zelf aanwezig is in het kleine en kwetsbare.

In Jezus zelf, die ene mens, die  gedood werd, begraven werd in een tuin en toen Pasen, opstanding, de dood overwonnen, hemel en aarde komen tot elkaar. De hemel komt naar de aarde toe, dat is volgens mij wat er bedoeld wordt met de vogels die hun nest bouwen in de boom. Het begint met één zaadje dat ten onder gaat. Het was al heel klein en dan verdwijnt het in de grond, maar het brengt de hemel op aarde.

Iemand zei eens: ‘Jezus predikte het koninkrijk van God en wat er kwam was de kerk’. Wat mij betreft moeten we daar niet cynisch over te doen, ik ben blij dat de kerk er is, zonder kerk zouden we niet beter af zijn, maar de kerk is nog niet het koninkrijk.

De kerk vertelt in woord en daad het verhaal van het koninkrijk. De geloofsgemeenschap houdt de hoop en verwachting in ons levend. Dat is wat Lucas wil vertellen met wat er gebeurt voorafgaand aan de gelijkenis van het mosterdzaadje. Als Jezus op sabbat in de synagoge is en onderwijs geeft. Waarover? Het lesmateriaal is bij Jezus steeds het koninkrijk van God.

En dan is daar iemand. Iemand waar waarschijnlijk over heen gekeken wordt. Want ze kan niet rechtopstaan, ze is krom gebogen.  En dat is al 18 jaar zo, men weet niet beter dan dat het zo is.

Het komt door een geest die haar ziek maakt, staat er. Dat is in het evangelie geen medische diagnose. Lucas wil ermee zeggen dat haar situatie ergens symbool voor staat. Voor onze menselijke toestand. Dat wij gebukt gaan. Het is de situatie van de Israëlieten in Egypte, als ze gebukt gaan onder dwangarbeid, krom liggen en om hulp roepen. En dan denkt God aan zijn verbond met Abraham.

18 jaar, dat is natuurlijk altijd een vraag, waarom 18 jaar, heeft het getal 18 een betekenis? Je denkt dan aan het zogeheten 18-gebed in de synagoge, met 18 voorbeden die op sabbat werden uitgesproken. Maar dat had toen nog niet die vorm.

Ik vermoed dat de betekenis erin zit dat 18 een meervoud van 6 is en dus niet van 7. Het is sabbat, de 7e dag, maar voor deze vrouw wil het maar geen sabbat worden. 6 is Bijbels het getal van de mens, op de 6e dag wordt de mens geschapen, maar zonder sabbat ben je als mens niet compleet.

Je moet werken en zo, huiswerk maken, stofzuigen, grasmaaien, maar de bedoeling is niet dat je alleen maar over je werk je gebogen bent totdat je krom ligt, de bedoeling is dat je je uitstrekt, je uitstrekt haar Gods koninkrijk.

Want de sabbat staat voor verlossing. Dat je viert, er naar uitkijkt dat deze wereld verlost zal worden. Dat het koninkrijk van God, hoe klein het ook begint, doorzet en zich alom vertakt. ‘De schepping is in grote nood en kijkt reikhalzend uit naar verlossing’, zegt de apostel Paulus.

‘Verlossing’ is het woord is dat Jezus gebruikt. Wees verlost van je zwakheid. Van het in jezelf gekeerd en op jezelf gericht zijn. Luther noemt het in jezelf gekromd zijn.

Jezus maakt dat je wordt opgericht, dat je gericht bent op Gods koninkrijk. Dat is niet alleen de redding van je eigen ziel, maar verlossing voor heel de schepping, voor al wat leeft.

Niet zomaar gebruikt Jezus het voorbeeld van dieren, de os en de ezel die worden losgemaakt, ook op de sabbat, om te laten drinken. De os en de ezel worden immers ook in het sabbatsgebod genoemd. Dan zul je geen werk doen, en ook je os en ezel niet. Het roept ook wel de vraag wakker hoe wij met dieren omgaan, in onze bio-industrie.

En deze dochter van Abraham, zo noemt Jezus de vrouw, laat het voor haar des te meer sabbat zijn.  Zij mag een fiere vrouw zijn, rechtop door het leven gaan. Dat is actueel in deze dagen, waarin we ons bewust zijn van het vele geweld tegen vrouwen. Vrouwen en meisjes moeten veilig over straat kunnen, rechtop kunnen lopen.

 Een dochter van Abraham, zo kun je de kerk, onze gemeente, ook noemen. Als ze een geloofsgemeenschap wil zijn die niet in zichzelf gekeerd is, maar zich uitstrekt naar Gods koninkrijk, zich inzet en bidt voor de verlossing van de wereld.

En, dat is het prachtige van die gelijkenis van het ene mosterdzaadje, met ons kleine daden en kleine geloof kan de Heer iets beginnen. Dat is het koninkrijk van God

Amen.

Practice what you preach

Preek Dorpskerk Barendrecht 22 september bij Deuteronomium 24: 17-22 Jacobus 2:14-26

“Broeders en zusters, wat helpt het ons als iemand zegt te geloven, maar hij handelt er niet naar. Zou het geloof hem soms kunnen redden?” (Jacobus 2)

Na een boswandeling namen wij in aangename herfstweer een trappistenbiertje. Op het bijbehorende glas stond een tekst gegraveerd: “Practice what you preach”. Praktiseer wat je preekt. Dat gaven de monniken van het trappistenklooster ons mooi mee.

Geloof zonder daden is nutteloos, zelfs dood, zegt Jacobus. Is het nodig dat Jacobus tegen ons zegt? zouden we dat niet heel grif beamen. Natuurlijk is dat zo, uit je doen en laten moet blijken dat je geloof echt is, dat je te vertrouwen bent. Betrouwbaar en geloofwaardig. Daar kun je het alleen maar eens zijn. En zo wordt er ook tegen gelovigen aangekeken, ‘practice what you preach’. Doe er wat aan!

Anders werkt het niet, je geloof werkt samen met je doen, geloof is niet werkeloos, betoogt Jacobus. In Gods koninkrijk is altijd wat te doen. Vorige week hoorden we dat Jacobus ook zeggen. “Heb je naaste lief als jezelf, dat is het koninklijk gebod.” De regeringsverklaring van Gods Koninkrijk.

Je geloof werkt samen met je daden. Dat klinkt logisch. Maar Jacobus laat wel merken dat het niet vrijblijvend is. Dat het er dus ook toe doet waar je in gelooft.

Geloof je dat God in barmhartigheid naar ons omziet, ons opzoekt en aanspreekt, dat God één is, zoals Jacobus met de synagoge belijdt: “Hoor Israël, de Heer is onze God, de Eeuwige is één.” Dat houdt in, oprecht en integer en daarom te vertrouwen.

Geloof je dat God zo is? dan ben jij als mens daarop aanspreekbaar. En Jacobus maakt het heel concreet. De medemens zonder eten of zonder kleren die moet door jou gevoed en gekleed worden. Of zeg je met de beste bedoelingen, het ga je goed, veel sterkte, zonder iemand te helpen, slaap lekker buiten. Dat zou toch cynisch zijn.

Het verschil tussen onze leefwereld en die van Jacobus is misschien dat wij, door de bank genomen, minder in de situatie komen dat zo direct een beroep op je wordt gedaan. In onze samenleving houden we de ellende meer op afstand en meer voor onszelf. Het blijft vaak achter de voordeur.

Er wordt wel gezegd dat we in onze tijd door alle media en beelden veel meer meekrijgen van de nood van de wereld, maar daar zit dan een scherm tussen en die kan je uitzetten. Alles afsluiten. (handige functie)

Als ik Jacobus goed begrijp, dan is zijn oproep om die medemens in nood echt binnen te laten komen. Zoals de weerloze hongerlijdende gast echt zijn synagoge binnenkomt. Om je daar niet voor af te sluiten, om je zo op te stellen als geloofsgemeenschap, als diaconie, dat de noodkreten en hulpvragen je daadwerkelijk bereiken.

Dus dat is de uitdaging waar Jacobus mij voor stelt, ben je bereid om jezelf in de situatie te brengen, dat je de armoede en eenzaamheid van je medemens echt meekrijgt. In de Bijbel de ervaren werkelijkheid van de weduwe, de wees en de vreemdeling te gast.

Wat weet ik daar eigenlijk van? Wat ik meekrijg van huishoudens die bijvoorbeeld kampen met schulden, in de schuldsanering zitten, is het schrijnende er van. Dat je denkt dat, dit bestaat in Nederland. Hoe lastig het vaak is om structureel te helpen, maar ook hoeveel mensen gebaat kunnen zijn, met gewoon een boodschappenpakket, een stofzuiger of een paar nieuwe schoenen.

Dus er zijn genoeg situaties waarin je die woorden van Jacobus letterlijk moet nemen. Gewoon doen, wanneer je in de gelegenheid bent.

Deuteronomium spreekt net als Jacobus over het voeden en kleden van wie diep in de penarie zitten. Mozes herhaalt het steeds: verplaats je in hun situatie. Bedenk dat God jou ook moest vrijkopen uit Egypte. Dan weet je hoe het is. Hoe belangrijk het is om je eigenwaarde te behouden.  

Dat je niet in een precaire situatie wordt gedwongen, zoals de weduwe met een betalingsachterstand die haar bovenkleed in onderpand moet doen, zich bloot moet geven, met andere woorden in de prostitutie belandt, haar eer moet verkopen om te overleven.

Dat je niet hoeft af te wachten of er iets voor je overschiet, maar dat je zelf iets kunt doen om inkomen te verkrijgen. De aren die blijven liggen aan de rand van de akker, de druiven en de olijven die in de boom blijven hangen, die zijn er voor jou. Je hebt er recht op.

 Het recht van de vreemdeling mag niet gebogen worden zegt Mozes profetisch, Deuteronomium denkt dan aan minderheden, de arbeidsmigrant, die je niet moet uitbuiten, een fatsoenlijk loon moet geven.

Dat heeft met geloof te maken, want God vraagt het van je en zegt: daarom gebied ik je dit te doen, zo klinkt er steeds in de Tora. Omdat je het zelf hebt meegemaakt, omdat je er over mee kan praten wat het is om gered te worden, vrijgekocht, uit de ellende bevrijd, daarom zie je je naast als iemand die is zoals jij.

Dat is de solidariteit, waarin de Eeuwige zelf ons voorgaat. Hij is afgedaald om jou te redden. In die barmhartigheid is Hij onze God.

En dan geeft Jacobus twee voorbeelden die nogal te denken geven om aan te tonen dat geloof, betrouwbaarheid, gepaard gaat met daden. Abraham en Rachab.

Eerst Abraham die bereid was zijn zoon te offeren. Zodoende werd hij door God rechtvaardig verklaard. Heel typisch dat collega Paulus het voorbeeld van Abraham andersom gebruikt, om aan te tonen dat goede werken zonder vertrouwen nutteloos zijn. Jacobus bekijkt het precies van de andere kant: zonder bijbehorende daden is vertrouwen zinloos. (Zo meerstemmig is de Bijbel dus.)

Maar het voorbeeld zelf roept natuurlijk vragen op. Abraham die gehoorzaamt als hij opdracht krijgt zijn zoon te offeren. Toen we dit aan tafel lazen, vonden onze kinderen het geen goed voorbeeld. Gelukkig maar.  Het verhaal uit Genesis zelf, in de Joodse traditie, de binding van Izaäk geheten, heeft meerdere lagen. Het gaat over de geloofsgehoorzaamheid, het vertrouwen van Abraham. Maar de uitkomst is tenslotte is dat God het offer verhindert, deze God wil geen mensenoffers. Laat dat duidelijk zijn. En de stem die Abraham hoort, zegt: laat je zoon, je enige opgaan, omhoog. Dat is de technische term voor een offer. Maar bij nader inzien kan het ook duiden op het beklimmen van de berg. Zo gingen zij beide tezamen.

Hoe Jacobus de binding van Izaäk verstaan heeft… ? Juist dit voorbeeld geeft aan dat het doen van het geloof nog niet zo eenvoudig is, lang niet altijd zo eenduidig, waar doe je goed aan. Gaandeweg zal het blijken. In de geloofspraktijk leer je steeds bij.

 Gisteren hadden we als kerkenraden van de Bethelkerk en Dorpskerk een gezamenlijke heidag over een gezamenlijke toekomst. Op de hei van Carnisse Haven. En dan ben je er ook niet in een keer uit, waar doe je goed aan, je kunt van de ander en van je eigen kerk toch niet vragen alles op te offeren, maar je kunt elkaar wel leren vertrouwen door samen te werken, het woord dat Jacobus ook gebruikt. Zo gingen die beiden tezamen…

En dan Rachab, ook al zo’n twijfelachtig voorbeeld. De prostituee van Jericho. En dan de verkenners, op onderzoek in het beloofde land, die heel toevallig bij haar terecht komen. Jacobus noemt ze ironisch boodschappers, engelen, maar dat waren ze natuurlijk niet.

Ik vermoed dat Jacobus het voorbeeld van Rachab noemt om ons te behoeden voor perfectionisme. Het is niet zo dat je pas goed kan doen als je helemaal zuiver bent. Je krijgt geen leefbare samenleving als je van elkaar en van jezelf eist dat er niets op je aan te merken is. Bij Rachab hebben critici vast gedacht dat haar gastvrije bed, bad en brood-regeling soberder kon,  maar ze was hulpvaardig toen het er op aan kwam. En daarmee heeft ze mensen in nood gered.

Kan het geloof je redden, vraagt Jacobus ons. Geloof je in God die mensen redt, dan geloof je in een samenleving waarin mensen die het niet redden, worden geholpen. Practice what you preach!