
Ik ben de deur, wanneer iemand door mij binnenkomt, zul je gered worden, in en uitlopen en weidegrond vinden. (Johannes 10:9)
Het is vandaag roepingenzondag in veel kerken, in navolging van de roepstem waarmee Jezus Petrus roept: hoed mijn schapen, weid mijn lammeren. De kerk heeft herders nodig, voorgangers, priesters, ambtsdragers en op veel plaatsen is er een tekort aan pastores. Maar geroepen wordt je vooral als gemeente, als kudde. Zoals in Jesaja de sterren tevoorschijn worden geroepen, als leger van de Heer, in het gelid. Bij name genoemd en gekend.
Maar willen we nog bij een kudde horen of zijn we liever autonoom en soeverein. Onafhankelijk en zelfredzaam. De toverwoorden van deze tijd.
Om die gemeenschap is het in Johannes 10 te doen, maar schapen zijn in de regel niet zo volgzaam, ze gaan hun eigen gang, ze dwalen af, ze raken van het pad. De Goede Herder kent ze, weet hoe ze zijn.
Een samenleving heeft herders nodig, aan wie het wordt toevertrouwd om ons in goede banen te leiden. Zorgverleners, onderwijzers, politiemensen, hulpdiensten hebben een herderlijke taak, eigenlijk heeft ieder beroep wel een pastorale kant. Als het goed is wordt er naar hen geluisterd als ze hun taak uitoefenen.
Als er niet geluisterd wordt gaat het mis. Als hulpverleners worden gehinderd of erger nog aangevallen. Vorig weekend is er een conducteur mishandeld in de trein. Dat schaadt de veiligheid, het veiligheidsgevoel van alle reizigers.
In mijn eerste gemeente was ik een keer op bezoek bij iemand in het ziekenhuis, het was een man die vroeger schapen had gehad en toen het daar over ging, wilde ik als dominee het gesprek op de goede herder brengen. Maar hij was meer gefascineerd door de wolf, want hij had ooit meegemaakt, vertelde hij, hoe een dolle hond meerdere van zijn schapen had doodgebeten. De baas van de hond ontkende dat, maar hij de hond had de wol nog in zijn bek. Ik hoor het hem nog zeggen.
En daar heb ik van geleerd dat de gelijkenis die Jezus hier vertelt geen ideaalplaatje is, geen idyllisch beeld, maar een harde, gevaarlijke werkelijkheid. Je ziet de wolf aankomen, de huurling laat de schapen achter en vlucht, er ontstaat paniek bij de schapen, de wolf grijpt ze en jaagt ze uiteen.
Een uiteengeslagen, opgejaagde en op hol geslagen samenleving. Mensen zijn bang, want ze zien een wolf op zich afkomen, de dreiging van gevaar. Het zijn
de minder goede herders, die de angstbeelden aanwakkeren en de schapen in de steek laten. Ik denk dan aan leiders die de rechtstaat niet hoeden, bij wie de democratie niet veilig is en die verdeeldheid zaaien.
Het is een gelijkenis die Jezus vertelt, een gelijkenis heeft meerdere betekenislagen. Voordat hij zich als goede herder presenteert, omdat de schapen zijn roepstem herkennen, omdat hij ze kent en om ze geeft, ze liefheeft, legt hij de nadruk op de poort van de schaapskooi, het hek in de omheining, de deur.
En dan is het beeld in eerste instantie niet dat de schapen door die poort naar binnen gaan, maar de herder. Die zoekt toegang tot wie hem toebehoren. Niet door over de muur te klimmen of een tunnel te graven zoals een rover en een dief doen die de schapen komen stelen. Maar door de poort, dat lijkt misschien een open deur, maar juist die deur is bewaakt, beveiligd. In de gelijkenis staat daar een poortwachter, daar kom je niet zo maar langs. Kafka heeft daar een verhaal over geschreven.
Jezus zegt daarmee dat het hem moeite kost om zijn kudde te bereiken, om bij ons binnen te komen, zo lees ik dat, want wij hebben ons verschanst en een extra slot op de deur gedaan. Maar omdat hij ze kent, herkennen de schapen zijn stem. Hij kent ze zelfs bij name, eigenlijk een opmerkelijk gegeven in de gelijkenis. Op de boerderij van mijn opa hadden de koeien een naam, maar de schapen niet. Hier wel. De herder roept ze bij hun naam.
En hij roept ze naar buiten
Ook op deze roepingenzondag hoeven we er niet over in te zitten hoe we zoveel mogelijk schapen binnen krijgen in de kerk, daar is Jezus niet mee bezig, er is 1 kudde, die bij de ene herder hoort.
De schapen hoeven hier niet naar de schaapskooi te worden geleid, nee ze worden uitgeleid, naar buiten geroepen, dat is wat de stem van de herder doet, de buitenwereld in, daar vinden ze leven en overvloed, ook al zijn daar ook wolven.
En daarbuiten komen ze ook andere schapen tegen, die van een andere stal zijn, maar ze horen volgens de herder ook bij de kudde: “Ik ben de deur, wanneer iemand door mij binnenkomt, zul je gered worden, in en uitlopen en weidegrond vinden.”
Ja, hoe komen deze woorden van Jezus binnen in een wereld waarin mensen zich ontheemd en onveilig voelen, als schapen zonder herder. En aan de andere kant ook ongebonden willen zijn, hun eigen pad uitstippelen. Autonoom en Soeverein.
Jezus heeft het over gered worden. Van de wolf die op je afkomt. Die verscheurt en uit een jaagt. Van rover die steelt en slacht. Ik ben de goede herder. Die zich met zijn leven, met lichaam en ziel inzet, het leven laat, om jou te redden van de dood. Gered word je ook van je eenzaamheid en zelfredzaamheid.
Redding waardoor je je veilig voelt. Om in en uit te lopen en weide te vinden. Naar binnen en naar buiten, de wei in. Naar binnen, omdat je als mens ook een binnen nodig hebt, een gemeenschap waar je thuis bent, een omheining waarbinnen je veilig bent, dat er herders en poortwachters zijn die dat bewaken, ook in de kerk, vertrouwenspersonen, kosters en herbergiers die je verwelkomen en gastvrij opvangen. Gastadressen die hun huis openstellen voor groothuisbezoek.
Naar binnen gaan betekent ook dat je een binnenwereld hebt, een geweten waarin je de stem van de herder hoort, de mystieke kant van het geloof, bevinding.
En dan ook naar buiten, uit je comfort zone heet dat, dat je niet louter wolven en beren op de weg ziet, dat je je niet bang laat maken, omdat je weet dat de goede herder er ook in die buitenwereld is, omdat er leven en overvloed is en daar horen ook schapen van andere kuddes bij, dan denk ik aan andere kerken, de oecumene, maar ook aan andere religies en culturen.
Luisteren naar de goede herder betekent zowel de weg naar binnen als naar buiten gaan. En om met Jesaja te spreken, dan wordt je niet moe en moedeloos, dan sla je vleugels uit en dan ontvang je nieuwe kracht.
Wat tenslotte opvalt in de profetie van Jesaja is dat hij het opneemt tegen een ervaring van moedeloosheid en onmacht en dat die ervaring voortkomt uit een gevoel van miskend worden. Het volk zegt namelijk: ‘mijn weg blijft voor de Heer verborgen, mijn God heeft geen oog voor mijn recht.’ En dat is universeel, als mensen zich miskend en ongezien voelen dan willen we geen onderdeel meer zijn van de kudde, dan haken ze af, dan worden ze soeverein of autonoom, willen ze geen herder of hoeder voor elkander zijn. Laat dat de roeping voor ons zijn als gemeente en geloofsgemeenschap, om oog te krijgen voor wie onrecht lijdt, om een reisgenoot te zijn voor wie een moeilijke weg heeft te gaan, omdat we weten van een herder die ieder bij name kent. Die zijn leven geeft om jou te redden.
Preek Dorpskerk Barendrecht, 21 april 2024









