De Goede Herder

Christus en Johannes, museum Mayer van den Bergh Antwerpen

Ik ben de deur, wanneer iemand door mij binnenkomt, zul je gered worden, in en uitlopen en weidegrond vinden. (Johannes 10:9)

Het is vandaag roepingenzondag in veel kerken, in navolging van de roepstem waarmee Jezus Petrus roept: hoed mijn schapen, weid mijn lammeren. De kerk heeft herders nodig, voorgangers, priesters, ambtsdragers en op veel plaatsen is er een tekort aan pastores. Maar geroepen wordt je vooral als gemeente, als kudde. Zoals in Jesaja de sterren tevoorschijn worden geroepen, als leger van de Heer, in het gelid. Bij name genoemd en gekend.

Maar willen we nog bij een kudde horen of zijn we liever autonoom en soeverein. Onafhankelijk en zelfredzaam. De toverwoorden van deze tijd.

Om die gemeenschap is het in Johannes 10 te doen, maar schapen zijn in de regel niet zo volgzaam, ze gaan hun eigen gang, ze dwalen af, ze raken van het pad.  De Goede Herder kent ze, weet hoe ze zijn.

Een samenleving heeft herders nodig, aan wie het wordt toevertrouwd om ons in goede banen te leiden. Zorgverleners, onderwijzers, politiemensen, hulpdiensten hebben een herderlijke taak, eigenlijk heeft ieder beroep wel een pastorale kant. Als het goed is wordt er naar hen geluisterd als ze hun taak uitoefenen.

Als er niet geluisterd wordt gaat het mis. Als hulpverleners worden gehinderd of erger nog aangevallen. Vorig weekend is er een conducteur mishandeld in de trein. Dat schaadt de veiligheid, het veiligheidsgevoel van alle reizigers.

In mijn eerste gemeente was ik een keer op bezoek bij iemand in het ziekenhuis, het was een man die vroeger schapen had gehad en toen het daar over ging, wilde ik als dominee het gesprek op de goede herder brengen. Maar hij was meer gefascineerd door de wolf, want hij had ooit meegemaakt, vertelde hij, hoe een dolle hond meerdere van zijn schapen had doodgebeten. De baas van de hond ontkende dat, maar hij de hond had de wol nog in zijn bek. Ik hoor het hem nog zeggen.

En daar heb ik van geleerd dat de gelijkenis die Jezus hier vertelt geen ideaalplaatje is, geen idyllisch beeld, maar een harde, gevaarlijke werkelijkheid. Je ziet de wolf aankomen, de huurling laat de schapen achter en vlucht, er ontstaat paniek bij de schapen, de wolf grijpt ze en jaagt ze uiteen.

Een uiteengeslagen, opgejaagde en op hol geslagen samenleving. Mensen zijn bang, want ze zien een wolf op zich afkomen, de dreiging van gevaar. Het zijn

de minder goede herders, die de angstbeelden aanwakkeren en de schapen in de steek laten. Ik denk dan aan leiders die de rechtstaat niet hoeden, bij wie de democratie niet veilig is en die verdeeldheid zaaien.

Het is een gelijkenis die Jezus vertelt, een gelijkenis heeft meerdere betekenislagen. Voordat hij zich als goede herder presenteert, omdat de schapen zijn roepstem herkennen, omdat hij ze kent en om ze geeft, ze liefheeft, legt hij de nadruk op de poort van de schaapskooi, het hek in de omheining, de deur.

En dan is het beeld in eerste instantie niet dat de schapen door die poort naar binnen gaan, maar de herder. Die zoekt toegang tot wie hem toebehoren. Niet door over de muur te klimmen of een tunnel te graven zoals een rover en een dief doen die de schapen komen stelen. Maar door de poort, dat lijkt misschien een open deur, maar juist die deur is bewaakt, beveiligd. In de gelijkenis staat daar een poortwachter, daar kom je niet zo maar langs. Kafka heeft daar een verhaal over geschreven.

Jezus zegt daarmee dat het hem moeite kost om zijn kudde te bereiken, om bij ons binnen te komen, zo lees ik dat, want wij hebben ons verschanst en een extra slot op de deur gedaan. Maar omdat hij ze kent, herkennen de schapen zijn stem. Hij kent ze zelfs bij name, eigenlijk een opmerkelijk gegeven in de gelijkenis. Op de boerderij van mijn opa hadden de koeien een naam, maar de schapen niet. Hier wel. De herder roept ze bij hun naam.

En hij roept ze naar buiten

Ook op deze roepingenzondag hoeven we er niet over in te zitten hoe we zoveel mogelijk schapen binnen krijgen in de kerk, daar is Jezus niet mee bezig, er is 1 kudde, die bij de ene herder hoort.

De schapen hoeven hier niet naar de schaapskooi te worden geleid, nee ze worden uitgeleid, naar buiten geroepen, dat is wat de stem van de herder doet, de buitenwereld in, daar vinden ze leven en overvloed, ook al zijn daar ook wolven.

En daarbuiten komen ze ook andere schapen tegen, die van een andere stal zijn, maar ze horen volgens de herder ook bij de kudde: “Ik ben de deur, wanneer iemand door mij binnenkomt, zul je gered worden, in en uitlopen en weidegrond vinden.

Ja, hoe komen deze woorden van Jezus binnen in een wereld waarin mensen zich ontheemd en onveilig voelen, als schapen zonder herder. En aan de andere kant ook ongebonden willen zijn, hun eigen pad uitstippelen. Autonoom en Soeverein.

Jezus heeft het over gered worden. Van de wolf die op je afkomt. Die verscheurt en uit een jaagt. Van rover die steelt en slacht. Ik ben de goede herder. Die zich met zijn leven, met lichaam en ziel inzet, het leven laat, om jou te redden van de dood. Gered word je ook van je eenzaamheid en zelfredzaamheid.

Redding waardoor je je veilig voelt. Om in en uit te lopen en weide te vinden. Naar binnen en naar buiten, de wei in. Naar binnen, omdat je als mens ook een binnen nodig hebt, een gemeenschap waar je thuis bent, een omheining waarbinnen je veilig bent, dat er herders en poortwachters zijn die dat bewaken, ook in de kerk, vertrouwenspersonen, kosters en herbergiers die je verwelkomen en gastvrij opvangen. Gastadressen die hun huis openstellen voor groothuisbezoek.

Naar binnen gaan betekent ook dat je een binnenwereld hebt, een geweten waarin je de stem van de herder hoort, de mystieke kant van het geloof, bevinding.

En dan ook naar buiten, uit je comfort zone heet dat, dat je niet louter wolven en beren op de weg ziet, dat je je niet bang laat maken, omdat je weet dat de goede herder er ook in die buitenwereld is, omdat er leven en overvloed is en daar horen ook schapen van andere kuddes bij, dan denk ik aan andere kerken, de oecumene, maar ook aan andere religies en culturen.

Luisteren naar de goede herder betekent zowel de weg naar binnen als naar buiten gaan. En om met Jesaja te spreken, dan wordt je niet moe en moedeloos, dan sla je vleugels uit en dan ontvang je nieuwe kracht.

Wat tenslotte opvalt in de profetie van Jesaja is dat hij het opneemt tegen een ervaring van moedeloosheid en onmacht en dat die ervaring voortkomt uit een gevoel van miskend worden. Het volk zegt namelijk: ‘mijn weg blijft voor de Heer verborgen, mijn God heeft geen oog voor mijn recht.’ En dat is universeel, als mensen zich miskend en ongezien voelen dan willen we geen onderdeel meer zijn van de kudde, dan haken ze af, dan worden ze soeverein of autonoom, willen ze geen herder of hoeder voor elkander zijn. Laat dat de roeping voor ons zijn als gemeente en geloofsgemeenschap, om oog te krijgen voor wie onrecht lijdt, om een reisgenoot te zijn voor wie een moeilijke weg heeft te gaan, omdat we weten van een herder die ieder bij name kent. Die zijn leven geeft om jou te redden.

Preek Dorpskerk Barendrecht, 21 april 2024

Pinksteren – Blijf de aarde trouw

Peter Paul Rubens, Nederdaling van de Heilige Geest, KMSKA, artinflanders.be

 “Blijf de aarde trouw, broeders”, zo spreekt de filosoof Friedrich Nietzsche in een van zijn werken, hij bedoelde dat anti-christelijk, want het hemelgeloof van zijn tijdgenoten nam hij maar wat graag op de korrel. Maar het zou zomaar kunnen dat dit devies ‘blijf de aarde trouw’ heel sterk overeenkomt met de betekenis van het Pinksterfeest, want wat er met Pinksteren gebeurt is dat God de aarde trouw blijft, zijn vurige liefde betoont. Niet voor niets heet de Pinkstercantate van Joh. Seb. Bach ‘o Ewiges Feuer, o Ursprung der Liebe’. Pure hartstocht.

Blijf de aarde trouw, dat is eigenlijk al het thema van Hemelvaart. . Het voorprogramma van Pinksteren, want als de Heer is opgestegen, krijgen de leerlingen te horen dat ze niet naar boven moeten blijven staren: “Galileeërs, wat staan jullie naar de hemel te kijken, Jezus die uit jullie midden in de hemel is opgenomen, zal op dezelfde wijze terugkomen.” De blik van de discipelen wordt zo weer terug geleid naar de aardse realiteit.

En met Pinksteren wordt duidelijk dat het waar is dat God de wereld liefheeft, heel de aarde komt in beeld, alle volken en talen, God laat niet langer op zich wachten, maar komt als heilige geest over de discipelen en de vonk slaat over naar allen die daar in Jeruzalem aanwezig zijn, vanwege het Pinksterfeest.

Want dat werd dus al gevierd, en die joodse oorsprong van Pinksteren is van belang, het is niet van joods in een christelijk feest veranderd, het is een samenhangend Bijbels gebeuren. Het wordt wel eens verzucht:‘wat vieren we nu eigenlijk met Pinksteren, wat moet ik me voorstellen bij de Heilige Geest?’

Dan moet je eerst bedenken waarom in het Nieuwtestamentische boek Handelingen allen bijeen zijn op dat Pinksterfeest, 50 dagen na Pesach en waarom al die mensen in Jeruzalem verzameld zijn. Dat is om te vieren dat de Eeuwige een verbond heeft gesloten met zijn volk bij de berg Sinaï, als ze Egypte ontvlucht zijn en in de woestijn beland. Op voorspraak van Mozes hebben ze zich laten meenemen, in naam van een hen onbekende God en daar bij de berg Sinaï, daar leren ze deze God echt kennen, want de Eeuwige daalt af,  komt naar de aarde toe.

Met Pinksteren wordt in de synagoge gelezen, uit Exodus 19 en 20 waar de Eeuwige neerdaalt op de berg Sinaï om het volk een verbond (met de 10 leefregels!) aan te bieden. Een regeerakkoord waardoor je zult leven.

Maar als God verschijnt, daar op de berg, is dat een heftig incident, om het zomaar te noemen. De aarde schudt op haar grondvesten, donder en bliksem, een angstaanjagend natuurgeweld, God daalt af in vuur, alles in lichterlaaie, mensen die hier in Barendrecht de brand bij ‘de Kleine Duiker’ hebben gezien, kunnen invoelen hoe overweldigend dat is.

De aanwezigheid van God is wel eens omschreven als fascinerend en vreeswekkend tegelijkertijd. Je staat te trillen op je benen.

Maar let op, God verschijnt, daalt af, om een verbond aan te bieden, om zijn volk te vragen het met zijn geboden te wagen, om voortaan samen op te trekken. En je zou kunnen denken, als God dat wil, dan zit zijn verschijning hem wel wat in de weg. Als die zoveel schrik aanjaagt.

Dus daar zat ik over na te denken, als het God te doen is om dat verbond, waarom dan fascinerende en vreeswekkende natuurverschijnselen, die je de stuipen op het lijf jagen bij dat Pinkstergebeuren, de uitstorting van de Geest, zowel in Exodus als in Handelingen.

Daar zat ik over na te denken en toen was ik afgelopen woensdag hier in de kerk bij de voorstelling ‘de kleine goedheid’ van Pauline Seebrechts en zij vertelde hoe overweldigend, hoe schokkend het is… om een medemens (in nood) werkelijk te zien. Om het lijden van een ander tot je door te laten dringen. Kijk en laat je raken, was haar samenvatting van het denken  van de Joodse filosoof Levinas.

Met God mee gaan ademen…

Want de aarde trouw blijven, de medemens zijn toegedaan, dat is geen eenvoudige opgave, daar zit spanning op, de vonken springen ervan af, dat de volken elkaar werkelijk gaan verstaan, dat is allerminst vanzelfsprekend, dat knettert en dat knalt.

Dus ik denk dat het vuur en de bevingen en de donderslagen bij dat neerdalen van God, dat is meer dan decor, dat laat zien dat het in die vurige hartewens  van God om met zijn mensen op te trekken, om iets ontzettend spannends gaat, dat God daar zelf in vrees en beven aan begint, het is gevaarlijk terrein.

Het vuur dat uit de hemel neerdaalt, dat is Gods Geest en die zet je er toe aan om een coalitie aan te gaan met deze God, en dat is ergens spelen met vuur. Om in een moeilijke situatie je geweten te volgen. Om de schokkende ervaring dat een medemens je vraagt om recht te doen. Om te  blijven geloven in een wereld waarin de volken elkaar verstaan.

Er is een rabbijnse legende  die vertelt  dat toen Mozes opsteeg naar de hemel om de Tora te ontvangen, die dienende engelen protesteerden bij God. “waarom geeft U het kostbaarste bezit aan stervelingen en niet aan ons.” God vroeg aan Mozes om antwoord te geven: Mozes keerde zich naar de engelen en zei: Er staat in de Tora: ‘neem de sabbat in acht, want het is een heilige dag”. Werken jullie, engelen, zodat jullie een rustdag nodig hebben? Er staat in de Tora ‘Toon eerbied voor jullie vader en moeder.’ Hebben jullie ouders die eer behoeven? Er staat in de Tora: ‘pleeg geen overspel.’ Hebben jullie, engelen, een neiging tot overspel zodat een dergelijk gebod noodzakelijk is?’ Daarop hielden de engelen op om bezwaar te maken.

Deze legende vertelt dat het deze aardse werkelijkheid van pijn en moeite, van zorg en spanning is, waar God zich mee verbindt, waar hij zijn regeerakkoord voor heeft geschreven, waarin zijn Geest afdaalt. Om bondgenoten en geestverwanten te zoeken.

God bllijft de aarde trouw. En Pinksteren roept je op om met God mee te gaan ademen.

Wanneer Petrus tijdens dit feest dankzij de uitstorting van de geest de menigte toespreekt, wordt hij geïnspireerd door de profetie van Joël: “Ik zal mijn geest (Hebreeuw ‘Ruach’: adem, wind) uitstorten op al wat leeft’.

God daalt af, wil wonen in onze werkelijkheid. Ik zal mijn Geest uitstorten op al wat leeft. Preciezer vertaalt staat er ‘op elk vlees’. Alle vlees staat er in oudere vertalingen, onze sterfelijke realiteit. Dat lastige leven van ons.

Blijf de aarde trouw, zusters en broeders, want God blaast zijn geest over je heen om op deze aarde daadwerkelijk zijn bondgenoot en geestverwant  te zijn. Amen

Het gebed van God

Hendrick ter Brugghen, de Annunciatie, 1629, stedelijk museum Diest, beeld artinflanders.be

Onze krant opende deze week met een minder leuke kerstboodschap. Het christendom inspireert nog amper stond er op de voor. Een op de 5 Nederlanders vindt Jezus nog relevant. Dat blijkt uit een onderzoek van de EO. ‘Een levensbeschouwelijke ramp’ wordt het genoemd.

Nu zal je dat misschien niet verrassen en de uitkomst van de enquête heeft wellicht ook met de insteek van de Evangelische Omroep te maken die erg op het zenden van een boodschap is gericht, op relevant en zichtbaar zijn, terwijl het in het geloof toch echt van de andere kant moet komen en het er juist om gaat dat God in het verborgene werkt.

Toch voel ik wel iets van pijn, als ik het lees, vooral omdat ik het herken, om me heen, ergens toch ook bij mezelf. Ik ervaar het als verlies dat Jezus het aflegt tegen de influencers en trendsetters van onze tijd.

En het helpt ook niet echt als een nieuw verkozen 2e kamervoorzitter met een op zich oprecht gebed van Gerard Reve afsluit. Daar wordt je als kerk ook weer op aangekeken en afgerekend.

Maar, eigenlijk is het zo logisch, want als Maria zich al afvraagt ‘hoe kan dit’ en wat heeft dit te betekenen’, wat zouden wij er dan mee kunnen? Want het is zo’n apart verhaal en er zitten ook denkbeelden in over relaties en seksualiteit die niet per se de onze zijn. Dat Gabriël Maria komt vertellen wat er gaat gebeuren en zij moet zich daar dan maar in schikken. Vreemde geschiedenis.

Hebben we meer Maria nodig? dat zou kunnen. Een jonge vrouw die het heil draagt en bewaart in haar hart, die met een mooi Duits woord Hoffnungsträger wordt. Gezegend onder de vrouwen. Zij zegt, hier ben ik, stapt uit de schaduw, hier komt een mens aan het licht, waar de gangbare geschiedschrijving aan voorbij was gegaan. Zij inspireert, juist omdat ze zelf niet zo nodig relevant wil zijn.

Dat gedicht van Reve heet trouwens dagsluiting, het gaat zo:

Eigenlijk geloof ik niets en twijfel ik aan alles,

maar soms wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft,

dan denk ik dat Gij liefde zijt en eenzaam

en dat in zelfde wanhoop, Gij mij zoekt,  als ik U.

Toch niet alleen maar ironie dit gebed, meer dan nostalgie. Ergens is dit de boodschap van Kerst, dat God onze eenzaamheid doorbreekt.

Hier ben ik, de Heer wil ik dienen en dat uit zich in dat prachtige gedicht dat wij hebben gezongen als de lofzang van Maria, is in kloosters de dagsluiting/ het avondgebed. ‘Mijn ziel maakt groot de Heer.’

 Daarvoor hoeft ze zelf niet uit te blinken en te excelleren, God heeft haar gezien in haar lage staat, in haar netelige positie, juist als ongehuwde moeder, dan stond je maatschappelijk niet hoog in aanzien, dan wilde je je misschien het liefst verstoppen. Maar Maria stapt naar voren. Alle generaties zullen haar gelukkig prijzen. Dus niet dat ze klein of min denkt over zich zelf, maar de lofprijzing haalt haar uit haar isolement.

En dan komt heel de geschiedenis van het volk Israël mee. Het verbond van deze God die bondgenoten zoekt, verbondspartners die zeggen: ‘hier ben ik’. Zoals Abraham deed en Mozes.

‘De Heer wil ik dienen, mij geschiedde naar uw woord’, zegt Maria tegen Gabriël, laat met mij gebeuren zoals u heeft gezegd. ‘Fiat’, staat er in de latijnse vertaling, laat gebeuren, zij geeft haar fiat. Dat is meer dan  ‘het zij zo’. Ook al is ze totaal overrompeld, ze is er helemaal bij, zij doet mee. De God van het verbond handelt niet zonder zijn mensen erbij te betrekken.

Vandaar dat de kerk bij deze Adventszondag de tekst uit Jesaja heeft uitgekozen. Over de samenwerking tussen hemel en aarde.  Dauwt hemelen. Een beeld uit de natuur, bij natuurkunde moet je dat leren wat condenseren is. En laat de aarde zich openen, zodat redding zal ontkiemen. In een traditioneel commentaar wordt de betekenis hiervan gezocht in de zekerheid dat dit gaat gebeuren.

Zo zeker als de akker gewas voortbrengt wanneer het regent, zo zeker komen Gods beloften uit. Volgens mij ligt de gelijkenis meer in de wisselwerking, de interactie. De redding die God brengt komt van boven, maar ook van beneden. Laat de aarde en daar zijn wij aardbewoners mee bedoeld, gerechtigheid voortbrengen. Dat is volgens Jesaja Gods gebed aan ons. Laat er in deze wereld iets van terecht komen….

De engel Gabriël zegt tegen Maria: Je zult hem Jezus noemen: Jeshua in het Hebreeuws .Redder of redding. Het is de redding waar God om bidt en naar verlangt in Jesaja 45: laat er redding ontkiemen.

Wat Jezus in onze tijd een beroerde uitgangspositie lijkt te geven, is nog het meest de afwezigheid van reddingsbehoefte. Waar hebben wij Jezus eigenlijk voor nodig. Hoe zou Jezus ons kunnen redden en waarvan eigenlijk? Een levensbeschouwelijke ramp voelt niet als een echte ramp. We denken het wel te redden en we zien wel waar we onze inspiratie vandaan halen.

 Miskotte noemt dat al in 1936 het ontzettende geheim van deze tijd, in een kerstbrief aan zijn gemeente, Haarlem: “Wij hebben God niet meer nodig.(…) deze hartverscheurende en zalige krampachtigheid vieren wij de zinloosheid van het mens-zijn als had het tóch een zin: de dappere eenzaamheid, de dappere dood.”

Maar lees Jesaja 45: dauwt hemelen: er is een God die vurig naar redding verlangt, voor wie opgesloten zitten in het duister, vluchtelingen in hun kampen, vervolgde christenen, Oekraïeners in hun schuilkelders, Russische soldaten die naar het front worden gestuurd, Israëliers die gegijzeld zijn, inwoners van Gaza die geen kant op kunnen.

En die ook jou en mij wil bevrijden van je onvrede, je onbehagen, je zelfgenoegzaamheid. Open je daarvoor. Dat is Gods gebed.

Preek 4e Advent bij Jesaja 45:8 en Lucas 1

een berg verzetten in borderline times

Genadestoel, Suermond-Ludwig Museum Aken

Preek 3 september Dorpskerk Barendrecht bij Matteüs 17:14-21

Kan geloof bergen verzetten? zeg het maar, wat denk je, zou het mogelijk zijn. Niets is onmogelijk voor wie gelooft, ik hoorde die tekst notabene pas in een autoreclame. Als een succesformule. Dat is niet het geloof dat Jezus ons wil leren, ik zeg het maar meteen. Geloof is geen recept tegen alle mogelijke kwalen, geen garantie voor een 100% geslaagd leven. Niet voor niets zegt de apostel: “Al had ik geloof, dat bergen kon verzetten, maar had ik de liefde niet, ik zou niets zijn.”

Jezus heeft het in Matteus niet over bergen, maar over ‘déze (ene) berg verplaatsen’. En dan bedoelt hij de berg waar hij zojuist vanaf gedaald is. De berg waar hij Mozes en Elia heeft ontmoet, de Tora en de profeten. De berg waar hij in het licht wordt gezet, verheerlijkt. De berg waar een hemelse stem speekt: dit is mijn geliefde  Zoon, in hem vind ik vreugde. De berg waar Jezus echter niet kon blijven, ook al wilde Petrus dat wel. En bij het afdalen spreekt hij over zijn lijden, en opstanding.

Díe berg wordt verplaatst, overgezet in het leven van een mens, daar geplant als een zaadje. Want daar beneden die berg is een mens, een vader die bezorgd is om zijn kind. Een jongen die vreselijk lijdt volgens zijn vader, er slecht aan toe is, van het ene in het andere valt. Maanziek noemt Matteus het, een wat mysterieuze term, in het engels zou het letterlijk  ‘lunatic’ zijn, gewoon een beetje gek. Of is het toch een ernstige, gevaarlijke vorm van vallende ziekte. Soms valt hij in het water, soms in het vuur…

Een bezorgde vader, het valt mij niet moeilijk om mezelf daarmee te identificeren, ik zie overal gevaar volgens mijn kinderen. ‘Pas je op dat’ .. ‘ik ben  niet gek’, zeggen ze dan.

Wat Jezus doet is de demon  bestraffen en weg laten gaan uit de jongen. Met een eenvoudige terechtwijzing. Ik stel me dat zo voor dat hij de jongen gerust stelt, kalmeert. De angst en wanhoop die van de vader op het kind waren overgeslagen, neemt hij weg. Een duivel uitdrijven, heeft in de bijbel altijd te maken met ‘de menselijkheid terugbrengen’, je valt niet samen met de ziekte die je hebt, je bent niet alleen maar patient, niet louter zorgenkind of hoofdpijndossier.

Zo zie ik het voor me, maar het gaat niet om een geïsoleerd geval:  Jezus wordt zodra hij van de berg afkomt voor de voeten geworpen dat er op aarde lijden is en de discipelen vragen vertwijfeld: waarom kunnen wij daar niets tegen doen?

En dat valt verkeerd bij Jezus, hoezo kunnen jullie niets doen? Denk aan de berg, waar we vandaan komen, aan Mozes en Elia, oftwel de Tora en de profeten, die vertellen wat je wel kan doen, geloof daarin, dat is je toevertrouwd. Dat is toch de berg van het verbond. Denk aan de berg en die stem, dit is mijn Zoon, in hem vind Ik vreugde.

Deze berg, de berg van het verbond, de berg waar die stem klinkt, is verplaatsbaar,  ook naar de situatie van deze bezorgde lijdende vader, zodat hij  weer vreugde vindt in zijn kind, vertrouwen krijgt.

En de discipelen krijgen genadig op hun donder van Jezus. O ongelovig volk, hoe lang moet ik nog bij jullie zijn. Jullie verdraaien het geloof. Omdat je in krampachtige pogingen om een probleem op te lossen, het kind laat vallen. Omdat je bent gaan denken dat je er toch niets aan kan doen.

Paulus benadrukt wat je wel kunt doen: bijstand verlenen, troosten, barmhartigheid bewijzen, iets van je levenswijsheid delen.

Daar wordt de berg waar Jezus vandaan komt verzet. Omdat de pijn wordt erkend, het lijden gezien, krijg je vertrouwen dat je opgevangen wordt, ook als je valt.

Een mooi beeld vind ik dat van Paulus over het lichaam van de Heer, dat is een gewond en kwetsbaar lichaam. En ieder heeft daarin een vitale functie. En zegt hij dan tenslotte, als je barmhartigheid bewijst, moet je dat blijmoedig doen.

In de gaarkeuken van Rotterdam-Zuid kom ik die blijmoedigheid tegen, daar kookt chef-kok Walter dagelijks een gezonde maaltijd voor wie niet rond kunnen komen. Een vrolijke keuken, (daar aan de Persoonshaven, met bewoners die ergens in hun leven gevallen zijn, maar elkaar ook opvangen) Ik was daar een paar keer om courgettes te brengen die overschoten in de moestuin. Nu word ik daar de courgetteman genoemd.

Terug naar het verhaal: De jongen valt volgens zijn vader soms in het water en soms in het vuur, water en vuur, tegengestelde elementen: duidt dat op een bipolaire stoornis, van het ene extreem in het andere? De Belgische psychiater Dirk de Wachter schreef 10 jaar geleden al weer het boek ‘Borderline Times’:

Het is hem opgevallen dat mensen die als normaal te boek staan eigenlijk hetzelfde gedrag, dezelfde symptomen hebben als degenen die zogenaamd niet normaal zijn: de samenleving is onvoorspelbaar, impulsief, instabiel, destructief. Met gek genoeg weinig tolerantie voor wie afwijkt van de norm.

Onze tijd wordt getekend door een fanatiek streven naar geluk, maar dat maakt dat er geen plek meer is voor lijden, ongeluk wordt nauwelijks getolereerd, de vallende mens niet opgevangen.

Psychiater Dirk de Wachter zegt in feite, onze rusteloze tijd heeft iets van dan weer in het water, dan weer in het vuur vallen. Het ieder voor zich, het gevoel dat je zelf je leven moet maken, maakt dat de mensen hun mentale evenwicht verliezen. Je verdrinkt in machteloosheid of je ontsteekt in ongerichte woede. En daar komt dan nog de stress van de klimaatverandering bij, met de beelden van overstromingen en bosbranden, water en vuur.

Is een tegenbeweging mogelijk? Een alternatief. Waarom wil het maar niet lukken.

Jullie konden het niet vanwege je kleine geloof, zo spreekt Jezus zijn leerlingen streng toe. Kunnen ze dat eigenlijk wel helpen, waarom valt Jezus dan zo uit? Het lijkt erop dat Jezus hier ook zijn eigen demon van wanhoop en onmacht moet verdrijven.

Hoe lang moet ik jullie verdragen, verzucht Jezus…Dat is wel wat Jezus doet: tot het einde hun ongeloof dragen.

En helemaal aan het eind van het evangelie is Jezus opgestaan en dan ontmoet hij zijn leerlingen nog eenmaal, op de berg, dan is er nog steeds klein geloof bij de leerlingen, ze aanbidden hem en sommigen twijfelden. Maar dan zegt de levende Heer: zie Ik ben met jullie, tot aan de voltooiing van deze wereld.

Iemand zei, dat is eigenlijk een troost, een bemoediging dat Jezus iets kan beginnen met volgelingen die twijfelen, die niet heel veel geloof hebben, met een ernstig tekort aan vitamine g. Dat hij die kleingelovigen roept en bij hen blijft tot het einde.

Een mosterdzaadje vitamine g, dat kleine beetje geloof van jou  is genoeg, daarmee kan die ene berg verzet worden in jouw leven, komt er vreugde en vertrouwen in jouw bezorgde bestaan. Het geloof van het verbond, van Mozes en Elia, die ook door water en door vuur moesten gaan. En die een berg op gingen om God te ontmoeten en weer afdaalden om te vertellen dat er een stem is die spreekt.

Tenslotte: In de vakantie fietste ik over het Drielandenpunt naar Aken, de Vaalserberg, hoger kom  ik niet, en in het bos stond daar een christusbeeld, met daaronder in het Duits een tekst van Bonhoeffer uit zijn gebed ‘door goede machten’. U kent het:

 ‘In goede machten liefderijk geborgen/ verwachten wij getroost wat komen mag. God is met ons des avonds en des morgens./ Is zeker met ons elke nieuwe dag.

En in het museum van Aken zag ik een prachtig houten beeld van wat een genadestoel wordt genoemd. God is afgebeeld als een Vader die Jezus in de armen houdt. Een God die het lijden draagt.

Dat is geloof, dat God ons opvangt, niet laat vallen wat Hij met jou begonnen is. Amen

Hemelvaart tot in de hel

preek bij Exodus 14 en 1 Petrus 3

Een koningshuis van priesters zullen jullie zijn, een heilig volk, zo speekt Mozes het volk Israël aan, als de Eeuwige een verbond met hen gaat sluiten. En deze eretitel gebruikt ook Petrus in zijn brief voor de gemeente van Christus, een koningshuis van priesters en een heilig volk.

Gekroond en gezalfd ben je, aan God toegewijd. Precies bij de kroning van Charles III sprak de bisschop die woorden en inderdaad juist bij de zalving, het onderdeel van de ceremonie dat heel persoonlijk werd gehouden, niet voor het oog van de wereld, maar afgeschermd van de camera’s. Voor Gods aangezicht.

Dat maakte op mij nog de meeste indruk dat je het niet zag, dat die zalving in het verborgene gebeurde, ook een staatshoofd heeft recht op een eigen ruimte en het maakte dat het ook waarachtig, het gaat niet om de beeldvorming en om het pronken en pralen, maar om een mens die een taak krijgt, een opdracht, een zware last zo’n kroon op je hoofd, dan gaat het er om dat je hart daar klaar voor is.

Dat gebeurt in de zalving en dat is in de kerk ook toewijding aan Christus, de naam die gezalfde betekent, in het Hebreeuws messias.

(misschien heb je er niet zoveel mee, ben je republikein, maar ik vind dat die Bijbelteksten dan wel zin hebben, het gaat om dienend leiderschap, een democratisch ideaal). Het revolutionaire van dat koninklijk priesterschap is dat de Eeuwige niet tegen Mozes zegt, jij wordt koning en priester en Petrus profileert zich ook niet als de sterke man en troonopvolger. De gemeente wordt aangesproken, in dat verbond, in Christus, zijn jullie een koningshuis van priesters, een heilig volk.

Jullie zijn gekroond en gezalfd en ingewijd, vorstelijk op de troon gezet. En het bijzondere is dat Mozes dat zegt tegen een heel sjofel volk, op de vlucht geslagen, haveloze gelukszoekers in de woestijn, zonder bed, bad en brood. Alleen het manna van boven.

En Petrus, daar ga ik nu verder op door, die ziet een gemarginaliseerde gemeente voor zich, een kerk in een al even precaire positie, vreemdelingen zijn het in hun omgeving, rare types misschien wel, onaangepast, omdat ze meegaan in dat verhaal van sterven en opstaan, omdat ze Jezus als hun Heer en meester zien.

En daar worden ze op aangekeken, Petrus zegt tenminste dat dat voor kan komen dat je onrecht wordt aangedaan, dat je lijdt, juist omdat je het goede nastreeft. Heb je dat wel eens meegemaakt? Dat gebeurt niet overal en altijd, Petrus geeft daar een heel genuanceerd beeld van, in de regel is er waardering voor, als je eerlijk bent, vriendelijk in de omgang, zachtmoedig, dat wordt al een beetje vreemd gevonden. En het kan ook zomaar omslaan, dan worden je intenties gewantrouwd, je motieven verdacht gemaakt, juist omdat je gelooft?.

Petrus denkt bij dat lijden vooral aan verbaal geweld, kwaadsprekerij, intimidatie en bangmakerij, hoor jij soms ook bij de kerk..? Scheldpartijen, haat, woorden doen pijn, laten lidtekens achter, het is niet dat je het niets doet, leugens kunnen je in de problemen brengen, er zijn ook nu landen in de wereld waar christenen heel gemakkelijk worden opgepakt op grond van valse beschuldigingen. Dan kom je in de gevangenis, Petrus weet daar alles van en over de gevangenis gaat het ook in zijn brief. Daar komen we nog op.

Dan komt het er op aan dat je een moreel kompas hebt, een goed functionerend geweten, heilig de christus in uw harten, zegt Petrus,  wars van uiterlijk vertoon, koester het leven van de Geest in je, de olie waarmee je gezalfd bent trekt naar binnen, vernieuwt je van binnen uit.

En dan heb je een antwoord als je wordt aangesproken, een tegengeluid. Als je om rekenschap wordt gevraagd omtrent de hoop die in je is, zegt Petrus. Ja, wanneer gebeurt dat eigenlijk zeiden we tegen elkaar in de Bijbelkring toen we dit gedeelte lazen, wie is er in geïnteresseerd in die hoop en kun je het eigenlijk wel uitleggen. Je stuit op zoveel onverschilligheid.

Nu, ik denk dat er wel degelijk verlangen is in je eigen omgeving naar een tegengeluid dat de onverschilligheid overwint, een innerlijke overtuiging die houvast biedt. Een waarachtige levenshouding,  een betrouwbaar geweten. Dat wil je toch zelf ook.

Gelukkig ben je dan, zegt Petrus hier, zo heeft hij dat ook in de bergrede van Jezus gehoord. Je hoort dan bij dat koninkrijk van priesters, een heilig volk. Met onze koningsdag in Rotterdam was het thema: allemaal koningen en koninginnen. Mooi, of is het risico dat we ons dan als prinsen gaan gedragen, allemaal de baas in ons eigen vorstendom, we bepalen onze eigen regels wel totdat de politie en de ME notabene op een feestdag in actie moeten komen. Dan kom je van een koude kermis thuis.

 In de schriftlezingen word je niet tot prinsen en prinsessen, maar tot een koninkrijk van priesters gezalfd. Luther noemde dat het priesterschap van alle gelovigen. Dat je geroepen bent om elkaar in het geloof te bemoedigen en te sterken, de gemeenschap te dienen, gewoon ook door mee te doen en je taak te vervullen, de kerk dat ben jij. (in de doop ben je tot priester, bisschop en zelfs Paus gewijd zegt Luther ergens)

Dat gezamenlijk priesterschap functioneert intern in de kerk, maar ontdekte ik dankzij onze lezingen: ook naar buiten toe. Want wat doen die priesters, ze houden de liturgie, de tempeldienst gaande, tot eer van God. Dat is zo belangrijk, dat dat door blijft gaan, daar kom je voor. En zij zegenen het volk. Daartoe ben je als kerk op aarde, als koningschap van priesters, om een zegen voor de samenleving te zijn,

Door de lofzang en de eredienst gaande te houden, te blijven bidden om Gods Geest die deze wereld veranderen zal, dat is het tegengeluid, de hoop die in jullie is, het verhaal van Gods verbond met zijn volk.

Heilig de Christus als Heer in jullie harten zegt Petrus, Jezus is je voorbeeld, je morele kompas, je geweten en hij is ook de heer van deze wereld. Dat is de boodschap van hemelvaart, de machten en krachten die tegenwerken, die je soms tot wanhoop brengen, die delven het onderspit, zijn uiteindelijk aan hem ondergeschikt. Hemelvaart, dat hij zit aan de rechterhand van God. Dat betekent net niet dat er boven aan alle touwtjes wordt getrokken, maar dat God regeert via Jezus, zijn lijden en opstanding. Zo werkt zijn koningschap. Zo maakt zijn Geest alle dingen nieuw.

Het speciale van de Petrusbrief is dat de Hemelvaart van Christus ook een soort hellevaart is. Dat heeft met dat eigenaardige stukje over Noach te maken. Petrus belijdt dat Jezus als rechtvaardige is gestorven voor onrechtvaardigen, Petrus spreekt uit eigen ervaring. (zo eerlijk was hij zelf ook niet geweest…)

Om jullie bij God te brengen, en hij is zelfs zover gegaan dat toen hij stierf, hij gepredikt heeft tot de geesten in het dodenrijk. Tot degenen die in de dagen van Noach onverschillig waren, ongezeggelijk. Petrus ziet dat in het licht van Gods engelengeduld, er is een huis van bewaring is voor wie aan hun eigen ongerechtigheid ten onder gingen. Aan hen verschijnt Christus om verlossing te brengen. In zijn dood heeft Jezus tot deze gedetineerden gepreekt, om ook hen bij God te brengen, wat zal hij anders verkondigd hebben dan bevrijding.

 In de geloofsbelijdenis is dat terecht gekomen als nedergedaald ter helle. Hoe moet je dat voor je zien, Luther en Calvijn waren het daarover niet eens, Luther zag dat letterlijk-historisch, Calvijn symbolisch.

In veel kunst is het zo geschilderd, dat Jezus de duivel overwint, vastbindt en in zijn eigen gevangenis opsluit en dat de degenen die in de hel gevangen zaten worden losgelaten. Kijk maar op de afbeelding van de muurschildering van San Marco in Venetië. Alle sleutels op de grond en Christus die de hand reikt aan Adam en Eva die nogal witjes zijn na zoveel eeuwen gevangenschap.

San Marco Venetië (afbeelding beeldmeditaties.nl)

Het levert mooie plaatjes op, je ziet het voor je, maar geloof je het dan ook? Het gaat om het idee. Christus helpt je ontsnappen, nog wel het meest uit je eigen onverschilligheid en wanhoop, je gevoel van zinloosheid, er is een uitweg, een escape, een ontsnappingsmogelijkheid: je kunt het goede doen, Jezus volgen, ook als je het moeilijk wordt gemaakt.

Als ik die dagen van Noach die Petrus boven water haalt naar deze tijd vertaal, dan denk ik aan de film Cafarnaum, die ik vorige week zag bij de filmmiddag van Vorming en Toerusting. Aangrijpend, die moet je eigenlijk gezien hebben. Het gaat over een jongetje Zain in een sloppenwijk in Beiroet, gevangen in armoede, uitzichtloosheid en uiteindelijk ook echt in de gevangenis. Maar hij heeft een moreel kompas, in die zee van lijden weet hij wat goed doen is, ontferming en hij brengt daar een soort van hoop.

Dat is hemelvaart, dat Christus afdaalt in onze gevangenis, juist in de diepste krochten van de wereld is de Heer aanwezig, om daar God met ons te zijn, om de machten en krachten die je in de greep houden de wacht aan te zeggen, om je te ontketenen, vrij te spreken. Jezus is Heer.

Tenslotte: 8 zielen worden er gered in het verhaal van Noach. Zo is dat in het klassieke doopformulier terecht gekomen, beeld van een piepkleine kerkgemeenschap. Het onverwacht hoopvolle van de Petrusbrief is dat het hem gaat om de rest, die anderen, die gevangen zaten in hun onverschilligheid, Christus gaat naar hen toe.

En hij reikt je de hand, om Gods bondgenoot te worden, medewerkers van zijn Rijk, de nieuwe schepping die al leeft in jouw hart.

Kom Schepper, God o Heilige Geest. Amen

Houd me niet vast

Rembrandt- De opgestane Heer verschijnt aan Maria Magdalena (Statenverteling.net)

Een van de meest ontroerende momenten van de Matteus Passion  van Bach is de Aria die gezongen wordt als Jezus aan het kruis gehangen is:

In het Duits begint de tekst zo: Sehet, Jesus hat die Hand, Uns zu fassen Ausgespannt. Kommt

Kijk, Jezus heeft zijn handen om ons te vatten uitgespannen, Kom

Dat komt dichtbij, dat de gekruisigde Jezus zijn armen gespreid houd als handreiking, als welkomstgebaar, als toewending en zegen: kom in mijn armen, om ons als verloren kuikens onder zijn hoede te nemen, dat is niet zo maar modieuze theologie, dat had Bach al gezien.

De gekruisigde heeft de handen uitgestrekt: kom, zoek erbarmen vindt verlossing, zoek het hier. Dat is het beeld, de boodschap van Goede Vrijdag.

In de beeldende Matteus-vertaling van Jan Rot:

Vrede! Jezus reikt de hand . Naar elk mens in ieder land. Kom – Waarom? – in Jezus’ armen! Zoek naar klaarheid! Wat is waarheid? Zoek dan! – Hoe? – in Jezus’ armen!

Jezus reikt je de hand

Dat is Goede Vrijdag, dan valt het toch wel heel erg op, dat je met Pasen niet de kans krijgt Jezus vast te houden en in de armen te sluiten. Ja, dat valt op, misschien ook wel tegen.

Want de leerlingen, Maria, Petrus en de andere leerlingen zien een leeg graf, een weggerolde steen, doeken die terzijde zijn gelegd, alsof iemand wakker is geworden en z’n bed netjes heeft opgemaakt. Maar het lichaam van hun Heer zien ze niet, nergens te bekennen. Ze zien natuurlijk vooral wat er mist, wat er ontbreekt.

En dat bezorgt ze grote onrust en stress. En verdriet, Maria huilt bij het graf.

En als ze dan iemand ziet, dan denkt ze dat het de tuinman is. De hovenier die in de tuin bezig is, vroeg in de ochtend, voor dag en dauw, in onze kerktuin gaat dat ook zo.  Er wordt hard gewerkt in de vroege morgen.

Ze vraagt de tuinman, waar hebben ze hem neergelegd. Ja, ze denkt dat het de tuinman is. En die zegt alleen maar ‘Maria’.

Maar voordat Maria van Magdala ook maar een toenaderingspoging kan doen, ze heeft alleen nog maar rabboeni geroepen, meester, zegt Jezus ‘houd me  niet vast’ in andere vertalingen ‘raak mij niet aan.’

Dat komt niet heel uitnodigend en verwelkomend over, waar is dat grootse gebaar  van zegening en aanvaarding gebleven.

Maar hier een afwerende reactie, houd me niet vast, het lijkt haast een coronareflex, iemand steekt een hand uit en je schrikt, deinst terug, moet ik dat wel doen.

Of een waarschuwing tegen ongewenste aanrakingen, iemand tegen zijn of haar zin in betasten, dat is grensoverschrijdend gedrag. Maar is dat hier het geval?

Hoe close was Maria van Magdala met Jezus, daar zijn nogal wat theorieën en speculaties over, maar we weten bijna niets van haar. In het Johannesevangelie kom je haar voor het eerst tegen, onder het kruis. Ze wordt vaak geïdentificeerd met de Maria die Jezus zalfde, maar die kwam uit Bethanië, de zus van Martha en Lazarus. En deze Maria dus uit het plaatsje Magdala. Maria de Magdaleense.

Vroeg op de eerste dag van de week komt zij bij het graf, is zij daar.

Ze is de eerste die de opgestane Heer heeft gezien. En Jezus stuurt haar om het bericht door te geven aan de anderen. Zij. De apostel van de apostelen.

Maar eerst de wanhoop. Vergelijk haar situatie met die van het volk Israël in het Paasverhaal van exodus, als ze in het nauw gedreven worden door het leger van de farao met zijn ruiters en paarden, zwaarbewapend en meedogenloos. Je wordt verpletterd. Er is geen route!

Het volk kijkt om en ze zien de dood in de ogen, ze zitten klem. Hadden we het niet gezegd, we waren liever slaven gebleven in Egypte, nu komen we om in de woestijn.

Ze zien het gevaar, met een been in het graf, er wordt jacht op hen gemaakt en dan zegt Mozes. Wees niet bang, je zult het zien hoe de Heer redding brengt en je zult deze Egyptenaren die dood en verderf brengen niet meer zien, nooit van je leven, in eeuwigheid.

Zie je  redding?: in het Hebreeuws ‘jeshoua’, de naam van Jezus of zie je alleen de doodsdreiging, het gevaar, (de beproevingen waar de apostel Petrus over spreekt in zijn brief.)

Mozes houdt het volk geloof voor, vertrouwen, ga anders kijken, hoe zouden ze de Israëlieten dat opgevat hebben terwijl de Egyptenaren op hen af kwamen om ze finaal te verpletteren.

Het boeiende is dat de HEER Mozes dan nogal bruut onderbreekt. Hoezo ‘de HEER zal voor u strijden, jullie hoeven niets te doen’  Waarom roep je mij te hulp. Zeg tegen de Israëlieten dat ze verder trekken.

Ja, de Heer brengt redding, heb vertrouwen en dat houdt in dat je nu zelf ook in beweging moet komen, een move maken, dat moeten ze nu zelf doen, doortocht door de zee.

Zo moet Maria op weg gaan naar Petrus en de andere leerlingen: Ga. En ze gaat: ik heb de Heer gezien.

Heel mooi dat we iets gelezen hebben uit een brief die op naam van diezelfde Petrus staat. En dat die benadrukt dat we het vaak niet zien, zo spreekt hij ons andere leerlingen toe. U hebt hem lief zonder hem ooit gezien te hebben en zonder hem nu te zien gelooft u in hem.

Ergens is dat de grote beproeving, dat we meer dreiging dan redding zien, meer dood dan leven, meer leegte dan houvast. Bonhoeffer zegt in een van zijn brieven vanuit de dodencel dat de verborgenheid/ afwezigheid van God bijna ondragelijk voor hem is.

Hij bedoelde natuurlijk niet het feit dat God onzichtbaar is, maar de ervaring dat je reddeloos en hulpeloos bent, en aan je lot overgelaten, en dat je machteloos staat, en dan te blijven geloven..

Dat er een weg is ondanks alle overmacht, een doorgang door de dreiging heen, dat er een weg wordt gebaand die jij mag gaan, het volk krijgt een vrije doortocht.

Dat is, zegt Petrus, tot ons, andere leerlingen opnieuw geboren worden, dankzij de opstanding van Jezus Christus ga je leven in hoop, zie je toekomst. Eigenlijk staat er dat je een levende hoop wordt. Hoop doet leven, dat betekent Bijbels dus niet: bij gebrek aan perspectief kun je altijd nog hopen en bidden. Dan zegt God, waarom roep je mij om hulp, ik wijs je toch een weg, ik geef je recht van overpad, ik schenk je toekomst zelfs door de dood heen, ga, go.

Door de doortocht van Pasen mee te maken, de bevrijding van Israël uit Egypte, het lijden van Jezus en zijn opstanding, ga je het zien dat er ook voor jou een route is

Petrus zegt in zijn brief tenslotte nog iets heel eigenaardigs over het opstandingsevangelie: dat wat aan ons geopenbaard wordt dankzij Pasen, zelfs de engelen graag zouden zien.

Bij de rabbijnen is het een vaker terugkerende gedachte dat God zijn volk meer liefheeft dan de engelen. Dat de mensen voor hebben op de engelen dat zij kunnen kiezen, daar zijn dan verhalen over dat de engelen zich achtergesteld voelen.

Dat is rabbijnse logica om te beseffen hoe bevrijdend dat de Heer je vraagt, je uitdaagt om op te staan, om te leven in hoop, om met nieuwe ogen te kijken.

Iets daarvan zien we in het schilderij van Rembrandt over de opstanding, Christus verkleed als tuinman, met hoed en tuinschep, bezig om de nieuwe schepping te creëren, Maria die zich omdraait.

De engelen houden slechts de wacht, sterker nog, ze lijken uit te rusten, ze zitten er relaxed bij, hun werk is gedaan, maar Maria heeft de Heer gezien, voor haar begint het nu, zij wordt weggestuurd, ga.

Heel typisch,  in het Johannesevangelie hebben de engelen niets te vertellen, van hen komt het Paasevangelie niet: de Heer is waarlijk opgestaan.

Dat is aan Maria Magdalena, apostel der apostelen. ‘Houd mij niet vast’, zegt de Opgestane. Dat is geen afwerend gebaar, maar een bevestiging van Gods toewending naar deze wereld.

Want Christus, de Levende geeft haar een roeping, een doel, ze krijgt gezag, autoriteit, een missie: Ga naar de broeders en zeg tegen hen dat ik opga naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God die ook jullie God is.

Dat is opnieuw de boodschap van Goede Vrijdag, als alles wordt volbracht. Jezus heeft zijn handen uitgespannen om jou en de wereld te omvatten met zijn handen.

En dat betekent volgens mij: het is aan jou als mens om het te laten zien, om het door te geven. De engelen blijven wel zitten op hun plek, Maria wordt eropuit gestuurd.              Ga.       

Een stem in de woestijn

landschap met de barmhartige Samaritaan, Maarten van Heemskerck, Rijksmuseum

Ik ben de stem in de woestijn die zegt: “maak recht de weg van de Heer” (Johannes 1:23)

Ik zal het maar ronduit bekennen, ik behoor bij de  enkele gelukkigen die nog vlak voor de lockdown de nieuwe Spidermanfilm hebben gezien. Nu ja gelukkig…, die superheldenfilms zijn totaal niet aan mij besteed, maar mijn zoon wilde hem heel graag zien en dat maakte het voor mij ook weer leuk. En wat het voor mij ook tot een bijzondere ervaring maakte is dat ik merkte hoe emotioneel betrokken het bioscooppubliek was bij hun held, ik mag natuurlijk niks weggeven, maar bij een bepaalde verrassende onthulling in de film steeg er een gejuich op in de bioscoopzaal van Roosendaal. Er werd hartstochtelijk en enthousiast meegeleefd. De toeschouwers zaten er helemaal in. Met volle overgave.

Als een geheime identiteit bekend wordt gemaakt dan zit je op het puntje van je stoel, dan is je aandacht geboeid, denk aan ‘Wie is de mol?’ En daarom trekt Johannes de Doper de aandacht: Wie ben jij? dat is de vraag waarmee er priesters en levieten tot hem komen. Ze zijn oprecht nieuwgierig: ben je de messias, Elia of de profeet? Priesters en levieten komen uit Jeruzalem, dat doet me ergens aan denken, daar kom ik nog even op terug.

Johannes roept nieuwsgierigheid op, hij wekt verwachtingen, dit zou hem wel eens kunnen zijn, de persoon die de belofte van een nieuwe tijd inlost. Daar leeft een groot verlangen naar.

Dat merkte ik ook bij die Spidermanfilm, hoewel alle fans snappen dat het om een bedacht, gespeeld personage gaat, belichaamt deze superheld en gewone jongen ineen de behoefte naar een redder, iemand die het kwade bevecht en de wereld bevrijdt. Dat is ergens een christelijk thema. En dankzij Spiderman heb ik ontdekt dat dit een verhaal is waar velen voor openstaan, en emotioneel door geraakt en enthousiast van willen worden. Kijk, zo was het voor de dominee toch een interessante film.

Wie ben je, Johannes geeft er open en eerlijk antwoord op, ik ben de messias niet en ook niet Elia en ook niet de profeet. Drie keer nee en toch staat er dat hij niet ontkennend antwoord, hij zegt immers ook wie hij wel is en hij gaat positief in op hun verlangen naar de messias. Ze hoeven niet met lege handen terug naar hun opdrachtgevers. Hiermee kunnen ze tot het hart van Jeruzalem spreken.

Wie is hij dan wel?  ‘ik ben de stem in de woestijn waar Jesaja over spreekt’. Dat is nog eens een sterk en zelfbewust antwoord. Johannes zegt daarmee, ‘ik ben gewoon mezelf, ik ben geen superheld, ik ben de messias niet, maar ik vertolk de boodschap van Jesaja, daar geef ik stem aan.’

En die stem zegt volgens Jesaja: ‘effen de weg van de Heer, trek recht wat krom is.’

Ik ben het niet zegt Johannes, ik ben ook maar een mens, een stem in de woestijn, een tere bloem op het veld. Dat is het realisme van Johannes, nog net iets realistischer dan Spiderman, als je het mij vraagt.

Een open en eerlijk antwoord van Johannes ook op de vragen van onze dagen, we vragen ons immers steeds af wanneer het leven weer gewoon wordt en corona voorbij is, maar dan vergeten we dat het gewone leven ook kwetsbaar is en voorbij gaat en dat er altijd teleurstellingen en beperkingen zijn. Dat is leven en de kunst is dat je daarmee leert leven. Of zijn we te verwend geraakt…?

Johannes getuigt: Ik ben het niet, de messias of superheld, maar in uw midden is Hij. In dit aardse, soms moeizame leven stem klinkt dus een stem, een spreken. In dat Word is leven en licht voor de wereld. Johannes ziet gebeuren dat de Heilige Geest op Jezus neerdaalt, zo wordt ons broze bestaan bezield, een zondige wereld omgedoopt tot nieuwe schepping.

Ik zou nog terugkomen op die priesters en levieten die uit Jeruzalem richting de Jordaan komen, waar deed me dat aan denken? Aan een verhaal dat Lucas vertelt, dat van de barmhartige Samaritaan. Dan zijn er een priester en een leviet die dezelfde beweging maken van Jeruzalem naar Jericho dat in het Jordaandal ligt.

Misschien wilt u mij tenslotte deze vrije uitleg gunnen. Stel je voor dat de evangelist Johannes die gelijkenis van Lucas kende, de barmhartige Samaritaan en dat hij die priesters en levieten laat afdalen vanaf Jeruzalem om ze als het ware een herkansing te geven.  De vraag bij de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan is ‘wie is mijn naaste’ en zo komen de priesters en levieten hier langs dezelfde weg met de vraag tot Johannes ‘wie ben je?’.

In de gelijkenis maken de priester en de leviet de weg krom door de vraag naar de naaste in nood, die eenzaam dood ligt te gaan, te ontwijken, ze gaan er met een boog omheen. Hier krijgen ze opnieuw de stem van Jesaja te horen: “Maak recht de weg van de Heer.”

Zoals Jesaja dat brengt, heb je misschien het idee dat je een superheld moet zijn, bergen verzetten, valleien ophogen,  een snelle uitweg uit de crisis, als dat zou kunnen, bovennatuurlijke krachten, maar ik denk dat de priesters en levieten het wel begrepen hebben dat het bij het bereiden van een weg voor de Heer erom gaat of jij een naaste wil zijn.

Ze krijgen de vraag die ze zelf stellen aan Johannes als een echo teruggekaatst. Wie ben je? Ben jij een naaste en wil je geloven dat de Heer zelf je naaste geworden is?

preek 9 januari

In den beginne -Nieuwjaarspreek

Johannes de Doper door Mattias Grünewald-Isenheimer Altar, bron: Statenvertaling.net

Het bekendste kerstevangelie, van Lucas, begint met: het geschiedde, het gebeurde, dat is in de Bijbel de manier om een verhaal te beginnen. Het geschiedde in die dagen. En dan zie je Jozef en Maria op bevel van keizer Augustus naar Bethlehem reizen, waar het kind wordt geboren en in een kribbe gelegd, want plaats is er niet in de herberg.

In het vierde evangelie, dat van Johannes, geen Jozef en Maria, geen reis naar Bethlehem, dat vertelt Johannes niet, dat laat hij aan Lucas over. Maar wel lees ik daar diezelfde woorden. Het geschiedde, het gebeurde. Wat gebeurt er dan? Er gebeurt een mens. Dat staat er. In het Nederlands kun je dat zo niet zeggen en daarom staat er in onze vertaling: Er kwam iemand. En dat moet je dus zo opvatten. Er gaat iets gebeuren. Let op. Er kwam een mens die door God werd gezonden en zijn naam: Johannes.

Nu verwachtte je daar misschien de naam Jezus, het evangelie wil toch over Jezus vertellen. De Zoon van God. Ja, maar de eerste naam die hier wordt genoemd is Johannes. Bedoeld wordt Johannes de Doper, zo kennen wij hem.

Johannes wordt hier alleen niet de Doper genoemd, maar de Getuige. Want zo gaat het verhaal verder. Hij heette Johannes en hij kwam als getuige, om van het licht te getuigen, opdat allen door hem zullen geloven.

Wat weten we van Johannes. Een eigenaardig figuur, hij leefde als een outsider, zag eruit als een zwerver, met zijn mantel van kamelenhaar, mooie kerstoutfit, hij at sprinkhanen en honing die hij in de woestijn vond. En hij was een profeet, hij had kritiek op iedereen of moet je zeggen: hij geloofde er in dat iedereen tot inkeer zou komen. Hij bracht heel het volk er toe om te verlangen naar de vergeving van zonden. Een nieuw begin.

Een stem in woestijn, die de weg van de Heer aanlegt, zo wordt hij in de Bijbel getypeerd. En hier komt  hij het verhaal binnenlopen als getuige, om van het licht te getuigen, opdat allen zullen geloven.

Het licht, daar moet iemand, een mens je op wijzen. Je opmerkzaam op maken. Wat voor een licht is dat dan, als iemand een licht aan doet, dan zie je dat toch zelf wel, heb je daar een getuige voor nodig?

Johannes 1 spreekt over het licht van den beginne.  Van de eerste dag, van Genesis 1. Het licht dat ontstaat, dat gebeurt,  door het Woord, als God gaat spreken. ‘In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God’. Prachtige openingszin. Pure poëzie.

Deze proloog sluit aan bij Genesis 1. Het begin van de Hebreeuwse Bijbel. De schepping. Als God in den beginne de hemel en de aarde schept door te spreken, door zijn woord. En om te beginnen het licht. God sprak, laat er licht zijn en er was licht.

Dat is dus het licht van de eerste dag en wat dat licht bijzonder maakt is dat het er is, voordat de zon en de maan en de sterren geschapen worden. Het is dus een oorspronkelijke lichtbron, die zich onderscheidt van de duisternis en niet afkomstig is hemellichamen en lampen en kerstverlichting, het is het licht van God zelf.

Van dit licht getuigen, dat is wat Johannes doet, hij is zelf het licht niet, maar getuigt van Gods verborgen aanwezigheid in deze wereld, het licht dat schijnt in de duisternis.

Hoe getuigt hij daarvan? In de eerste plaats door mens te zijn, want zo wordt hij geïntroduceerd. Er geschiedde een mens en hij droeg een naam Johannes, een naam hebben wil zeggen dat je aanspreekbaar bent. Als je een naam hebt, dan heb je ook een roeping.

Als je aanspreekbaar bent op je mens zijn, dan gebeurt het, dan geschiedt het ook in jouw leven.

Dat is waar de openingszin van dit evangelie op duidt. In den beginne was het woord, vanaf het begin is er het spreken. God begint ermee, schept het licht en hemel en aarde en tenslotte de mens die tot antwoorden in staat is, die geroepen wordt om zodoende van het licht te getuigen.

Wat voor een getuige was Johannes? Hij kwam om te getuigen, opdat iedereen door hem ging geloven.

Kan een medemens je geloof geven? De geseculariseerde wereld zegt ‘nee dat kan niet, dat is ieders persoonlijke keuze, de gelovige zegt misschien ook wel ‘nee, dat is het werk van de Heilige Geest’, de dominee denkt, ik probeer het, maar het lukt me niet of nauwelijks’, maar deze tekst heeft er alle vertrouwen in. Opdat allen zullen geloven, door die mens. Vertrouwen krijgen.

Ik zou haast zeggen, laat het maar gebeuren in jouw levensverhaal, wees mens, wees aanspreekbaar voor het spreken van God, voor zijn Geest die je geloof nieuw leven inblaast, dan gebeurt het dat je een getuige bent. Geloofwaardig en vertrouwenwekkend.

Als ik dit Woord van den beginne tot me door laat dringen, dan krijg ik er inderdaad weer vertrouwen in, dat het gebeurt, dat mensen geloof krijgen in dit verborgen licht van God dat schijnt in de duisternis.

Kerst 2021-Nieuwjaar 2022

Troost, troost mijn volk

De profeet Jesaja-Jan Mostaert (ca.1520) Museum Boymans van Beuningen

De Canadese filosoof Michael Ignatieff schreef een boek over troost. Toen hij daar een paar jaar geleden aan begon, vroegen mensen uit zijn omgeving of het wel goed met hem ging. Waarom een boek over troost? Welk verdriet had hij niet kunnen verwerken?

Het ging goed met hem, maar hij was op het spoor van de troost gezet toen hij bij een muziekfestival een kooruitvoering van de psalmen meemaakte. De muziek en de teksten brachten bij hem als (naar eigen zeggen) niet religieus persoon een diepe emotie te weeg die hij als troost beleefde. En daar wilde hij zich  in verdiepen, want hij had niet verwacht dat het zoveel met hem deed, dat die troost  zo relevant voor hem was

Nu een paar jaar en een paar coronagolven later wordt hem niet meer gevraagd waarom hij zich met het onderwerp troost bezig houdt. Het blijkt dat heel veel mensen snakken naar troost. Waarom? Omdat het leven moeilijker, zwaarder, onzekerder is dan voorheen. En omdat veel dingen die voor afleiding zorgen wegvielen in de lockdowns?

Troost, troost mijn volk, zo begint Jesaja 40, zo begint een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van Israël, want de eerste 39 hoofdstukken van Jesaja spelen vroeger in de geschiedenis, voor de ballingschap, maar hoofdstuk 40 kondigt het einde van 50 jaar ballingschap aan, hier spreekt Deuterojesaja, oftewel een tweede Jesaja. In de geest van de eerste.

Dat zit misschien dicht tegen elkaar aan, de vraag is of het volk zich wil laten troosten of gaat deze Jesaja te snel voor ze. Is de ellende dan zomaar voorbij?

Deze tweede Jesaja en daarmee volgt hij de eerste Jesaja,  geeft aan de ellende, het ver van huis zijn, een bepaalde duiding. Hij beweert namelijk dat die ellende te maken heeft met schuld, een straf is, een taakstraf kun je het noemen, een slavendienst. Het volk heeft schuld op zich geladen en daardoor de vrijheid verspeeld.

In de trant van: ‘Jullie hebben je niet aan de adviezen en de basisregels gehouden en dan is dit het gevolg.’

Maar wat me dan opvalt is dat Jesaja wel wat van die logica afwijkt door het volk toe te spreken dat ze uit de hand van de Heer dubbel  voor haar zonden hadden ontvangen.

Jullie zijn zwaarder gestraft dan je had verdiend, dubbel hebben jullie geboet. Ik weet niet precies hoe Jesaja dat bedoelt.

In ieder geval hoor ik er iets van protest in van de kant van Jesaja,  heeft Israël niet te veel te verdragen gekregen? Heeft God zijn volk niet te hardhandig aangepakt?

Juist in die formulering dat het volk dubbel heeft ontvangen, zit een element van vertroosting. Ja, dat ze in deze situatie zitten is door hun eigen toedoen, het gevolg van hun slordige omgang met God en de naaste, maar het is meer dan dat, meer dan ze hadden kunnen voorzien, ze zijn hier niet alleen verantwoordelijk voor.

Troost, troost mijn volk, dat doe je niet door alle schuld bij een ander te leggen of door alle schuld bij jezelf te leggen . Het lijkt wel alsof God zegt, jullie mijn volk,en ik jullie God, hebben hier allebei ons aandeel in.

Machtig mooi vind ik het dat God Israël hier aanspreekt als ‘mijn volk’ en dat God zich aan hen voorstelt: ‘jullie God’.  Dat deze tweede Jesaja zo begint.

‘Dubbele straf’ zegt de NBV-vertaling, maar ‘straf’ staat er niet. Alleen dubbel ontvangen en dat zet mij aan het denken. 

Nu ga ik Jesaja niet liever maken dan hij is, hij duidt de ballingschap als een straf uit Gods hand, maar ‘dubbel ontvangen’, dat duidt volgens mij op een ander extra. Dat ze naast de straf, ook vrijspraak krijgen, het grote geschenk van de gratie.

Want welk woord staat er nu eigenlijk dubbel? Troost, twee keer, dat is het, dat bedoelt Jesaja met dubbel ontvangen.: Troost, troost, mijn volk.

De honger van de ander is heilig

Byzantijns mozaïek ca. 400 na Christus, ‘broodvermenigvuldigingskerk’, Thagba, Israël

Hieronder een fragment/ brokstukje uit mijn preek van zondag 14 maart over Jezus die het volk voedt met 5 broden en 2 vissen (Johannes 6:1-15) waarin ik stil stond bij biddag voor gewas en arbeid en ook een beetje bij de verkiezingen. Als Jezus zich ‘brood des levens’ noemt en ‘manna uit de hemel’ is dat namelijk niet alleen maar spiritueel, maar heeft dat een  aardse, wereldse en dus ook politieke betekenis. Zie voor de hele dienst: https://youtu.be/5lFBjGQSOXA

Een bijzonder kenmerk van de evangeliën is dat er een soort driehoeksverhouding is tussen Jezus, zijn leerlingen en de menigte. Jezus is meestal omgeven door zijn leerlingen, met hen is hij in gesprek, vertrouwelingen, vrouwen en mannen, die hem volgen en tegelijkertijd is het volk nooit ver weg, zij volgen hem ook. De menigte, in de oude vertaling ‘de schare’. En telkens blijkt dat Jezus bezorgd is om het volk, dat hij om hen bewogen is, bekommerd. Hun zorgen en noden gaan hem aan het hart. En  het volk loopt hem achterna en het is meer dan nieuwsgierigheid alleen, ze hebben verwachtingen van Jezus.  

(..)

Jezus heeft iets met het volk en het volk met hem en toch is hij geen populist, geen man van het volk. Want als ze hem mee willen nemen en op een troon hijsen, dan neemt hij afstand, trekt zich zelfs alleen terug op de berg.

Op de zondag voor de verkiezingen vind ik dat een spannende vraag, wat heeft Jezus met het volk en wat is de rol van de discipelen  daarin?  Het volk lijkt op drift geraakt, stuurloos, allemaal zwevende kiezers en toch zijn ze op Jezus gericht. Ze volgen hem op  de voet, vanwege de tekenen die ze van hem gezien hebben, de zieken die hij genas.  Zelfs als hij het meer van Galilea per schip oversteekt, weten ze hem weer terug te vinden. Ze lopen om het meer heen en treffen hem daar aan. Via een omweg komen ze bij Hem uit.

Wat heeft Jezus met het volk? wat heeft Christus met de wereld? nou alles dus. “Al zo lief had God de wereld, dat hij zijn Zoon gezonden heeft, opdat ieder die in hem geloof niet verloren zal gaan, maar eeuwigleven mag hebben.” (Joh.3:16) Dat is het partijprogramma van het Johannesevangelie. En dat zie je aan Jezus’ omgang met de mensen, dat hun kwalen en hun honger hem bezig houden.

Je kunt gerust zeggen: daar begint Gods missie in deze wereld, bij de zorg voor de zieken, de honger van de naaste. Denk aan de werken van barmhartigheid. Dat vraagt om inzet van mensen en middelen en daar gaat de politiek over. De Joodse denker Emmaunuel Levinas zegt: ‘de honger van de ander is heilig’. Hij bedoelt dat je daar niet om heen kunt, het is een gebod van hogerhand om te delen.