Treurdag

Boog van Titus in Rome, de voorwerpen uit de tempel, waaronder de kandelaar worden in triomf meegedragen

Het Jodendom gedenkt gedurende drie weken in de zomer de verwoesting van de tempel, zowel die van Salomo door Nebukadnezar, als de tweede tempel die in het jaar 70 door de Romeinse legioenen onder leiding van Titus met de grond werd gelijk gemaakt.  Vanaf de eerste bres in de stadsmuur van Jeruzalem tot de ontheiliging en verwoesting van de stad drie weken later. Op deze datum die  op de joodse kalender Tisja Beav heet (in 2020 29 juli), wordt er gevast en in de synagoge leest met het boek klaagliederen van Jeremia. Er wordt geen echter niet aan Tora-studie gedaan, want dat zou vreugde brengen en dit is een dag van rouw.

Over deze treurdag heeft Vondel een toneelstuk geschreven, ‘Jeruzalem verwoest’, op basis van het ooggetuigeverslag van Josephus. Het is een van Vondels vroegste werken, hij schreeft het in 1619 en qua thematiek is het een echt treurspel. Er is echter nauwelijks een plot, wat je bij Vondel vaker mist, er wordt weinig toneel ‘gespeeld’ en vooral (nogal wijdlopig) verteld.

De verwoesting van de stad wordt na afloop beschreven door Titus, Josephus en de andere betrokkenen. Dat zijn met name drie  reien (koren) van joodse vrouwen, kennelijk had Vondel beschikking over een overtal aan zangeressen. Een hoofdrol is er voor  dochter Sion, in Jesaja een metafoor voor de stad Jeruzelem, in het toneelstuk van Vondel een zelfstandig personage.

De enige handeling die feitelijk op het toneel plaats vindt is dat deze dochter Sion zich verstopt om te ontkomen aan de Romeinse gevangenis en slaverij. De dialoog die dan plaats vindt tussen de Romeinse generaal en de vrouwen die haar willen beschermen is het hoogtepunt van het werk. De emoties en over elkaar buitelende argumenten zijn prachtig verwoord. Zo smeken de vrouwen:

Wat is ’t dat u ontstelt. Wat is ’t dat gij begaet?

Waar eer is ’t dat ghy dees verdruckte vrouwen slaet?

Een troosteloozen hoop. Tert liever uws gelijcken.

Gaet uwen vyand toe zoo zal uw vroomheyd blijcken. (1851-1854)

Minder fraai zijn de anti-joodse uitspraken waar je bij Vondel niet om heen kan. Dat maakt dat je dit werk met verlegenheid leest en dat je het niet  zomaar op kan voeren. In zijn voordeel spreekt wel dat de joodse personages geen karikaturen zijn,  de sympathie ligt meer bij hen dan bij de romeinse tegenspelers. De wapenfeiten van de soldaten worden met ironie beschreven. Zo laat hij Titus zcih beroemen op het plegen van oorlogsmisdaden. Voor Vondel is het platbranden van  de heilige stad allesbehalve een heldendaad.

Laat tuygen van mijn deugd de opgegraven straten

Laat tuygen van mijn deugd de roof van mijn soldaten etc (263-264)

Vondel schreef dit werk in 1619, het jaar van de synode van Dordrecht, toen de contraremonstranten met behulp van legerleider Maurits de strijd wonnen. Ik vermoed dat de gelofte die prins Titus doet om in Rome een offer te brengen een impliciete kritiek is op stadhouder  Maurits die partij had gekozen in het debat en de beslissing met geweld afdwong door Johan van Oldenbarnevelt vast te zetten. Vondel was van mening dat de strenge calvinisten het noodlot vereerden en dat laat hij merken in een (expres?) cryptische passage.

En wordt geliefkoost van het noodloth allerdingen:

En dreight ten Hemel met opsteygren in te dringen.

Die Godheyd, door wiens gunst ons jonge manschap rypt,

Die onze speeren smeert, ons stalen degens slypt, (487-490)

Vondel treurt in ‘Jeruzalem verwoest’ echt om de verwoesting van de stad, ook al is het aardse Jeruzalem in zijn optiek slechts een schaduw van het hemelse . Hij is werkelijk begaan met het lot van de vrouwen die als sexslaaf van hun veroveraars moeten gaan dienen.

Zijn anti-joodse uitspraken zijn vooral theologisch. Maakt dat ze minder gevaarlijk? Vondels uitleg is dat de verwoesting een goddelijke wraak is voor de dood van Christus. Deze gedachte vindt geen steun in het Nieuwe Testament, maar was helaas een vast item geworden in de christelijke polemiek. Wat je bij Vondel gelukkig niet tegenkomt is de idee dat joodse tijdgenoten hiervoor zouden moeten boeten, wel roept hij hen op zich tot Christus te bekeren.  Zou Vondel het mogelijk geacht hebben dat leden van de toenmalige synagoge in Amsterdam zijn ‘Jeruzalem verwoest’ zouden lezen? Wat zou ik graag geloven dat Vondel als lid van de doopsgezinde gemeenschap  sympahtie heeft gehad voor een andere religieuze minderheid, maar eigenlijk is daar geen aanwijzing voor. Ook dat is betreurenswaardig.